Men deed en doet maar wat

Onder Balkenende werd het centrum revolutionair, terwijl links en rechts juist het bestaande wilden behouden. Dat is, zegt historicus Frank Ankersmit, nooit eerder vertoond. Politici moeten zich volgens hem herbezinnen op de begrippen links en rechts. Maar bovenal moeten ze nadenken over een dringend probleem: het vacuüm dat de zich terugtrekkende staat achterlaat. „Het uitgewoonde gebouw van de staat is de grootste bedreiging voor onze collectieve toekomst.”

Radicaal is de Nederlandse politiek zelden geweest. En voorzover er al van radicalisme sprake was, kon je daarvoor alleen terecht bij uiterst links (CPN) of uiterst rechts (Janmaat). Dat waren nooit erg populaire partijen. Het politieke centrum hield zich daarom altijd verre van die radicaal linkse of rechtse opvattingen – en voer daar wel bij.

Maar met de kabinetten-Balkenende werd het absurde realiteit, en deed zich het volstrekte unicum voor van een geradicaliseerd centrum. Dat wil zeggen, van een centrum dat harder ingreep in allerlei oude zekerheden dan links of rechts gedaan zouden hebben. Onder Balkenende is het centrum revolutionair geworden, terwijl links en rechts juist het bestaande wilde behouden. Zoiets hebben we nog niet eerder gehad.

Deze unieke situatie was mogelijk doordat zowel CDA als VVD van hun vaste, traditionele ankers waren losgeslagen.

De VVD had in een strikte scheiding tussen de private en de publieke sector steeds de beste bescherming gezien tegen socialistische onverantwoordelijkheden en tegen het christen-democratische corporatisme. Maar rond 2000 omarmde de VVD het in wezen zeer onliberale neoliberalisme dat van de vermenging van die beide sectoren en van marktwerking in de overheid juist alle heil verwachtte.

Iets soortgelijks speelde zich af in het CDA. Om zowel ideologische als tactische redenen bekommerde het CDA zich vroeger altijd zeer om zijn ’sociale gezicht’. Maar toen het rond 2000 onder leiding van Balkenende zijn rentree maakte vanuit de politieke woestijn, schreef de partij de zelfredzaamheid van de burger hoger in het vaandel dan menige negentiende-eeuwse liberaal gedaan zou hebben gedaan.

De VVD leek zich, kortom, bekeerd te hebben tot het christen-democratische corporatisme en het CDA tot het individualisme en de zelfredzaamheid van het liberalisme. En zij versterkten elkaar daarin. Het was allemaal heel verwarrend.

De argeloze kiezer die in 2002 (en 2003) op een van die beide partijen had gestemd en even niet goed had opgelet, zag zich geconfronteerd met een strenge hervormingsagenda. Hij was als iemand die een biertje bestelt, maar een straf glas cognac op zijn tafeltje aantreft en zich daar lelijk in verslikt. Sommige kiezers waren zo geschrokken dat zij de tamelijk weerstandsloze PvdA voorbijholden en pas hijgend tot stilstand kwamen in de SP van Jan Marijnissen. Die voorthollende kiezers zagen Wouter Bos door zijn neoliberale uitstraling even helemaal niet staan. Aan de andere kant van het politieke spectrum gebeurde iets soortgelijks; daar was het Wilders die ervan profiteerde.

Vandaar het zo verrassende resultaat van de laatste verkiezingen. Vandaar dat Marijnissen er heel onverstandig aan deed deze unieke kans op regeringsverantwoordelijkheid te laten lopen. Want bij komende verkiezingen zal alles weer zijn als normaal, en heeft ook zijn electoraat weer zijn normale omvang. Zijn rol is dan uitgespeeld.

Het CDA en de PvdA zullen ongetwijfeld straks deel uitmaken van het nieuwe kabinet. En de meningsverschillen tussen die beide partijen zijn veel groter dan die tussen CDA en VVD in het nu demissionaire kabinet. Die waren twee handen op een buik; zij konden daardoor elkaars radicale neigingen bovenmatig versterken. Daar zat geen enkele ingebouwde rem op. In een kabinet met CDA en PvdA kan dat absoluut niet meer. Alle politiek organiseert zich dan weer rond het oude, vertrouwde midden. En de SP is weer een politieke uithoek, goed voor hooguit een tiental zetels.

Oude zekerheden

Van de toekomst terug naar het recente verleden. Door het geradicaliseerde centrum waren onze oude zekerheden over links en rechts op de kop gezet. Het was alsof links en rechts door een wonderlijke ingreep in het midden terecht waren gekomen, terwijl het veilige en vertrouwde centrum zich naar buiten had verplaatst. Zodat je wel bij Marijnissen of Wilders terecht moest komen om Nederland zo te houden als je het van vroeger kende.

Dat maakte het leven van de kiezer er niet makkelijker op, want links en rechts waren altijd onze ijkpunten in de politiek. Het CDA zat ongeveer in het midden en was, om zo te zeggen, punt nul op de schaal. Rechts daarvan had je de VVD en verderop de kleine christelijke partijen. Wilders was daar nog bijgekomen. Daarmee had je het op rechts wel gehad. Links van het CDA was de variëteit altijd groter. Het liep daar via D66 en de PvdA naar GroenLinks en de SP. En heel vroeger had je nog de PPR en de communisten van de CPN. Linkser dan dat kon je het hier niet krijgen.

Het aardige van die links-rechtssystematiek was dat die een schaal leek te bieden waarop de plaats van alle politieke partijen aan te geven viel. Net zoals je alle temperaturen op de schaal van celsius of fahrenheit aan kunt geven. Helemaal onproblematisch was dat niet. Je kon van mening verschillen over de details, op een manier waarop dat met temperaturen onmogelijk is. De meeste mensen plaatsten D66 rechts, ergens tussen CDA en PvdA in. Daar viel tegenin te brengen dat er bij de PvdA een regentenmentaliteit heerste, waardoor je die toch echt rechts van D66 moest plaatsen. Dat soort discussies zijn met temperaturen uiteraard onmogelijk: twintig graden is kouder dan dertig, en warmer dan tien graden – daar valt niet zinvol over te discussiëren. Toch, zolang het ging om de subtiele verschillen tussen links en rechts – het D66-probleem, zeg maar – viel er goed mee te werken.

Naïef optimisme

De grote vraag bij dit alles was natuurlijk hoe je politieke ideologieën of partijprogramma’s vertaalde naar de links-rechtsschaal. Wanneer is iets links of rechts? Dat bleef een beetje nattevingerwerk, maar er waren altijd twee ijkpunten die min of meer houvast boden.

Het eerste, en belangrijkste, is dat links meer dan rechts bereid is om in te grijpen in de samenleving, zodat die ingericht wordt conform bepaalde idealen. Het tweede heeft te maken met democratisering. Links kijkt steeds of er nog wat te democratiseren valt, terwijl rechts daar minder haast mee heeft.

Het interessante van deze tijd is dat je met die twee ijkpunten niet veel meer doen kunt, waardoor links en rechts in de politiek onhanteerbare begrippen dreigen te worden.

Neem de democratisering. Wanneer in het verleden de politiek onbevredigend functioneerde, was de standaardreactie altijd de roep om meer democratie. Gelukkig bleek er dan altijd inderdaad nog het een en ander te ’democratiseren’. Dat hebben we voor het laatst in de jaren zestig meegemaakt. Het resulteerde in de afbraak van de laatste resten van het regentendom en een veel opener democratie dan voorheen. Daar kunnen we in tevredenheid op terugzien.

Maar wat valt er nu nog te ’democratiseren’? Het is waar, je kunt de gekozen burgemeester bepleiten, wijzen op het democratisch tekort van Europa, ruimte willen maken voor referenda en allerlei vormen van directe democratie. Maar dat alles blijft een beetje moeizaam en geconstrueerd. Dat daar de oplossing van al onze politieke kwalen ligt, zullen maar weinigen echt geloven. Het is en blijft gemorrel in de marges van de representatieve democratie.

Bovendien, het publiek zelf kun je er nauwelijks enthousiast voor krijgen, zoals ze bij D66 keer op keer hebben gemerkt. Je kunt zelfs volhouden dat sommige van die maatregelen de zaak eerder zullen verergeren dan verbeteren, omdat varianten van de directe democratie nu eenmaal strijdig zijn met de representatieve democratie.

Ofwel verdere democratisering verandert wezenlijk iets, maar dan bestaat het gevaar dat je heel ons politieke systeem kapotscheurt. Ofwel er verandert niets – maar dan heeft het ook geen zin om eraan te beginnen.

Haagse brainwave

Waar moeten we het dan wel zoeken? Zijn er remedies te vinden voor de door zovelen als ernstig ervaren tekortkomingen van ons politieke systeem? Ligt er soms nog iets achter de democratie? Iets waarvan we nu het bestaan nog niet vermoeden? Een nog onbekend alternatief?

Helaas. De geschiedenis leert dat het met de keuze voor nog onbekende alternatieven doorgaans slecht afloopt. Waarschijnlijk zijn die tekortkomingen van de democratie onvermijdelijk en het geringere kwaad. Misschien moeten we er gewoon in berusten, zoals ook in ziekte en dood. Waarom zou er voor alle problemen altijd een oplossing te vinden zijn? Je moet wel een heel naïeve optimist zijn om dat te geloven.

Het lijkt erop dat ons politieke systeem niet meer wezenlijk verbeterd en nog verder gedemocratiseerd kan worden. Het democratiseringsarsenaal is op, leeg, uitgeput.

Nu dat andere ijkpunt: de traditioneel grotere bereidheid van links tot forse ingrepen in het bestaande. Maar het centrum-rechtse kabinet-Balkenende bleek helemaal niet bang voor forse ingrepen; denk aan de stelselherziening in de gezondheidssector, de ingrepen in de sociale zekerheid, in de vut-regeling, denk aan de Wet maatschappelijke ondersteuning en de nieuwe Wet op het hoger onderwijs. Terwijl links het juist allemaal wilde laten zoals het was.

Met al die ingrepen is wél iets eigenaardigs aan de hand. Vroeger waren ingrepen van de politiek per definitie ingrepen van de staat in de samenleving. Denk aan het loonbeleid, aan nivellerende belastingwetgeving, emancipatiewetgeving (in de ruimste zin van het woord). Denk aan alles waar de PvdA van Joop den Uyl voor stond. Dat is ook wat we ons traditioneel voorstellen bij de relatie tussen samenleving en staat. Er is een samenleving waarin conflicten spelen en sociale ongelijkheid is. De staat is er om orde op zaken te stellen. De staat was het instrument om de samenleving te optimaliseren. Daarbij bleven de staat en zijn organisatie van ondergeschikt belang. Het ging bovenal om wat de staat deed (of naliet), en niet om hoe die staat zelf in elkaar zat.

Dat is de laatste jaren totaal anders. Want die forse ingrepen van de kabinetten-Balkenende waren geen ingrepen in de samenleving, maar in de staat. Krabde vroeger de staat de samenleving, nu krabt de staat vooral zichzelf; en hij doet dat met zoveel energie dat de vonken er bepaald van afspatten. Wie werkt bij onderwijs, justitie of bij een gemeente weet erover mee te praten. De ene nieuwigheid is nog niet ingevoerd of de volgende Haagse brainwave kondigt zich al aan.

De liberale mythe

Dit nu is waar alles om draait. Een tweehonderd jaar oud politiek tijdperk is tot een einde gekomen, en een nieuwe politieke logica dient zich aan. Sinds de Franse Revolutie, sinds de triomftocht van het liberalisme in de negentiende eeuw, kreeg de staat er steeds nieuwe taken en opdrachten bij. De staat kreeg de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het wel en wee van de samenleving en van de mensen daarin. Alle politieke ideologieën, zowel van links als van rechts, hielden zich daarmee bezig en boden hun eigen visie erop. Voor linkse ideologieën behoeft dat geen toelichting. Maar we moeten niet vergeten dat dit evenzeer voor ’rechts’ geldt, misschien zelfs nog wel meer. Want anders dan een wijdverbreide liberale mythe het wil doen geloven, leert de geschiedenis dat de negentiende-eeuwse liberale staat explosiever groeide dan ooit daarvoor of daarna. Het waren de liberalen die de staat dieper lieten doordringen in de samenleving dan ooit tevoren.

Niemand minder dan de liberale staatsman Thorbecke was daar al heel duidelijk over: „Zoo ontstond eene veel menigvuldiger en inniger gemeenschap, dan voorheen, tusschen de overheid en de burger. Onmiddellijke werking van hare zijde op alle individus bragt wederkeerig onmiddellijke werking voort. Hoe meer het bijzonder in het publiek bestaan wierd gemoeid, des te sterker trok de laatste hen tot persoonlijke deelneming. Staatsburgerlijk besef, op iedere wijs geprikkeld, rees van pligt- tot magtsgevoel.” Aldus Thorbecke in 1844.

Liberalen beklemtoonden alleen dat die expansie van de staat nooit ten koste zou mogen gaan van de burgerlijke en de politieke vrijheid. Zij waren soms wat voorzichtiger met ingrepen in de samenleving. Maar dat is in deze context een detail. Zij lieten aan de groei van de staat nog alle ruimte.

Nederlandse liberalen van nu vergeten dat nogal eens, omdat zij het liberalisme vooral ophangen aan de achttiende-eeuwse Verlichting.

Dat is maar een klein deel van het liberale verhaal. En sociaal-democratie en christen-democratie zijn welbeschouwd eerder exponenten van het liberalisme geweest dan politieke tegenstanders ervan.

Kern van de zaak is hier dat alle politici – inclusief de liberalen – het erover eens waren dat het de primaire taak en opdracht van de staat was om het welzijn van de samenleving te garanderen. Dat was de inzet van alle politieke ideologie. Dáár ging het om bij verkiezingen. Dat was ook uiteindelijk bepalend voor wie links was of rechts.

Dit paradigma werd door alle politieke stromingen als vanzelfsprekend aanvaard. Het zou culmineren in het totalitarisme van de Oostblok-landen en in de verzorgingsstaat in het Westen. Maar zowel het Oosten als het Westen ontdekte in de tweede helft van de twintigste eeuw dat de staat zich daaraan grotelijks vertild had. En dat de staat zich dus zou moeten terugtrekken uit domeinen die hij tot voor kort als vanzelfsprekend voor zich had opgeëist. Een heel juiste conclusie, die geen zinnig mens kan bestrijden.

Verrommeling

Het plaatst ons wel voor een probleem dat zich nooit eerder voordeed in de geschiedenis van de westerse staat sinds de Middeleeuwen. We hebben allerlei theorieën over de zich uitbreidende staat. Maar er bestaan geen theorieën over de zich terugtrekkende staat, over hoe zoiets in zijn werk moet gaan, over hoe dan publiek en privaat opnieuw gedefinieerd moeten worden, en vooral, over de gevaren ervan. Daar hebben we geen ervaring mee, geen regels voor.

Dat die gevaren er zijn, valt niet te ontkennen. Want de zich terugtrekkende staat schept een vacuüm waarin allerlei onvoorziene ongelukken kunnen gebeuren. En aan die kwestie zitten meteen al de stekels van de paradox. Want als wij wél algemene regels zouden hebben, dan zullen we meteen weer een beroep op de staat moeten doen om op de naleving van die regels toe te zien. Het probleem van de zich terugtrekkende staat stelt ons voor een politieke kwadratuur van de cirkel. En het valt zeer te betreuren dat geen politiek denker zich hierin heeft verdiept.

Hopelijk verandert dat snel – temeer omdat het gaat om een uiterst dringend probleem. De staat is zich immers al aan het terugtrekken. We zijn dus aan het pionieren, zonder goed te weten wat we eigenlijk aan het doen zijn. En veel van onze huidige politieke narigheden zijn het gevolg van de even ondoordachte als slordige manier waarop die terugtrekking tot dusverre is gegaan. Men deed en doet maar wat. Zonder na te denken over de aard van dat vacuüm, koos de politiek ervoor om het toe te delen aan de private sector, dat wil zeggen aan de markt. Alles wat er op dit moment misgaat in zowel de staat als in de relatie tussen staat, samenleving en burger – en dat is heel wat – komt voort uit de primitieve en naïeve overtuiging dat alles ófwel staat, ófwel markt is. En dat bijgevolg vermarkting het enig denkbare alternatief is voor een zich terugtrekkende staat.

En de markt werd niet alleen toegelaten in het vacuüm (wat al erg genoeg is), maar zelfs verwelkomd in het domein van de staat zélf. Je zou verwachten dat die zich terugtrekkende staat een herbezinning op zijn traditionele normen en waarden bovenaan de agenda zou plaatsen. Want juist die waren onder druk komen te staan, toen de staat te veel hooi op zijn vork nam. Niets daarvan. In plaats daarvan importeerde de staat de normen en waarden van het bedrijfsleven, alsof dat de enige mogelijkheid zou zijn.

Zo was het de laatste jaren bon ton om de overheid als een bedrijf te presenteren en de burger als diens klant. De grootst mogelijke onzin, natuurlijk. Een bedrijf moet winst maken om te kunnen overleven; alle normen en waarden van het bedrijfsleven zijn daar op gericht. Onlangs stond in de krant dat er nu zelfs scholen zijn die hun activiteiten verleggen van het geven van onderwijs naar het beleggen op de beurs van hun van het ministerie ontvangen geld; zo boeken ze mooie winsten.

Het is duidelijk dat hier iets verschrikkelijk uit de rails gelopen is. De taken, de doelstellingen, de normen en waarden, de werkwijze, ja heel de logica van een bedrijf zijn anders dan die van een overheidsinstelling. Het is meer dan verbluffend dat een kabinet dat altijd zo op normen en waarden tamboereerde dat zelf nooit in de gaten heeft gekregen.

Een ander aspect van die zichzelf krabbende en zich terugtrekkende staat is de cultus van de privatisering, de verzelfstandiging en vermarkting van (voormalige onderdelen van) de staat. Dat begon al een jaar of twintig terug. Nu zal niemand betwijfelen dat je instituten als De Nederlandsche Bank, het openbaar ministerie of de universiteiten op een zekere afstand van de overheid moet houden. Maar dat zijn de uitzonderingen. Voor het overige heerst er een verzelfstandigingsmanie die alleen maar leidt tot wat je het beste kunt aanduiden als de ’verrommeling’ van de overheid. Niemand weet meer wie voor wat verantwoordelijk is.

Cynici zullen beweren dat dat juist de bedoeling was. De zwaarste last van de politicus is immers dat hij de verantwoording draagt voor het functioneren van het overheidsapparaat. Wat is er mooier voor de politicus dan een bestuurlijk systeem dat hem van die lastige verantwoordelijkheden verlost? Als er in die verzelfstandigde instituten iets misgaat, kunnen politici nu roepen dat zij daar ook niets aan kunnen doen. Het instituut werd immers verzelfstandigd. Vandaar hun enthousiasme voor de verzelfstandigingsmanie. Zij realiseert de droom van iedere politicus: macht en invloed hebben zonder daarvoor verantwoording hoeven af te leggen.

En het verhaal dat verzelfstandiging een betere, efficiëntere en goedkopere overheid zou opleveren, is in ieder geval onjuist. In een brief van het kabinet aan de Tweede Kamer van zomer 2005 heeft de regering dat zelf toegegeven.

Klapperende zeilen

Je hoort de laatste tijd nogal eens spreken over ’het einde van de politiek’. Dat klinkt nog holler en modieuzer dan al die andere ’endisms’ die de afgelopen vijftien jaren werden aangekondigd: het einde van de geschiedenis (Fukuyama), van de filosofie (Rorty), van de kunst (Danto). Maar er zit wel een kern van waarheid in. Er is inderdaad een einde gekomen aan een meer dan twee eeuwen oud politiek paradigma: dat van de zich uitbreidende staat. Het nieuwe paradigma is dat van de zich terugtrekkende staat. En dat nieuwe politieke paradigma moeten we niet verwarren met het oude, vertrouwde, liberale pleidooi voor een kleine staat. Dat gaf geen antwoord op de vraag waar we nu voor staan: hoe je van een grote naar een kleine staat terugkeert. Dat is een heel ander, en in ieder geval volstrekt nieuw probleem.

Wij beleven op dit moment de noodgedwongen overstap van het oude naar het nieuwe politieke paradigma. We zijn als een zeilschip dat door de wind gaat: de zeilen klapperen en even lijkt alles tot stilstand te komen. Al onze bestaande noties over politiek lijken hulpeloos en ontoereikend. Het lijkt alsof er een ’einde aan de politiek’ is gekomen. Dat gevoel wordt nog versterkt door de managerial revolutie die de introductie van de normen en waarden van het bedrijfsleven binnen de overheid bepleitte. Ook de vertrouwde noties van links en rechts in de politiek lijken even nergens op te slaan en hun betekenis verloren te hebben.

Maar dat alles is slechts schijn. Er is geen ’einde van de politiek’. Zolang er menselijke samenlevingen zijn, zal er politiek zijn. De politiek stelt ons in staat ons te bezinnen op hoe we onze collectieve toekomst het beste kunnen inrichten. Dat moeten we zeker niet uitbesteden aan managers. In de politiek gaat het om onze toekomst; en daar moeten wijzelf over beslissen. Wel zullen burgers daar steeds verschillend over denken. Dat moeten we niet betreuren, maar juist verwelkomen. Een samenleving die het over alles eens is, is tot de ondergang gedoemd. En in ons geval tot de tirannie van de manager.

De vrijheid kan alleen gedijen in verdeeldheid, Machiavelli wees daar al op. En zolang er verdeeldheid is, is er ruimte voor het gebruik van de begrippen links en rechts. Zij vormen het discours van de vrijheid – zij het dat wij bij de entree van een nieuw politiek paradigma die begrippen van nieuwe inhoud moeten voorzien.

De grootste bedreiging

Dat is juist nu van het grootste belang. Want wat wij ons gewoonlijk bij links en rechts voorstelden, voldoet niet meer. We zijn uitgedemocratiseerd en het paradigma van politieke ingrepen in de samenleving ligt achter ons. De grote vraag is nu hoe we de staat zo goed mogelijk dienstbaar kunnen maken aan de samenleving en aan het collectief belang. Dat kan op heel verschillende manieren – en ieder geval veel beter dan met dat ineengezakte en uitgewoonde gebouw van onze hedendaagse staat.

Die staat is de grootste bedreiging voor onze collectieve toekomst. Niet de samenleving, maar de staat is daarom het object van een even onvermijdelijke als welkome toekomstige revolutie. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar voor alle westerse democratieën, de Verenigde Staten voorop. Wie kan daar nog aan twijfelen na het presidentschap van George W. Bush? Een politiek systeem dat geen ruimte laat aan de tijdige verwijdering van een dergelijke brokkenpiloot, is aan een grondige revisie toe. Niet alleen de Amerikaanse burger zélf begint meer en meer last te krijgen van die bouwfouten in de Amerikaanse constitutie (al in 1867 door Walter Bagehot zo trefzeker aangewezen), maar de gehele wereld.

De begrippen links en rechts zijn onmisbaar om die revolutie van de staat in kaart te brengen en te bediscussiëren. Ook in de toekomst hebben we zonder die begrippen geen politiek kompas, en zonder dat kompas komen we terecht op bestemmingen waar we nooit hadden willen arriveren.

Het is de taak van alle bestaande politieke partijen om die antipolitieke managerial revolutie te politiseren in termen van links en rechts. Zodat wij, als burgers, in de gelegenheid gesteld worden om daar ons zegje over te doen. Zo hoort het in een democratie.

Prof. dr. F.R. Ankersmit is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was een van de samenstellers van het Liberaal Manifest van de VVD en lid van de Nationale Conventie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden