'Met blote handen in het koude vlees'

De eerste baan maakt vaak diepe indruk en legt de basis voor later. Tatoeëerder en kunstenaar Henk Schiffmacher (59) begon in de slagerij van zijn vader. Deze maand opende Schiffmacher zijn Amsterdam Tattoo Museum.

"Ik ben werkend geboren. Een vulkaan ben ik: er borrelt en pruttelt altijd wat. Dat was bij ons thuis heel normaal. Mijn vader had een slagerij. Met zijn marinierskwaliteiten zorgde hij dat mijn vijf broertjes, twee zusjes en ik de hele dag bezig waren. Vanaf mijn achtste stond ik aan het hakblok botten te ontvlezen, hele koeien uit elkaar te trekken. Ik had een wit petje op en een wit jasje aan. Mijn vader was apetrots, want die jasjes waren kraakwit. Dat was belangrijk. Ze waren zo gesteven dat het al een gevecht was om je arm door de mauw van zo'n jasje te steken - laat staan er in te werken.

Wij waren een katholieke familie in een protestants dorp, Harderwijk. De slagerij was al sinds 1814 in de familie. Ze dankte haar bestaan aan het feit dat de protestanten onderling zo de schurft aan elkaar hadden, dat ze nog liever hun vreten bij een katholiek kochten. Er heerste een bekrompenheid van heb ik jou daar.

Ik wilde kunstenaar worden. 'Kunstenaar?', zei mijn vader. 'Jongen, dan eindig je in het café.' Daar heeft hij trouwens volkomen gelijk in gehad. Maar ik wist zeker dat ik géén slager wilde worden. Het was afzien in die slagerij. De Arbowet, daar hadden we nog nooit van gehoord. Er was geen verwarming, we hadden geen rubberen handschoenen. Koud dat het was! Urenlang stonden we met onze blote handen in dat koude vlees. Als je in je vinger sneed, voelde je het niet eens. En soms stond er als ik uit school kwam een fiets klaar met een zwaar beladen mand. Als de zon scheen reed ik, fluitend naar de meisjes, makkelijk dertig kilometer naar dorpen als Hulshorst en verder. Maar als er ijzel lag, viel er bar weinig te fluiten.

Je moest het niet verkeerd doen bij mijn vader. Hij was heel direct. Als je stond te klooien, kon je naar de schuur om een stuk hout te pakken. Hij gaf je met je zelf gekozen stuk hout een flinke klap. Maar ik ben niet het type dat daar 's nachts wakker van ligt. Ik koester de romantiek uit mijn jeugd. Als ik met mijn opa aan het blok stond, hakte hij soms een mooi stukje biefstuk fijn met een uitje en peper en zout. Daar maakten we tussen duim en wijsvinger kleine balletjes van die we opaten. Het was mooi, drie generaties witte jasjes aan dat hakblok.

Ik was zelfs toen al een man van twaalf ambachten. Ik werkte bijvoorbeeld ook nog in een broodjeszaak. Met het geld dat ik daar verdiende, kocht ik een doos vanille-ijsjes. Die doos hees ik over het hek bij het Veluwestrand, mijn broertje hees ik er achteraan. Hij mocht de ijsjes uitventen, en als de doos leeg was, moest hij die vullen met achtergelaten colaflesjes - voor het statiegeld. Ik had ook een hokje waar mensen tegen betaling hun fiets konden stallen, ik werkte als schoenmaker, ik schilderde. Dat hoorde allemaal bij het leerpakket van die ouwe: we moesten voor onszelf kunnen zorgen. Want 'een vaste baan, is vaste armoede', leerde hij me. Ik heb nog tot mijn zestiende bij hem gewerkt, daarna vertrok ik naar Amsterdam, achter de meisjes aan."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden