Met bakfietsen langs de deuren

“Niemand is ooit zo slim geweest om te tellen hoeveel kunstwerken de gemeenten bezaten na afloop van de Beeldende Kunstenaars Regeling”, zegt Nico Klous, beleidsmedewerker van de Federatie van kunstenaarsVerenigingen, “maar vermenigvuldig het aantal werken van het rijk met drie en je komt, schat ik, op het juiste aantal.” Dat zijn zo'n 640.000 kunstwerken. Ga op de hoek van de Kalverstraat staan en geef elke voorbijganger er één, en je hebt aan vijf weken niet genoeg. Sinds de opheffing van de BKR dwingen ruimtegebrek en geldtekort de meeste gemeenten dan ook op een zeker moment in te grijpen en de enorme hoeveelheden kunst op te ruimen. De VNG (Vereniging van Nederlandse gemeenten) verstrekte de gemeenten daarvoor een handleiding, goedgekeurd door de kunstenaarsverenigingen, maar daar trekken de gemeenten zich niets van aan. Een rondgang langs grotere en kleinere gemeenten.

Het krakende trappetje leidt naar een donkere zolderruimte. Langs de muren staan grote houten rekken waar kippegaas tussen gespannen is. Aan het gaas hangen oude meesters aan slagershaken. Op de grond blaast een zoemende airconditioner het juiste klimaat in het rond.

Christhilde Klein, adjunct-conservator van het Frans Halsmuseum in Haarlem, opent een zware deur. Als het tl-licht aanspringt, verschijnen tientallen schilderijen opeengepakt in verticale vakken. Klein streelt met haar wollen handschoen langs de grenenhouten en aluminium lijsten: “Kijk, hier staan de werken van BKR-kunstenaars gewoon tussen de werken van bekende kunstenaars als Henk van Woerden en Erik de Nie. We verzorgen ze even goed. Maar de kosten worden te hoog omdat de eisen steeds strenger worden. Zulke wollen handschoentjes hoefde je acht jaar geleden nog niet aan. Toen pakje je de schilderijen gewoon zo vast. Maar nu moet er foam achter de schilderijen, vloeipapier tussen de etsen en plastic om het textiel. En dan heb ik het nog niet eens over de klimatisering, de restauraties, de schoonmaak en het personeel. Dat kunnen we in de toekomst allemaal niet meer betalen. Dus moeten we nu selecteren. We moeten kijken welke BKR-werken we een museale status willen geven en welke we moeten afstoten.”

Haarlem is nu ruim een jaar bezig met het opruimen van de BKR-overschotten. Klein loopt samen met Hans Paalman, oud-directeur van het Stedelijk Museum Schiedam, de tienduizend werken na en bekijkt welke stukken een historisch beeld geven van de BKR en ze dus willen houden en welke niet.

Maar Haarlem staat niet alleen. Ook Amsterdam, geconfronteerd met tienduizenden kunstwerken doelloos opgeslagen in een depot op de Oostelijke Eilanden, riep in oktober voor de vijfde maal BKR-kunstenaars op hun werk op te halen. Den Haag, Rotterdam en Alkmaar gingen deze steden al voor. Andere steden, zoals Arnhem, moeten nog beginnen. Niet alleen het rijk, maar ook de gemeenten kampen met de nalatenschap van de BKR.

De Beeldende Kunstenaars Regeling is een verzamelnaam voor verschillende landelijke sociale regelingen, die er tussen 1949 en 1987 voor zorgden dat kunstenaars financiële steun konden krijgen in ruil voor een artistieke tegenprestatie. De kunst die de kunstenaars inleverden, werd verdeeld tussen het rijk en de gemeenten. De gemeenten zijn in de problemen gekomen, doordat zij vanaf 1974 drie keer meer kunst kregen dan het rijk. En juist in die periode telde de BKR verreweg de meeste kunstenaars.

Zolang de regeling bestond, mochten de gemeenten de werken echter niet afstoten of verkopen en alleen verhuren of in bruikleen geven als de maker daarmee instemde. Ook toen de regeling in 1987 officieel werd afgeschaft en een lege bv werd, bleven deze beperkingen bestaan. Pas in 1992, toen het plan van de Rijksdienst voor Beeldende Kunst om de BKR-collectie van het rijk af te stoten, werd goedgekeurd en de BKR-bv werd afgeschaft, waren de gemeenten vrij te doen wat ze wilden met de kunst afkomstig uit de BKR.

Voor de meeste gemeenten was dit het startsein om in te grijpen en de lokale kunstberg een kopje kleiner te maken. Maar andere hebben het nog even uitgesteld en zijn pas later aan de slag gegaan of moeten nu nog beginnen. De gemeenten zijn niet aan hun lot overgelaten, maar ontvingen kort na het opheffen van de regeling een brief van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. In de brief werd kort uitgelegd hoe de gemeenten de sanering het beste konden aanpakken. De VNG keek daarbij naar de richtlijnen die toegepast worden door het rijk en de goedkeuring hebben van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen. Deze richtlijnen zijn er vooral op gericht de concurrentiepositie van de kunstenaars niet te ondermijnen door de kunst op de markt te brengen, maar in plaats daarvan de werken in de kunstuitleen op te nemen.

De VNG raadde de gemeenten aan de sanering in vijf stappen uit te voeren. Allereerst adviseerde de vereniging de gemeenten na te gaan welke werken beschadigd zijn, welke een bijzondere culturele waarde hebben en welke van mindere kwaliteit zijn. Daarna, luidde het advies, konden zij ertoe over gaan werken te schenken aan gemeentelijke instellingen en nonprofitorganisaties. Als derde stap raadde de VNG de gemeenten aan onderling werken te ruilen om een betere collectie op te bouwen. Vervolgens konden zij werken verkopen aan abonnees van de kunstuitleen. En tot slot konden zij de werken verkopen aan wie ze maar wilden.

De meeste gemeenten vinden de raadgevingen van de VNG echter zo algemeen dat ze toch zelf een passende oplossing zoeken voor hun specifieke problemen. Hans Walgenbach, directeur van het Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam: “Het is een heel verschil of een gemeente over vijfduizend BKR-werken beschikt zoals Delft of over tachtigduizend zoals Amsterdam. En of werken hangen bij gemeentelijke instellingen of bij particulieren via de kunstuitleen. Daarom maakt een voorbeeld, zoals de brief van de VNG, het werk niet makkelijker.”

Het bijzondere aan de omstandigheden in Rotterdam is dat de BKR werd uitgevoerd door Kunstzaken en niet door de Sociale Dienst, zoals in de meeste gemeenten. Daardoor werd de link tussen de BKR en de kunstuitleen snel gelegd en sluisde de gemeente de BKR-werken al tijdens de regeling door naar de kunstuitleen. Toen de gemeente begon met saneren, besloot zij ook geen werken aan instellingen te schenken, zoals de VNG adviseerde, maar hield zij veel werken in de kunstuitleen.

Volgens de adjunct-directeur van Stroom, het Haags centrum voor beeldende kunst, Anja van der Zijde, is een van de tekortkomingen van de VNG-brief dat er weinig in staat over de vernietiging van kunstwerken en hoe je dat aanpakt. Ze vertelt dat Stroom, dat de sanering voor de Haagse gemeente uitvoerde, 16.753 werken aan de makers heeft teruggegeven en de meest uiteenlopende instanties - van de stadscollectie tot artotheken uit andere plaatsen - werken heeft laten uitzoeken. Maar dat heeft niet kunnen voorkomen dat er zo'n drieënhalf duizend BKR-werken naar de afvakverwerking moesten, omdat ze te beschadigd waren of omdat niemand ze wilde hebben. “En juist op dat punt was een gedetailleerde uitleg wenselijk geweest”, vindt Van der Zijde, “want vernietiging van kunstwerken ligt heel gevoelig.”

Den Haag heeft uiteindelijk de werken kunnen vernietigen door een paragraaf toe te voegen aan het Delegatiebesluit 1972, een besluit dat onder andere de Haagse gemeenteraad de bevoegdheid geeft werken onder beheer van de Dienst voor Schone Kunsten te verkopen en te ruilen. Door de nieuwe paragraaf mag de raad ook werken uit de BKR schenken, verkopen èn vernietigen.

Amsterdam zegt wel gebruik gemaakt te hebben van de adviezen van de VNG, maar de BKR-overschotten in de stad zijn zo groot, dat de gemeente toch een eigen aanpak moet verzinnen. Daar zijn al heel wat rumoerige raadsvergaderingen overheen gegaan. Tijdens een zo'n vergadering stelde een VVD-raadslid in een vlaag van woede zelfs voor de hele handel maar in het IJ te dumpen. Dat vond de rest van de raad geen alternatief, maar wat er dan moet gebeuren met de kunstberg staat nog niet vast.

Ondanks alle onduidelijkheid en de uiteenlopende werkwijzen van de gemeenten, vindt Nico Klous toch dat de sanering over het algemeen goed verloopt, zeker in de grote steden. “Maar”, voegt hij toe, “in de kleinere steden gaat het soms wat rommeliger. Er bestaan de wildste verhalen dat in Groningen of Friesland in een kleine gemeente BKR-kunst op bakfietsen werd geladen en dat men ermee langs de deuren ging om het te verkopen. Maar dat is natuurlijk snel gestopt, omdat dat echt niet kon.”

Ook de gemeente Doesburg sloeg de adviezen van de VNG in de wind en besloot in maart van dit jaar driehonderd BKR-werken te veilen. Door van der Borst, bestuurlijk-juridisch medewerker van de gemeente en actief betrokken bij de veiling, gelooft niet in het argument van concurrentievervalsing, dat de VNG aanvoert: “Het werk is gedateerd. Bovendien zijn er van de makers nog maar heel weinig die leven van de kunst. De meesten zijn omgeschoold, omdat ze weinig verdienden. Daarnaast leverden kunstenaars niet altijd hun beste werk in. Ze wilden de subsidie toch ontvangen en dus werd er gewoon wat op papier gezet. Ik zeg het wel wat gecharcheerd, maar om nu te gaan roepen: “Je vervuilt de markt!”

Er is dus volgens Van der Borst niets op een veiling tegen. Ze vindt het de “meest democratische weg” om de BKR-overschotten op te ruimen. “Een veiling geeft iedereen de kans om kunst te kopen. En dat was nou net de bedoeling van de BKR: het slechten van de muur tussen kunst en publiek.” Bovendien stroomt het geld ook weer terug in de kunst, vertelt ze, want “we hebben de gelden die de veiling heeft opgeleverd in een fonds voor het gemeentgelijk kunstbeleid ondergebracht en daar zijn al twee opdrachten aan kunstenaars uit betaald.”

Ook de gemeente Brielle neemt de adviezen van de VNG weinig serieus. De gemeente vindt, net als Doesburg, de vrije verkoop van BKR-overschotten juist een interessante optie. Alleen is ze nog niet vastbesloten of het een veiling wordt of een kunstmarkt. Met name de kunstmarkt is niet populair bij de kunstenaars. Ze vinden het niet leuk als er oud werk van hen opgesteld staat, omdat het niet representatief is voor wat ze doen. Verder vinden ze een kunstmarkt absoluut niet geschikt voor hun kunst. Schilderes Ied Lievaart: “Als je iets wilt verkopen op een kunstmarkt, moet je werk veel kleur hebben en niet meer dan 29 gulden kosten, anders koopt geen hond het.” De gemeente heeft echter aangekondigd dat ze de BKR-werken eerst te koop zal aanbieden aan de kunstenaars die ze gemaakt hebben. Kopen die ze niet, dan hebben ze pech, want dan is de gemeente vrij ermee te doen wat ze wil.

In het Frans Halsmuseum draait Christhilde Klein de zware deur op slot. Ze stroopt haar wollen handschoenen af en zucht. Ze wordt altijd een beetje kriegelig als het over de sanering van BKR-kunstwerken gaat, vertelt ze, omdat het vaak lijkt alsof werken alleen worden afgestoten omdat ze niets waard zijn. “Maar”, benadrukt ze, “soms moet een werk terug naar de kunstenaar omdat er geen bestemming voor is. Bijvoorbeeld omdat het teveel onderhoud vereist of het door de afmetingen onhandelbaar is. En soms omdat je al genoeg werken van een bepaalde kunstenaar hebt. Als je op een tentoonstelling bent, koop je ten slotte ook niet tien kunstwerken van dezelfde kunstenaar. Je koopt er maar een paar. Omdat die representatief zijn voor zijn werk en niet omdat zijn andere werken niet goed zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden