Met begrijpen heeft dit niets te maken

’Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden van de wereld’, zegt de voorganger als hij kelk en hostie omhooghoudt. „Mij kun je wegdragen bij die tekst”, schrijft filosofe Karin Melis. „Dwars tegen mijn hardnekkige gevraag, bekritiseer en getwijfel in heeft de eucharistie zich in mijn zintuigen genesteld.”

Zelden zulke grote, ronde broden gezien. Buiten, achter het Grieks-orthodoxe kerkje liggen ze voor het grijpen. Maar ze zijn voor een hoger doel gebakken. Die opgetaste broden worden zo dadelijk ontvangen als het Hemelse Brood. De klok, niet minder dan een ouderwetse schoolbel, luidt. Terstond drogen de dorpsbewoners de handen aan hun schort en laten het werk voor wat het is. De heuvel op drommend naar het krijtwitte kerkje met een onooglijk klein kruisje op het dak.

Wij spreken hier over Kalamaki, een gehucht gelegen op het zuidelijkste puntje van het Griekse eiland Kreta. Een handjevol huizen en onafgebouwde appartementencomplexen, achteloos op de kust gestrooid.

In dat kerkje staan niet meer dan dertien stoelen. Het terras rondom beslaat een groter oppervlak dan heel dat godshuisje bij elkaar. De dienst van het Woord verloopt, laten we zeggen, levendig. Meerdere malen trekken de vrouwelijke lectoren zich met de voorganger terug op het terras om, zoals naderhand blijkt, uiteenlopende opvattingen omtrent de klemtoon te bespreken. De opgewonden stemmen zijn binnen te horen. Daar wacht het godsvolk geduldig af wanneer het meningsverschil beslecht is. Er zijn kinderen, in het zwart gestoken vrouwen, zowel jong als oud, en er zijn ook mannen. Iedereen is er. En iedereen zingt met de gelezen teksten mee.

Het Grieks-orthodoxe equivalent van de eucharistie speelt zich niet binnen, maar buiten op het terras af. Een formica tafeltje doet dienst als altaar. Erop staan twee lege colaflesjes, half gevuld met olie en rode wijn. Weer worden er veelvuldig kruisjes ter hoogte van de hartstreek geslagen. Met veel misbaar komt de morsige priester met de broden aandragen. Even tevoren had hij ze, onttrokken aan het menselijke oog, geheiligd. De droge en hete woestijnwind blaast vrolijk. Alhier wordt het lichaam en bloed van Christus tegenwoordig gesteld. Het is wat je noemt, en ik zeg het zonder spoor van ironie, een hoogmis.

De zondag is toch een beetje ontwricht als ik niet naar de mis ga. Zonder de wandelgang door de nog stille dorpsstraten van Noordwijkerhout, met in het kielzog van die stilte het aanzwellende klokkengebeier. Dat gebeier werkt me ook weleens op de zenuwen. Zo dwingend als het bij me naar binnen komt. Ja, ja, ik kom al, rustig maar. Ik ga voor het Woord, maar zeker ook voor het Brood. In het katholieke geloof draait het uiteindelijk daar om: het brood dat je tot je mag nemen.

Maar voor het zo ver is, zijn er liturgische bewegingen die ooit dagelijks, en tegenwoordig als het meezit wekelijks, herhaald worden. Het vaatwerk wordt door de misdienaars naar de voorganger gebracht. En hij gaat ermee aan de slag. Die bewegingen, de gemompelde woorden, het gevraag en geantwoord. Voorganger: „Verheft uw hart.” Wij: „We zijn met ons hart bij de Heer.” Dit alles slijt in je wezen, zoals het gedruppel uit een lekkende kraan op een steen. Met begrijpen heeft het niets te maken. Althans, ik begrijp er niet veel van.

„Dan belijden we het mysterie van ons geloof”, wordt er gezegd. En wij zingen: „Als we dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, belijden we de dood des Heren. Totdat Hij komt.” En ik heb geen idee van wat wij zingen. Sterker nog, ik heb grote moeite met het belijden van Zijn dood. Een gebrek aan genade, zegt men mij wel eens. Zoiets moet je toevallen aan gene zijde van je intellectuele vermogens. Want inderdaad, het denken kan het ondergaan van de liturgie behoorlijk in de weg zitten.

En toch. Dwars tegen mijn hardnekkige gevraag, bekritiseer en getwijfel in, heeft de eucharistie zich in mijn zintuigen genesteld. Het gebaar is er eerder dan de betekenis. Zodra ik op de trap over mijn lopen nadenk, mis ik een trede. Het is allemaal een variant op de zinsnede dat „er niets in de geest is wat al eerder in het lichaam was”. En daar, in dat lichaam van mij, huist dus ook de eucharistie.

De voorganger heft de kelk en daarboven houdt hij een groot uitgevallen hostie: „Zie het Lam Gods”, zegt hij, de hostie gevangen in zijn blik, „dat wegneemt de zonden van de wereld.” Mij kun je wegdragen bij die tekst, mijn intellectuele capaciteiten worden tot het uiterste getart. Zo niet bij de voorganger die in ongebroken concentratie die grote hostie in stukken breekt. Zoals Jezus ooit deed. En, eveneens in navolging van hem, spreidt de voorganger zijn armen: „Zalig zijn zij die genodigd zijn aan de Tafel des Heren.” Zwijgend, de ogen terneergeslagen als blijk van deemoedigheid, schuifelt iedereen naar voren. Niemand uitgezonderd.

En dus ook ik sla, als ik aan het einde van de rij kom, de ogen op. Open de handen uitgestrekt voor me als in een smeekbede. Voor een ongedeeld moment haakt mijn blik in die van de voorganger. Een soort kijken voorbij aan de mens. Iets of iemand die achter mij, maar ook die achter hem is. Hij zegt: „Het lichaam en bloed van Christus.” Ik zeg: „Amen!”, en doop de hostie in de wijn. En al weet ik al die tijd niet wat ik aan het doen ben of wat ik onderga, ik ervaar een weldaad. Het brood is gedeeld. De wijn gedronken. De ontmoeting heeft plaatsgevonden. Even ben ik verlost van mijn ontoereikende vermogen mijn eigen bestaan te dragen. Even weet ik dat zulks ook niet mogelijk is.

Van onverwachte zijde word ik te hulp geschoten. Onlangs troffen mij de woorden van de Duits-Joodse denker Martin Buber die spreekt over een echte verandering, als communicatie communie wordt „en zodoende de belichaming van het dialogische woord”. Daar waar geven en ontvangen de handen in elkaar slaan. Er bestaat geen geven zonder te ontvangen of omgekeerd. Zij kunnen werkelijk niet zonder elkaar.

Het is goed te gedenken dat de oorsprong van de eucharistie joods is. Zo ook de instellingswoorden: „Neemt en eet hier allen van want dit is Mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.” (De cursivering is van mij.) Die woorden stellen het drama van het laatste avondmaal van Jezus tegenwoordig. De joodse Jezus en zijn vrienden vierden Pesach, de herdenking van de nacht dat de Allerhoogste aan de bebloede deurposten in Egypte voorbijging, opdat deze huizen niet getroffen zouden worden door de hand die de eerstgeborenen ging slaan. Aan de kinderen van Israël ging Hij nadrukkelijk voorbij. In allerijl maakten de mensen achter deze deuren zich reisklaar voor de uittocht uit Egypte, het land van de angst.

Het is die uittocht die Jezus vierde op de dag van zijn dood.

Vraag ik mij af: is de eucharistie het antwoord van vergeving op de bevrijding die de Pesach viert? Of, laat ik het eens eigentijds existentieel verwoorden: ben ik nog steeds niet bevrijd dat ik op de vergeving ben aangewezen? Overigens, ik weet niet eens hoe zich dat laat gewaarworden. Nimmer heb ik de katholieken begrepen die na de schuldbelijdenis of biecht met grote stelligheid zeiden dat hun ziel zo wit als sneeuw was gewassen. Nog erger, geloof ik eigenlijk wel dat het het leven was dat aan de deurposten voorbijging? Of denk ik nog stilletjes dat het eigenlijk de dood was? Lijd ik wellicht aan een te laag zelfbeeld, denk ik dat het leven ten diepste niet aan mij besteed is? Of is het zuivere hoogmoed: ik bepaal zelf wel wanneer en hoe ik vergeven word? In zijn roman ’De overgave’ laat Arthur Japin zijn vrouwelijke hoofdpersonage dat tot het uiterste toe getergd is, zeggen: „Ik dacht altijd dat vergiffenis iets was wat je aan een ander gunde.” Dat denk ik ook.

Doe zoals Jezus deed. Het delen van het brood en het drinken van de wijn uit de beker. Ja, daar zijn de instellingswoorden voor die de katholiek gewijde priester in de plaats van deze joodse man uitspreekt. Het zijn evenwel ook woorden die niet toegeëigend kunnen worden. In de zin dat zij in regels vastgelegd, in beelden gestold, laat staan dat zij geïnstitutionaliseerd kunnen worden. Iedereen die aan een eettafel thuis zijn ogen opslaat en zegt: „Wil jij ook wat?”, die deelt zoals Jezus ooit deelde. Dat is geen toe-eigening, dat is simpelweg doen. Ooit bij mij thuis dreigde een borrel in avondeten uit te lopen. Het werd opgelost met de woorden: „Natuurlijk heb je voor iedereen genoeg eten. Zit.” De tafel leek te klein. Maar er was voor iedereen plaats en voor iedereen eten. Dát is eucharistie. Die dankzegging is er voor ons en niet omgekeerd.

Maar het kan, zo weet ik uit ervaring, ook anders. In de kerk St. Mary te Kingston heb ik ooit een voorganger met Ierse tongval aan het altaar bezig gezien. Van de heilige eerbied ten aanzien van culinaire vaardigheden, daar had dit heerschap geen kaas van gegeten. Ik had net zo goed een kroket uit de muur kunnen trekken. Het godvrezende kerkvolk ging met de gedachteloosheid van een verslagen leger ter communie. Er gebeurde, kortom, niets.

En dan, andersom. Een voorganger siste ooit, vlak voor de communie, tegen de gemeente: „Zing!” Erna vroeg ik hem naar de reden van deze urgente aansporing. Hij zei: „Als jullie niet meedoen, dan gebeurt er niets. Ik kan het niet alleen.”

Zo is het. Zonder aanwezigheid geen Nabijheid. Dat geldt net zozeer voor de gemeente als voor de voorganger.

En zo doemt er achter elkeen een ander op. Zo ook achter Jezus. Daags voor zijn kruisiging werd Jezus overvloedig gezalfd door een vrouw in het huis van Simon te Bethanië. Men sprak er schande van. Wat een verspilling! Was er niet voldoende armoede op aarde? Maar Jezus zei: „Zij heeft gedaan, hetgeen zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, ter voorbereiding ter begrafenis.” En Jezus voegde eraan toe: „Alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.”

Mij dunkt, hier hoeft geen woord aan toegevoegd.

Karin Melis is filosofe en publiciste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden