Menselijk / Kinderen uit niemandsland

De mens is geen slaaf van zijn genen, maar evenmin de regisseur van zijn eigen gedrag. Het is een spel van twee factoren: zonder omgeving komt de erfelijke code niet tot leven. Om dat spel te doorgronden reist Martin van der Laan in een serie artikelen de wereld af, op zoek naar overeenkomsten en verschillen in de menselijke aard. Deel 1: zelfloos.

Zie de hand van de opvoeder, ergens in een bevroren wereld hoog in Canada: ,,En als je vader nou niet terugkomt, straks van het ijs, bij wie wil jij dan gaan wonen? Bij je mama? Nee, die heeft geen tijd meer voor je, die moet voor je pasgeboren broer zorgen. Zou je dan niet beter zelf ook dood kunnen gaan? Dat wil je niet, nou dan heb ik hier een mes, waarmee je je broertje misschien zijn keel zou kunnen ... Je houdt te veel van hem? Nou, wat dan?''

Hier wordt een kinderziel gekneed, zij het dat het slechts gespeeld drama is. Antropologe Jean Briggs beschrijft in 'Inuit Morality Play' hoe eskimokinderen vanaf hun derde jaar oefenen in kleine en grote dilemma's rond liefde, zorg, boosheid en verdriet.

In dit moraalspel, een 'Achterkant van het gelijk' waarin vader en moeder bij elk kinderantwoord weer een 'Ja, maar' laten horen, ontdekt de jonge Inuit welke onmogelijke antwoorden het leven van hem zal vragen. Het zijn vriendelijke kruisverhoren, maar soms ook ijzig als het weer rond Baffin Island.

Hier bloeide een hogeschool van opvoedkunde, van lessen in rechtvaardigheid, waarbij kinderen zelf de koers op hun morele ontdekkingsreis uitzetten. Maar zie nu de hand van de natuur in het gedrag van de volwassen Inuit, en het verheven beeld raakt ernstig beschadigd. Antropologen ontdekten in de 19de eeuw een bizarre geslachtsverhouding onder jonge Inuit: rond hun twaalfde waren er ongeveer 170 jongens op 100 meisjes, terwijl de balans bij de geboorte nog in evenwicht was. En tegen de huwbare leeftijd liepen mannen en vrouwen in aantal ook weer met elkaar in de pas.

De verklaring komt uit een biologieboekje: de jacht op het ijs vergde haar tol onder jonge mannen, zodat talloze vrouwen later zonder een zorgende partner zouden zitten. Tenzij de Inuit zich vooraf al, preventief, van deze 'nutteloze dochters' konden ontdoen. Werden hier jonge meisjes vermoord?

Infanticide, het doden van kinderen, kon men er niet direct waarnemen, maar één gedragscode uit die tijd was tekenend: kinderen werden pas als mens beschouwd als de naam die zij van hun vader en moeder kregen ook door de overige stamleden werd gebezigd. Zag de gemeenschap er geen heil in de zoveelste dochter bij naam te noemen, dan mocht zij als niet-mens op het ijs worden achtergelaten. Het klinkt afschuwelijk: hoe hoger in het noorden zij leefden, hoe barder de omstandigheden en hoe schever de verhouding tussen jongens en meisjes was.

Hier moet de opvoeder buigen voor de wetten van de natuur. Maar dat moet hij alle dagen, houden evolutiepsychologen vol. Zij bevolken in het versleten nature-nurture debat het nature-kamp en spiegelen ons de ingebakken mechanismen voor waar onze gedragingen aan gehoorzamen. Hoe complex ons gedrag zich ook voltrekt van opstaan tot slapengaan, het repertoire wordt immer aangestuurd door verborgen motieven van onze natuurlijke aard.

Dat blijkt eens temeer als de mens het waagt die aard te verloochenen. Geef de evolutiepsycholoog Steven Pinker het woord over het experiment in de jaren zeventig, toen de samenleving zou gaan afrekenen met wantrouwen, jaloezie en hebzucht, met materialisme, met bezorgdheid, schuldgevoelens en agressiviteit: het nieuwe bewustzijn kwam op als een bloem door het asfalt, sneert Pinker.

Communes, drugs, maanstaren, vredesgroeten, hij gruwde ervan in zijn boek 'How the Mind Works', en vond het dieptepunt in de overweging uit die dagen dat 'broeken met wijd uitlopende pijpen de enkels een bijzondere vrijheid schenken en als het ware uitnodigen om op straat te gaan dansen'.

De preek die Pinker in zijn nieuwe boek 'The Blank Slate' houdt -de mens is geen onbeschreven blad, maar hij ontkent het- komt voor een groot deel op hetzelfde neer. Hij krijgt bijval van David Buss (universiteit van Texas), die in het Journal of Personality (69: nr. 6) de draak steekt met de utopie van een lieve wereld, zonder haat en nijd, zonder bezit en gierigheid. Zij die de mond vol hadden over de 'broederschap van mensen' zagen 90 procent van hun open huwelijken op de klippen lopen, waren intens jaloers als ze hun partner moesten uitlenen en voelden zich beschaamd als ze zelf met het liefje van een ander werden betrapt. En zij die eerlijk delen predikten, zijn de grootste graaiers van de jaren negentig geworden.

Als er iets niet wilde bloeien, dan was het de flower power in de mens, die aard bezit hij niet en zal hij zich nimmer eigenmaken. En wat in ons westerlingen niet wil aarden, doet het dat ook niet in die vermeende paradijzen in de Stille Zuidzee. Buss memoreert hoe utopische verhalen van antropologen als Margaret Mead, over eilanden van vrije liefde en tolerantie, ongenadig werden ontmaskerd door collega's die er eens goed gingen kijken. Hebberigheid, afgunst en mannelijke wreedheid, dat was wat zij tegenkwamen. Hier, daar, en waar ook.

De misvatting van sociale wetenschappers dat menselijk gedrag aangeleerd gedrag is en dat onze geest van nature een vormloze, kneedbare substantie is, mocht de jaren zeventig beheersen. Maar toen werd duidelijk dat het wemelde van de problemen in Margaret Meads paradijs. Verslagen over jaloezie, zedeloosheid, verkrachtingen en geweld vertelden de waarheid over het liefderijke Samoa, waar westerlingen volgens Mead een voorbeeld aan dienden te nemen.

Het beeld van een universele homo naturalis won terrein: een mens die overal hetzelfde gezicht trekt als hij lacht of huilt, bemint én bedriegt, slaat en streelt, een mens ook die tot in de verste uithoeken dezelfde angst kent voor hoogte, spinnen en slangen. We hebben het over zinvol gedrag, meent David Buss, door de mensheid opgespaard uit een grijs verleden. De opvoeder die denkt van een schone lei te kunnen uitgaan, stuit op de rijke evolutionaire bagage in onze gedragsbuidel.

Die opvoeder mag slechts hopen marginaal wat aan de mens te kunnen kneden. Onze natuur regeert, over gedrag én over cultuur. Wie naar overtuigende verschillen wijst om de invloed van opvoeding te benadrukken, laat zich volgens Buss beetnemen door de mythe dat cultuur een oorzakelijke verklaring van gedrag kan bieden.

Laat hij een voorbeeld geven van zo'n quasi-cultureel verschil: Bulgaren en Estlanders vinden het uiterlijk van hun partner belangrijker dan Finnen en Franse Canadezen. Waarom? Zoek het antwoord niet in een cultureel bepaalde schoonheidsmythe, maar in het feit dat in sommige regio's tamelijk veel ziektekiemen voorkomen. In die 'ongezonde' gebieden duidt een gaaf uiterlijk op een nog gezond lijf. Natuurlijke selectie zorgde er uiteindelijk voor dat mannen en vrouwen die daar op schoonheid vielen, in reproductief opzicht aan het langste eind trokken.

Ach, foetert Buss door, de mensen wijzen altijd op die paar onnozele verschillen tussen culturen en denken dan dat de mens zichzelf creëert. Onze natuurlijke aard is zo vanzelfsprekend, zo wereldwijd gelijkvormig, dat we er totaal blind voor zijn geworden. Nee, waar komen de antropologen mee thuis? Met die ene ontdekking dat ze ergens op een eiland in de Stille Zuidzee grootmoeders seksueel aantrekkelijker vinden dan jonge meiden.

Is het nature-kamp uitgeraasd? Het nurture-kamp lacht om de suggestie dat onze aangeboren aard de route voor ons uitzet. En dat ouders, buren of toevallige voorbijgangers die bestemming nauwelijks kunnen bijsturen omdat onze aard niet meegeeft. Maar is de sturende hand werkelijk zo ondergeschikt?

Allerminst, weten ze in het nurture-kamp, want zonder omgeving komt die aard nooit tot leven. Daarvan getuigen de paar wildemensen, Linnaeus' homo ferus, die op een goede dag uit het bos tevoorschijnkwamen, na een verblijf tussen de wolven of apen. Lees 'Savage Girls and Savage Boys' van Michael Newton en je beseft dat het hier kinderen uit een niemandsland betrof. Hoe vriendelijk, stimulerend of streng zij na hun 'thuiskomst' ook werden bejegend, mens konden zij nimmer meer worden: hun natuurlijke aard kreeg te laat de gelegenheid een menselijke leefwereld binnen te trekken.

Zulke wezens huizen in een lichaam zonder ziel, werd gezegd, en slechts een enkeling slaagt erin zich enigszins aan de mensenloze stilte te ontworstelen. Het zou Kamala niet lukken, een meisje van rond acht jaar dat met haar jongere zusje Amala in september 1920 uit een reusachtige mierenheuvel bij Midnapore, 80 kilometer van Calcutta, werd bevrijd. Bevrijd van een zorgende wolvenmoeder die werd doodgeschoten.

De verwilderde meisjes lieten hun tanden zien aan hun redders, aten, dronken en liepen als honden en sliepen als puppy's tegen elkaar aan. Zeggen de verhalen. Maar belangrijker: er leek geen humor, geen verdriet of vreugde in de meisjes te leven. Tot de jonge Amala een jaar later aan dysenterie overleed en Kamala zes dagen lang bewegingsloos in een hoek van de kamer bleef zitten. Daarna begon ze aan Amala's spulletjes te ruiken en snuffelen, alsof ze iets zocht. En niet vond.

De geestelijke die haar verzorgde vreesde dat ze van eenzaamheid zou sterven. Maar het meisje kwam overeind en een beetje bij de mensen. Later zou ze het prettig gaan vinden als ze werd gestreeld of gekust. En ze werd bang in het donker. Ten slotte leerde ze een enkel woord begrijpen, maar de stilte om Kamala heen bleef. Tien jaar na haar bevrijding uit de mierenheuvel overleed ze.

Staat dit kansloze meisje van rond de achttien, met het gedrag van een tweejarige, nu model voor hoe wij van nature zijn, de nobele wilde uit de bespiegelingen van de filosoof Jean-Jacques Rousseau? Nee, zo in de steek gelaten, in je naakte natuurlijkheid, komt er van muis noch mens, kip noch kraai iets terecht.

Misschien is een mildere vorm van verwildering, van een aard die het alleen moet zien te rooien, meer illustratief.

In enkele weeshuizen in de Britse bezettingszone na de Tweede Wereloorlog ondergingen twee groepen jongens een vergelijkbaar opvoedingsregime: zelfde hoeveelheid voedsel, zelfde lichamelijke zorg. Maar weeshuis A werd bestierd door een vriendelijke, geïnteresseerde dame en weeshuis B door een disciplinaire, kille en afstandelijke vrouw.

Na een half jaar al bleken de jongens uit B achter te blijven in groei en emotionele ontwikkeling. Kort daarna verdween de leidster uit A naar een andere baan, waarna die van B haar taak overnam en B zelf een vriendelijker heerschap kreeg. Weer een half jaar later waren de jongens in B flink opgefleurd, en op lengte, maar in weeshuis A wilde het niet meer vlotten.

Het maandblad Scientific American beschreef dit experiment in 1972 en gaf meer voorbeelden van dwerggroei en emotionele leegte als gevolg van sociale deprivatie. Laat een kind twee jaar lang opgroeien in een donkere kamer, met minimaal contact, en ze zal soms nog achttien uur per dag slapen. Een verbannen chimpanseejong reageert vergelijkbaar, en uit onderzoek van diens hersenen blijkt onder meer dat zijn hormoonhuishouding er eigen regels op nahoudt.

Moeder vervult aanvankelijk de rol van een ontluikende wereld, daar vertel je ook een evolutiepsycholoog niets nieuws mee. Zonder haar wordt het geen licht. Maar er zijn nog talloze andere beslissende factoren in het wereldje van een nog aarzelend wezen. Keith Richardson beschrijft in 'Development Psychology: how nature and nurture interact' de sturing van minuscule details in de leefwereld van mens én dier. Hoe kerkuilen hun prooi lokaliseren, hoe mieren terug naar hun nest meanderen, hoe vleermuizen obstakels omzeilen, het lijken allemaal vaardigheden die worden bestuurd door een ingebouwde, genetische machinerie. Maar in werkelijkheid heeft hun specifieke leefomgeving er heel fijntjes aan moeten slijpen om het gebeeste kans van leven te geven.

Hier wikkelen aard en omgeving zich ineen tot een niet meer te ontrafelen samenspel. Zonder die vervlechting is het alsof de aangeboren aard geen enkel houvast heeft en in het lege grijpt.

Dat is triest duidelijk geworden bij de fameuze proefaapjes van Harry Harlow. Halverwege de vorige eeuw scheidde Harlow resusaapjes direct na de geboorte van hun moeder en vertrouwde ze toe aan de 'zorg' van een levenloze surrogaatmoeder, die bestond uit een cilindervormige koker van gaas, al dan niet bedekt met lappen stof, en met een kunstkop er bovenop.

Dit beruchte experiment bracht een generatie verknipte, semi-autistische aapjes voort, van wezenloze, bangelijke dieren, die maar aan zichzelf frunnikten of de ganse dag heen en weer zaten te wiegen. Ook als ze in kooien opgroeiden waarin ze wél soortgenoten konden horen, zien en ruiken, zonder ze te mogen aanraken, kwam er van de normale sociale aap in hen niets terecht.

Om Harlows apen te zien, moet je in de Roemeense weeshuizen gaan kijken, werd later gezegd, na de val van het regime Ceausescu. Daar werd pijnlijk duidelijk hoe sociaal en emotioneel berooid kinderen tevoorschijn komen uit een bestaan zonder echte wereld om hen heen.

Wat gebeurt er dan zonder koesterende omgeving? Geen wetenschapper krijgt nog toestemming voor Harlowiaanse experimenten, niet bij apen en zeker niet bij mensen. Maar dat de averij diep moet zitten, wees een neurologische studie uit bij diezelfde Harlow-apen, enkele jaren later. Hun gedrag leek op dat van psychotische patiënten en daarom brachten onderzoekers bij de aapjes elektroden aan in verschillende hersengebieden, om de verstoorde breinactiviteit op te sporen.

De neurologen verbaasden zich over de soms lome, dan weer heftige reacties in een breingebied (septale regio), dat te maken heeft met alertheid en waakzaamheid. In eerder onderzoek was dit gebied, dat verscholen ligt onder de hersenschors, bij katten en apen vernield, waarna ze nog maar half bij kennis leken. Ze verkeerden in een wazige toestand, in een haast 'zelf-loze' droomtoestand, die bij sommige mensen met schizofrenie is beschreven. Daarnaast wisselden ze verstarde bewegingsloosheid af met het voortdurend herhalen van stereotiepe bewegingen, gedrag dat bekend staat als katatonie.

Harlows apen vertoonden vergelijkbare reacties. Maar na stimulatie van het betreffende hersengebied waren de dieren meer op hun qui-vive en kon er soms zoiets als een apengrijns vanaf. Wat te denken van deze belegen studie? De neurologen vergeleken de verstoorde ontwikkeling bij de apen indertijd met die bij kinderen die in hun eerste jaren sterk zijn ondervoed. En ondervoeding en sociale deprivatie gaan altijd hand in hand, meenden ze. Anders gezegd: in een kille 'omgevingsloze' wereld als die waarin Harlows apen moesten opgroeien, krijgt het brein geen kans wakker te worden.

Zonder nurture geen nature, kinderen uit niemandsland worden geen mens. Maar reikt de omgevingswereld ons dan, meer dan onze genen, onze aard en persoonlijkheid aan? Dan moeten mensen wereldwijd behoorlijk van elkaar verschillen, in karakter, sociaal gedrag en allerlei mentale vaardigheden. Dat zoeken we uit, we trekken met cross-culturele psychologen de wereld rond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden