Mestoverschot / Stinkende weilanden en volle stallen

Het heeft wat rampen gekost om de mens duidelijk te maken dat hij een verwoestende invloed heeft op zijn omgeving. Milieu is van actiepunt beleidsterrein geworden. In een serie artikelen blikt Hans Schmit terug op de vermaarde milieuproblemen waarmee die ontwikkeling begon. Vandaag: het mestoverschot.

door Hans Schmit

De stichtingsakte was nog maar net ondertekend toen de milieuorganiasatie Natuur en Milieu in 1972 haar eerste rapport publiceerde. 'Bio-industrie' heette het en het droeg de ondertitel 'Augiusstal in milieu en landschap'. Het was het begin van het debat over het mestoverschot.

Beeldend beschreven de twee auteurs hoe de Griekse held Heracles ooit de stallen reinigde van koning Augius, door er twee rivieren door te leiden en de bergen mest met een geweldige vaart weg te laten spoelen. Maar zo'n schoonmaakbeurt bood in de Nederlandse stallen geen uitkomst meer, concludeerden ze. Want de bio-industrie (een woord waarop destijds zeker in landbouwkringen een zwaar taboe rustte) was op verschillende plaatsen al zo uit de hand gelopen dat een drastische sanering noodzakelijk was. De mestoverschotten leidden op de Veluwe, in de Achterhoek en het oosten van Noord-Brabant tot ernstige milieuverontreiniging.

In het rapport concludeerde Natuur en Milieu dat het dumpen en lozen van mest en gier met kracht moest worden bestreden door de overheid. Boeren loosden hun overtollige mest op landbouwgronden en in het oppervlaktewater. Het rapport stelde vast dat in de bio-industrie de levenswijze en het welzijn van dieren volledig ondergeschikt waren gemaakt aan het economisch optimaal produceren. Alleen al uit ethische overwegingen was dat ontoelaatbaar.

Siebe Algra, de voornaamste auteur, herinnert zich het rapport ruim dertig jaar later nog goed. Algra was niet zomaar een milieu-activist. Hij was een boerenzoon met een landbouwkundige opleiding, afkomstig van een Wagenings instituut voor biologisch en scheikundig onderzoek van landbouw gewassen. Algra: ,,Dat nam ik mee naar mijn nieuwe werk. Ik wist wat er speelde. Ik had in april 1970 al een artikel gepubliceerd in het Landbouwkundig Tijdschrift over de negatieve invloed van de landbouw op het natuurlijk milieu. Wat ik zag, was dat de intensieve landbouw vooral werd toegepast in gebieden met veel natuur. Juist dáár had je ook de ruilverkaveling, het gebruik van kunstmest. Het had grote gevolgen voor het milieu. Het aantal planten- en dierensoorten liep terug, bijvoorbeeld.''

De activisten van Natuur en Milieu wilden met de publicatie van hun rapport in 1972 duidelijk maken dat er in de landbouw iets gebeurde dat ver af stond van de 'grondgebonden landbouw' zoals Nederland die tot die tijd had gekend. Vroeger was er een koppeling geweest tussen de productie van voer en het aantal dieren op een boerderij. Maar die koppeling verdween; met enorme consequenties voor natuur en landschap.

De natuur verarmde door 'vermesting' en het landschap werd aangetast door de grote bedrijfsgebouwen. Het mestoverschot leidde niet alleen tot stank, maar ook tot vervuiling van bodem en water met nitraat en fosfaat. ,,Het landelijk gebied werd de afvalbak van industriële dierproductie.''

Het was logisch dat de bio-industrie juist in de kleinschalige landbouwgebieden ontstond, zegt Siebe Algra: ,,Kleine boeren hadden te weinig grond om voor hun gezin een inkomen te verdienen. Daar moest een oplossing voor worden gevonden. De bio-industrie ontstond niet in het Friesland van de grote veeboeren of het Groningen van de akkerbouwers.''

Maar de opkomst van de bio-industrie had meer oorzaken. Export van landbouwproducten werd opeens veel aantrekkelijker: ,,De binnengrenzen van het Europa van de toenmalige zes lidstaten gingen open, onder meer voor vlees. Maar Denemarken, de varkensleverancier van Duitsland, zat daar niet bij. Met Rotterdam hadden we de aanvoerhaven voor veevoer: tapioca uit de tropen en sojaschroot uit de Verenigde Staten. En de Nederlandse landbouw was perfect georganiseerd: geld, kennis, beleid, scholing, afzet: alles paste naadloos in elkaar.''

De gehele sector (,,Van minister tot dominee en pastoor in de boerendorpen'') reageerde stekelig op het rapport van Natuur en Milieu. Algra: ,,De landbouw volgde een bekend mechanisme: ontkennen, vooruitschuiven, uitstellen. Als je het probleem niet langer kunt ontkennen, kondig je onderzoek aan, stel je commissies in, doe je een beroep op de sector. Het enige dat werd gedaan, was het transporten van mest via 'mestbanken'. Andere voorgestelde, simpele oplossingen werkten niet. Er was een voorstel om mest te verbranden, maar mest bestaat voor negentig procent uit water.''

Dát er teveel mest was, ontkende niemand. Het ministerie van landbouw overwoog zelfs de mest in de Noordzee te storten. ,,Het ministerie kreeg daarbij de steun van de visserij, omdat dat goed voor de visstand zou zijn. De eerste die erkende dat er iets moest worden gedaan en ook iets deed, was minister Braks. Hij kondigde in 1983 een bouwstop voor varkensstallen af.''

In de jaren tachtig werd een begin gemaakt met het opstellen van speciale mestwetgeving. Siebe Algra noemt die regelgeving achteraf 'het toppunt van het poldermodel'. ,,De wet hangt van compromissen aan elkaar. Voor er iets vastlag, was er eindeloos overleg met de landbouwsector. Misschien wel bewust, is de mestwetgeving zo complex geworden dat je stikt in de bureaucratie. Handhaving is nauwelijks mogelijk.'' Een voorbeeld van het politieke getouwtrek rond de mestwetgeving was de discussie of de nieuwe wet al dan niet hoorde te vallen onder de Wet bodembescherming. Dat gebeurde niet. Want dan was de minister van milieubeheer verantwoordelijk geworden voor het oplossen van het mestprobleem en niet de sector zelf.

De discussie richtte zich vanaf het begin op twee aspecten: de milieuvervuiling en het dierenwelzijn. Over de kans dat er in die enorme, volle stallen epidemieën zouden kunnen uitbreken, werd niet veel gepraat. Algra, die na zijn werk bij Natuur en Milieu als inspecteur bij Natuurmonumenten ging werken, zegt dat de sector dertig jaar lang geluk heeft gehad. ,,Het is lang goed gegaan. Tot in 1997 de varkenspest uitbrak, gevolgd door de mkz-crisis en dit jaar de vogelpest. Nu krimpt de veestapel en daarmee ook de problematiek. Het aantal runderen daalt door de invoering van de melkquota. De varkenshouderij is na de varkenspest ingekrompen. De Nederlandse landbouw zal nog verder krimpen, onder meer door de opkomst van andere productiegebieden zoals Spanje en de uitbreiding van de Europese Unie. Hierbij wreekt zich dat de varkenshouderij uitsluitend op bulk gericht is.''

Met de krimp is de problematiek van de mestoverschotten echter nog niet opgelost. Algra: ,,We zitten nog met een forse erfenis. Het fosfaat en nitraat in de verzadigde bodems zullen nog tientallen jaren doorslaan naar het water. De drinkwaterbedrijven zullen daarom hun grondstof moeten blijven zuiveren; de remweg is lang. Met fosfaat en nitraat verzadigde gronden rond natuurgebieden moeten worden afgegraven en afgevoerd.''

,,Daarnaast zullen we, om aan de Europese normen te kunnen voldoen, nog verder moeten 'extensiveren'. Het mestbeleid is strijdig met de Europese nitraatrichtlijn; Nederland voldoet niet aan een reeks van verplichtingen uit die richtlijn. Het Europese Hof van Justitie in Luxemburg heeft zich daar al over gebogen en zal Nederland waarschijnlijk veroordelen. Ook is Nederland verplicht in 2010 de helft van de natuurgebieden tegen vermesting en verzuring te beschermen. Nederland is waarschijnlijk de enige lidstaat die dat niet haalt. Niet meer dan tien procent van de natuur in Nederland gevrijwaard van een te veel aan verzurende en vermestende stoffen. De rest blijft in kwaliteit achteruit gaan.''

Eerdere afleveringen in deze serie verschenen op 22, 28 en 31 juli en op 5, 6 en 13 augustus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden