Meneer Chen wilde niet naar huis

Schrijver Ernest van der Kwast spit kranten door, zoekt berichten over de liefde, en maakt zijn eigen verhaal. Dit keer: de Chinees die niet weg wilde uit het ziekenhuis.

Huan Chen was geen makkelijke man. Hij had een garage gehad, maar die was failliet gegaan. Het lag niet aan de reparaties, die waren altijd goed uitgevoerd. Het was de wijze waarop hij vanonder een auto kwam, waarop hij vervolgens drie passen je richting op deed en zweeg. Het was zijn blik. Hij hield niet van mensen. Op straat keek hij liever naar de grond dan naar de duizend gezichten. Soms staarde hij naar de schoenen van de mensen, maar zijn blik ging nooit omhoog, naar de kuiten en de bovenbenen die gehuld gingen in strakke spijkerbroeken met gaten.

Op een ochtend in augustus werd Huan aangereden door een Toyota met een piepende V-snaar. Hij had het geluid herkend, maar hij had niet opgekeken. Er waren veel mensen doorgelopen, gehaast, onverstoorbaar in hun dagelijkse gang, maar de bestuurder was uitgestapt en twee vrouwen stonden over hem gebogen toen hij zijn ogen had geopend. Ze vroegen of hij pijn had. Huan wees naar zijn benen.

In het ziekenhuis ontfermden de dokters zich over zijn botten en de verpleegsters over zijn wonden. Het herstel ging voorspoedig, en na een maand werd hij ontslagen uit het ziekenhuis. Een zonnige dag in september, de straten vol geluid en beweging. Huan bleef voor de deur van het Jing Mei Hospital staan. Hij moest door de mensenmassa. Hij moest naar huis. Als kind had hij de hand van zijn moeder stevig vastgehouden, een fragiele vrouw op platte schoenen. Ze kwam uit een dorp op het platteland, waar ze haar zoon ook had gebaard. Zijn grootouders waren boeren geweest. Aardappelen, tarwe, varkens. Maar wie wilde overleven, moest naar de stad. Naar Peking. Huan had geen herinneringen aan het platteland. Hij had alleen een verhaal. Zijn nageboorte was begraven in de velden. Er was een kastanjeboom op geplant. De bloesem was wit, de vruchten glansden als de vacht van een groot donker paard. Dat was wat ze hem had verteld, terwijl ze haar vingers door zijn haar liet gaan en wachtte totdat hij in slaap viel.

Als bij een wonder begonnen zijn benen te zwellen. Het gebeurde twee weken nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen. Twee verschrikkelijke weken. Het lukte Huan niet te wennen thuis. De ruimte leek te klein te zijn geworden. Zoals hij naar klanten met kapotte auto's had gekeken, keek hij naar zijn vrouw. Hij wilde niet meer. Ze kon er niets aan doen. Ze was een goede vrouw. Op de dag dat hij thuis was gekomen, had ze octopus voor hem bereid. Het vlees zacht als zijde. Hij had zonder een woord zijn kommetje leeggegeten.

"Wat is er?", vroeg ze.

Hij antwoordde niet.

"Heb je nog pijn?"

Huan schudde zijn hoofd.

"Wat is er dan?"

Het lukte hem niet het te zeggen. Hij slikte het door.

Zijn vrouw ruimde de tafel af.

Vanaf die dag zei Huan Chen geen woord meer thuis. Zijn garage was op die manier kapotgegaan, door naar de mensen te kijken en te zwijgen. Totdat ze weggingen en niet meer terugkwamen. Maar Huan wist dat zijn vrouw zou blijven. Ze was al veertig jaar bij hem gebleven. De uitweg van een huwelijk was een scheiding. Er waren ook mannen die hun vrouw hadden vermoord, maar beide oplossingen vond Huan omslachtig. Hij had geen zin in gedoe.

Toen begonnen zijn benen te zwellen. Het was alsof zijn gebeden waren verhoord. Hij pakte zijn tandenborstel, deed zijn pyjama in een tas en nam de bus naar het ziekenhuis. De dokters bogen zich weer over zijn benen en de verpleegsters brachten hem eten en drinken. De diagnose werd gesteld: diep-veneuze trombose. Huan kon met moeite een glimlach onderdrukken. Hij kreeg pillen en injecties, zijn benen werden gezwachteld. Zijn vrouw bezocht hem en zat aan zijn bed. Hij gaf geen antwoord op haar vragen, alsof hij in coma lag.

De behandeling duurde drie maanden, toen mocht hij naar huis. Maar Huan weigerde te vertrekken. Hij vertelde de dokters dat hij nog steeds pijn had en zijn benen niet kon strekken. Ze zetten hem overeind, maar Huan viel op de grond. Het was een mooie smak, zijn gezicht kwam met een klap tegen de glimmende vloer. Hij werd terug in bed gezet.

Twee dagen later probeerden ze hem weer te laten staan, maar toen zakte Huan ineen als een mislukte pudding. De dokters geloofden hun ogen niet. Bij de derde poging schold hij hun de huid vol. Ze lieten hem voortaan in bed liggen.

De behandeling werd een halfjaar voortgezet. Toen kreeg hij te horen dat ze niets meer voor hem konden doen. Huan werd boos. Hij begon te schreeuwen en eiste het hoofd van het ziekenhuis aan zijn bed. Hij vertelde hem dat zijn dokters te dom waren voor de zeldzame ziekte die hij had. Het hoofd beloofde te overleggen met zijn collega's, maar er kwam geen specialist naar hem kijken. Huan kreeg dagelijks drie maaltijden op een beige tray, maar verder zag hij niemand meer aan zijn bed. Na enige tijd bleef zijn vrouw ook weg. Hij genoot van de afzondering. Een gevoel van geluk. De stilte in de kamer, het zonlicht op de ramen van het gebouw aan de overkant. Hij was gestopt met leven, maar was niet dood.

Er verstreek een jaar. Om hem heen nam steeds een andere patiënt een bed in. Ze kwamen en gingen. Soms met een wit laken over het gezicht. Hij was de enige die bleef. De straten vulden zich met duizend gezichten. Hij miste het huwelijk van zijn enige zoon.

Onder zijn matras lagen een ketting en een hangslot. Hij had ze ontvreemd van een schoonmaker. Huan was voorbereid. Hij wist dat het gedoe zou worden. Niet vandaag of morgen. Nu nog even niet. Hij mocht gelukkig zijn. Het licht werd steeds voller buiten. Het werd lente. Ruim zeshonderd kilometer verder, ten noorden van de rivier Luan He, stond een kastanjeboom in bloei.

Ernest van der Kwast is schrijver. Onlangs verscheen zijn nieuwe roman 'De ijsmakers'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden