Menselijk / Die kerk hangt in de lucht

De mens is geen slaaf van zijn genen, maar evenmin de regisseur van zijn eigen gedrag. Het is een spel van twee factoren: zonder omgeving komt de erfelijke code niet tot leven. Om dat spel te doorgronden reist Martin van der Laan in een serie artikelen de wereld af, op zoek naar overeenkomsten en verschillen in de menselijke aard. Deel 2: perceptie.

Muisstil was het toen de eerste afbeelding op het doek verscheen: een siddering ging door het zaaltje, mensen sprongen op en gilden, terwijl ze van de voorste rijen naar achteren vluchtten. Tot het stamhoofd aarzelend naar voren schuifelde, aan het doek voelde, erachter keek, en ontdekte ,,Die olifant heeft geen lijf''.

Konden wij nog maar eens door de ogen kijken van deze stamleden uit Oeganda die begin vorige eeuw voor het eerst van hun leven een projectie zagen. Dat lijkt een onzinnige wens, onze ogen staan nu eenmaal naar de wereld waarin wij zijn getogen. In anatomische zin mogen ze, op enkele pigmentverschillen na, overal eender zijn maar toch kijken ze her en der anders. De leefwereld kneedt onze blik.

Verschilt onze waarneming dan wezenlijk van die van een pygmee uit de Afrikaanse wouden? Die is niet gewend naar een verre einder te turen, zijn blik omspant hooguit een open plek in het bos. Ooit nam psycholoog Collin Turnbull zo'n bosbewoner mee de vlakte in, waar aan de horizon een groepje bizons graasde. De geringe diepte in zijn normale leefomgeving bracht de pygmee tot de stellige overtuiging dat daar in de verte een stel mieren rondliep, terwijl hij drommels goed wist wat bizons waren. Hoe verbaasd reageerde de man toen de mieren, naarmate ze hen met de terreinwagen naderden, almaar groter werden.

Al even opmerkelijk zijn experimenten bij niet-geletterde proefpersonen, die niet goed perspectief kunnen zien in tweedimensionale tekeningen. Zie het amusante voorbeeld in 'Cross-culturele psychologie' van Jan Pieter van Oudenhoven: Mexicaanse boeren schudden hun hoofd bij dit landbouwtafereel met de opmerking dat de achterste planten te weinig mest hadden gehad. De figuur achterin het veld ontlokte hun de opmerking dat het geen pas gaf kleine kinderen op het land te laten werken. Een tekening van een maïsveld met een dorp ver op de achtergrond ging er bij een van de dorpelingen niet in: hij herkende de eigen kerk wel, maar bij hun in het dorp hing die kerk echt niet in de lucht.

Hier moge uit blijken dat kijken wat anders is dan je ogen opendoen: onze hersenen bewerken de prikkels en lijken daarbij variërende regels te hanteren, afhankelijk van waar we opgroeien. Of niet? Al sinds de eerste studies naar verschillen in perceptie overheerst de twijfel. Rond 1900 reisde psycholoog W. Rivers af naar Torres Strait, tussen Nieuw-Guinea en Australië, om het onwaarschijnlijk scherpe gezichtsvermogen van de 'wilde' eilandbewoners te onderzoeken. Ze bleken hooguit een beetje beter te zien dan Europeanen, vergelijkbaar met de mate waarin jager-verzamelaars scherper zien dan wij.

Later zocht men de arendsogen bij mensen in de Kalahari-woestijn, die niet anders doen dan scherpstellen in de verte. Maar hun ogen bleken allerminst bijzonder. Wel deed hun gehoor het tot op late leeftijd voortreffelijk, waarvoor men de verklaring zocht in het feit dat je oren in de Kalahari minder door bijgeluiden raken afgestompt.

Zo werden er meer verschillen in waarneming gevonden die bij nader inzien een logische oorzaak hadden. Donkere Zuid-Afrikaanse mijnwerkers wennen langzamer aan de duisternis dan blanke: kwestie van armoedige voeding, en mogelijk een leverziekte. Jagervolkeren lijden minder aan kleurenblindheid: kwestie van selectie, want kleurenblinde jagers worden zelf prooi.

Het zijn maar minuscule variaties, menen cross-culturele psychologen, net zoiets als kleine waarnemingsverschillen in het domein van andere zintuigen: voor Japanners klinkt burengerucht minder hard dan voor Britten en Duitsers, en voor Chinezen smaakt een beetje suiker in de thee al zoeter dan voor anderen een hele schep. Maar ga je in China wonen, dan spoel je volgens veel psychologen je eigen smaak onder invloed van hun gewoonten spoedig weg.

Niettemin, we waren op zoek naar frappante verschillen. In de jaren zeventig dacht men er één ontdekt te hebben bij de Mekan, een geïsoleerd volk uit Ethiopië. Zij bleken hun inheemse luipaard en antilope niet te herkennen op papier. Ze snuffelden en frommelden aan de foto's, proefden er aan en luisterden er zelfs naar, maar het beest zagen ze niet. Vreemd genoeg gingen hun ogen wél open toen de dieren op lappen stof werden afgedrukt. Stof kenden ze wel, papier niet, en daardoor zagen ze er blijkbaar ook niks op. Een tijdelijke handicap natuurlijk.

Wel frappant blijft het dat ogen die diepte zien en ogen die 'perspectiefloos' waarnemen in uiteenlopende werelden lijken te leven. Dat blijkt onder meer uit verschillen in gevoeligheid voor visuele illusies, zoals de horizontaal-verticaal illusie. Teken een omgekeerde T op papier waarvan beide zijden even lang zijn. Mensen die in een weids landschap wonen zullen de verticale poot langer inschatten omdat hij, in tegenstelling tot de horizontale lijn, zich enigszins van de toeschouwer af lijkt te bewegen. Hersenen die in perspectief kijken, weten dat ze objecten in de achtergrond groter moeten interpreteren dan de indruk die ze op het netvlies achterlaten. Daarom 'zien' ze de wijkende, verticale poot van de T automatisch wat groter, net als ze de planten achterin het landbouwveld op ware grootte schatten.

Voor een Afrikaanse bosbewoner zijn beide poten van de T even lang. Hij tuint ook minder snel in de beroemde Müller-Lyer-illusie. Waarom lijkt voor westerlingen de lijn met de naar binnen staande zijarmpjes korter dan die met de naar buiten gekeerde? De psycholoog M. Segall, die de vatbaarheid voor deze illusies bij vele culturen onderzocht, denkt dat dat komt omdat wij in een timmermanswereld wonen, een gecreëerde leefomgeving waarin de rechte hoek regeert. Daardoor neigen wij ernaar om niet-rechte figuren op te vatten als perspectief van een rechthoekig object. En wat zien wij dan in de Müller-Lyer-illusie? De korte lijn is de buitenhoek van een flatgebouw, die naar ons toe is gericht, de lange lijn is de binnenhoek van twee aangrenzende flats, wat verder van ons verwijderd. Die naad moet groter zijn, zeggen onze hersenen dan.

Onze ogen staan helemaal naar het perspectief-kijken. Probeer dan nog eens Zuid-Afrikaanse kinderen te begrijpen die op de tekeningen van de psycholoog Hudson moesten aangeven op wie de jager het gemunt had. Op het hert, zeiden de meeste schoolgangers, maar de ongeletterde kinderen uit het bos hielden het op het 'kleine' olifantje, dat immers duidelijk dichterbij stond. Voor wie het niet droog houdt bij dat antwoord: onze hersenen zijn evenzeer dwalende, en daarvan zou de maanillusie getuigen. Wij zien de volle maan aan de horizon groter dan in de lucht, omdat onze hersens die maan aan de einder verder weg schatten en dus denken te moeten opblazen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden