Mestgebrek op Texel is een zegen voor de Texelse natuur

Bij eenendertig graden is het goed fietsen. Het is het enige dat echt prettig is. Op in het water liggen na misschien. Er is geen wolkje aan de hemel, alleen een grijzig waas in de verte. Heiigheid of smog? Aan het laatste denk je niet in het open land van Texel, dat zich groen voor je uitstrekt.

Het is niet dat biljartlakengroen van zoveel agrarische gebieden. Er zijn nuances in. Aan de kleur kun je zien welke weiden te veel mest krijgen, omdat er maar een of twee soorten gras kunnen gedijen en nauwelijks andere weideplanten. Wat elders in ons land te veel is, is hier te weinig. Er moet hier mest heen gebracht worden, vertelde een boer me gisteren in het café.

Dat mestgebrek is een zegen voor de Texelse natuur. Er bloeien nog pinksterbloemen in de weiden. Elders zie je dat alleen nog in gazons in openbaar groen. In het agrarisch landschap zijn ze verbannen naar de slootkanten. De wegbermen vlammen geel van boterbloemen. En ook menige weide is een gele vlakte.

Die boterbloemen zijn op Texel een nadere beschouwing waard. In de wei bloeien meestentijds de overal in ons land voorkomende scherpe boterbloemen, maar in de wegbermen overheersen de knolboterbloemen. Die zijn net zo glanzend goudgeel, maar blijven wat lager en zijn groter. Als je zeker wilt weten of je met de scherpe of met de knolboterbloem van doen hebt, hoef je alleen naar de kelkblaadjes onder de gele kroon te kijken. Zijn die teruggeslagen naar de bloemsteel, dan is het de knolboterbloem. Bij de scherpe boterbloem sluiten ze als het ware ondersteunend aan op de kroon.

PLUIZEBOLLEN

Het is nu vrijwel alles boterbloem, wat geel ziet. Een maand geleden waren het paardebloemen. Die zijn nu uitgebloeid en veranderd in grijze pluizebollen, die wondermooi zijn in het tegenlicht. Hele weiden staan vol paardebloemzaad en dichtbij zie je de pluizebollen tussen de boterbloemen in de bermen.

Wilde hyacintjes kleuren meters berm hemelsblauw bij een boerderij aan de weg naar Driehuizen. Wat verderop stralen de zuiver witte sterren van de gewone vogelmelk tussen de boterbloemen in het gras. De vogelmelk heet hier 'luilakke', omdat de bloemen pas in de loop van de morgen opengaan. Het is een wettelijk beschermde plant, die niet geplukt of uitgegraven mag worden. Dat geldt dan voor wilde exemplaren, maar hier is waarschijnlijker dat de vogelmelk net als de hyacintjes een herinnering is aan vroegere bollenkweek. Misschien zijn ooit bolletjes tijdens transport van de wagen gevallen en in de berm terechtgekomen.

De Texelse stolpboerderijen lijken op die in de kop van Noord-Holland: vierkant, woonhuis, stal en hooizolder tegelijk, het geheel gedekt met een dak als een piramide. De boerderijen zijn wat kleiner dan die 'aan de overkant', zoals ze op het eiland zeggen, meestal met een karakteristiek voorhuis. Als we het dan over karakteristiek hebben, dan zijn dat de tuunwallen en de schapenboeten wel. Die vind je nergens zo. Thijsse schreef in 1927 over de wallen in zijn Verkade-album Texel: “De weg ging nu eerst langs lage hooilanden, toen tussen hoger grond waar schapen, dicht in hun vacht, knabbelden aan het korte gras of lagen te herkauwen in de luwte van een walletje. Hier in het hoge land zijn geen sloten, maar de weiden worden begrensd door walletjes van een meter hoog tot manshoog, al naar de gesteldheid van de grond. Die 'tuunwoaltjes' worden opgebouwd van dikke graszoden. Een nieuwe wal kan er keurig uitzien, maar na een paar jaar gaat hij aardig verzakken en vallen er hier of daar gaten in tot groot genoegen van de tapuiten, die er hun nesten in maken. Soms is de wal nog versterkt met een prikkeldraad op korte paaltjes. Ik herinner me nu nog goed, dat de eerste tuunwoaltjes die ik ontmoette dicht begroeid waren met grote rozetten van reigersbek en propperige pollen van Engels gras.”

Het treft steeds weer hoe actueel Thijsse's teksten nog aansluiten op het heden. Het open land van Texel is nog redelijk onbedorven. Elementen erin zijn soms nieuw. De tuunwallen vergen nogal wat onderhoud. Prikkeldraad is simpeler en daarom werden ze gaandeweg door die ongezellige heiningen vervangen. Nu wordt ook prikkeldraad toegepast om de plaggenmuurtjes te beschermen, die op grote schaal worden gerestaureerd. Er zijn al weer veel meer tuunwallen dan vorig jaar, zie ik. Ze zijn alleen nog te nieuw om al een bijzondere begroeiing te dragen. De wallen die ik me nog van vroeger herinner, hadden blauwe kuiven van grasklokjes of zagen wit van de akkerhoornbloemen. Een aantal oude tuunwallen vind je nog in het landschapsreservaat De Hoge Berg. Daar groeit inderdaad het roze Engels gras op.

Links is in de verte de hoofdplaats Den Burg met zijn twee kerktorens te zien. Vogels zijn overal. Op de weg dribbelen witte kwikstaarten, die af en toe in een korte zigzagvlucht vliegen achtervolgen. Uit de weilanden vliegt van tijd tot tijd een 'iest-iest' roepende graspieper op. Hoog boven de velden hangen veldleeuweriken als aan onzichtbare draden in de hemel, terwijl ze een waterval van tierelierende toontjes naar de aarde laten neerdalen. Hun lied mengt zich met het hilarische tepieten van de scholeksters. In elke wei is minstens een paar kieviten. Helaas veel minder grutto's, die hier marels heten. Uit struikgewas bij boerderijen klinkt het klepperliedje van de braamsluiper: 'tjuultjuultjuultjuultjuultjuul...'

Den Burg is voornamelijk warm en druk. Enkele decennia geleden is het centrum verbouwd tot een modern winkelcentrum. Ik vind het nog steeds jammer, maar ben toch blij dat de structuur van de vroegere vesting op de plattegrond nog te zien valt.

Boven het centrum krijsen de gierzwaluwen, die met maaiende sikkelvleugels elkaar in tomeloze vaart achtervolgen. Groene kikkers kwaken aan de rand van Den Burg. Jochies zijn in de vijver in de weer met schepnetjes. Een roept dat hij kikkerdril wil hebben, maar daar is het nu te laat voor.

Tussen De Waal en de buurtschap Spang zingt bij veel boerderijen een spotvogel in de bomen. Het fluitekruid in de wegberm is al over de hoofdbloei heen. Aan de weg bloeien de meidoorns nog volop. Daar kun je wel aan merken dat je in Noord-Nederland bent. Het wemelt op de witte bloesems van zweefvliegen en honingbijen. Er zijn ook bruine graafbijtjes bezig en een enkele aardhommel.

We gaan dezelfde weg terug naar Den Hoorn. Het geratel van rugstreeppadden klinkt op uit de sloten, nu het wat begint af te koelen. Ver weg roepen wulpen.

Natuur deze week

De rietorchis staat in bloei met een purperen aar van echte orchideeënbloemen. Deze wilde orchidee is minder zeldzaam dan de meeste van zijn familieleden. De rietorchis, meestal met donkere ringvlekken op de bladeren, is te vinden in schraal rietland en weinig bemeste, vrij vochtige bermen, onder meer van de uitvalswegen uit Amsterdam. - De waterviolier bloeit nu in sloten in kwelgebieden, op de grens van hoge gronden en veen bijvoorbeeld, waar grondwater naar toe stroomt. De bloemen lijken wat op pinksterbloemen. Ze staan op stevige stengels, die in wankel evenwicht rechtop worden gehouden door fijn geveerde bladeren onder water. - Net als vorig jaar wordt het een uitstekend vlinderjaar. Uit Noord-Afrika zijn al heel wat distelvlinders gearriveerd, wat zeker niet elk jaar gebeurt. Op Texel zag ik een stuk of tien tegelijk zonnend op een houten hek, vanwaar ze wild dwarrelende baltsvluchten rechtstandig omhoog maakten. - Een andere trekker uit het zuiden, die net in grote aantallen is gearriveerd, is het gamma-uiltje of pistooltje, een nachtvlinder die in de felle zonneschijn op allerlei bloemen vliegt, nu vooral op klaver, dagkoekoeksbloem, brunel en slangekruid. - Een andere nachtvlinder die je overdag ziet, is de sintjacobsvlinder. Die vliegt wat onbeholpen. Omdat hij niet schuw is, kun je hem van dichtbij bekijken. Hij is zwart met rood en komt voornamelijk in de duinen voor. - De hagedoornvlinder vliegt in de schemering en komt vaak op kunstlicht af. De rustende vlinder is tegen de kamerwand een citroengeel driehoekje met een paar donkerbruine vlekjes, als hij door open ramen of tuindeuren naar binnen is gevlogen. - De geel met zwarte, stekelige rupsen van de kleine vos zijn bijna volgroeid. Ze zijn te vinden op brandnetels, vaak verscheidene dicht bij elkaar. - Ook op brandnetels leven de glinsterend groene brandnetelsnuittorren, die door een loep bezien prachtig beschubd blijken te zijn. Nog sterker glanzen de verwante knoppensnuittorren, die gaten vreten in de bladeren van veel verschillende struiken en kruiden. Bij ons in de tuin zijn ze vooral te vinden op hazelaar en moerasspirea. - Ook de berkenbladroller is een snuittor, niet groen, maar roetzwart en veel kleiner. Het vrouwtje rolt de bladeren van berken en ook wel van hazelaars en haagbeuken in elkaar en legt daarin haar eitjes. De opgerolde bladeren verwelken snel en verkleuren tot tabaksbruin. Het lijkt dan of er sigarenpeukjes in de boom hangen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden