Melodieën van een dilettante analfabeet of van een genie?

Erik Satie’s overwegend uit pianomuziek bestaande oeuvre is van meet af aan omstreden geweest. Zijn eenvoudige muziek werd nogal eens afgeschilderd als die van een ondeskundige analfabeet.

Een componist doet er na zijn dood ongeveer vijftig jaar over om weer terug in de roulatie te komen. Eerst wordt hij vergeten en verdrongen door jongere generaties, die al die tijd hebben zitten wachten totdat zij eindelijk eens aan de beurt zouden komen. Vervolgens verwerpt de heersende mode steevast de muziek van een generatie daarvóór en kijkt terug naar de voorvorige generatie. En pas dáárna – als de gestorven componist zelf tot die laag van ’voorvorigen’ behoort – wordt zijn betekenis op waarde geschat.

Ook in het geval van Alfred Eric Leslie Satie – beter bekend als Erik met de afsluitende ’k’ als curiosum in Frankrijk – kostte die ontdekking door een groter publiek ongeveer een halve eeuw. Toen Satie in 1925 overleed aan de gevolgen van een levercirrose – hij consumeerde zijn leven lang te veel alcohol en had bovendien een kwade dronk – kon hij in ieder geval bogen op twee claims to fame: zijn invloed op de muziek van Claude Debussy en op die van Maurice Ravel.

Omstreden is zijn overwegend uit pianomuziek bestaande oeuvre van meet af aan geweest.

In het Frankrijk van het savoir le métier werd de eenvoudige muziek van Satie nogal eens afgeschilderd als die van een dilettante analfabeet, maar ook als de uitingen van een genie. Satie ontdekt niet zozeer nieuwe samenklanken of melodievormen – al zijn de zesstemmige kwartakkoorden in ’Le Fils des étoiles’ tamelijk vooruitstrevend te noemen – maar hij zette bekende klanken op een andere manier achter elkaar. En hij streek met ’verkeerde’ basnoten of akkoordopeenvolgingen of -oplossingen de muziektheorie tegen de haren in.

Het werk van de in 1866 in Honfleur geboren componist laat zich mooi verdelen in decennia: in zijn twintigerjaren componeerde Satie zijn eerste pianowerken en de muziek die hij schreef voor de zogenoemde muziek ’Rose + Croix’, een artistiek-mystieke beweging van Joséphin Péladan (officiële naam ’Ordre de la Rose-Croix Catholique, du Temple et du Graal’), waarvan Satie officieel huiscomponist was. Over mystiek gesproken: in 1893 richtte Satie zelf een kerk op die luisterde naar de naam Eglise Métropolitaine d’Art de Jésus Conducteur, met hemzelf als enige lid en kapelmeester. Voor deze eenmanskerk schreef hij zijn ’Messe des pauvres’.

Om het verhaal over zijn scheppingsperiodes af te maken: in zijn dertigerjaren schreef Satie voornamelijk cabaretmuziek; zijn veertigerjaren staan in het teken van zijn humoristische pianowerken; om aan het eind van zijn leven verschillende soorten muziek te componeren, van de grote balletten zoals ’Socrate’ tot liederen en – natuurlijk – pianomuziek.

In de laatste fase van zijn leven ging Satie de schoolbanken weer in. Weliswaar was hij in 1879 al toegelaten tot het Parijse Conservatoire, maar daar was hij berucht om zijn geniksnut. Van 1905 tot en met 1908 schreef hij zich opnieuw in als student, aan de Schola Cantorum in dezelfde stad. Hij studeerde contrapunt en fuga’s schrijven en kreeg lessen in instrumentatie. Hij was er een gemiddelde leerling en zijn productie bleef ook daarna laag.

Pas na het schandaal dat zijn ballet ’Parade’ veroorzaakte in 1917, raakte Satie’s naam voorgoed gevestigd. Hij verzamelde een groep jonge collega’s om zich heen – de Nouveaux Jeunes. Er werden in 1920 twee festivals aan zijn muziek gewijd en samen met de 25 jaar jongere Darius Milhaud schreef hij de ’Musique d’ameublement’ (Muzikale meubelstukken): de allereerste achtergrondmuziek in de geschiedenis.

Toen Satie’s broer en de componist Darius Milhaud na de dood van de componist voor het eerst de hotelkamer bezochten waar hij 30 jaar in had geleefd, waren ze verbijsterd over de kaalheid van het vertrek: een bed, een tafel en een stoel, een halflege kast met daarin de twaalf grijze fluwelen pakken die hij in 1892 met het geld van een erfenis had gekocht, en een oude piano die met touwtjes aan elkaar hing.

Zijn schetsboeken, die teruggingen tot de vroege jaren 1890, had Satie allemaal nog bewaard. Een brand verwoestte ooit andere documenten, maar dankzij Milhaud werd zijn muziek in ieder geval gered.

Wat Felix Mendelssohn voor de herontdekking van de muziek van Bach betekende, was John Cage voor Satie. Al in de jaren vijftig erkende Cage het belang van Satie’s muziek en nam hij die zelfs als basis voor zijn eigen werk. Zelfs Cage’s gemaniëreerde handschrift lijkt op dat van zijn held. „Satie had gevoel voor stilstand en voor herhaling die ver voorbij laten we zeggen Andy Warhol gaat”, zei Cage ooit.

Misschien was dat wel de grote aantrekkingskracht in Satie’s muziek vanaf de jaren zeventig, toen pianowerken zoals de ’Gnossiennes’ en de ’Gymnopédies’ ineens wereldwijd furore maakten. De melodische eenvoud van de na te zingen melodietjes, de wiegende stilstand, het plaisir voor de speler en luisteraar en tegelijkertijd de mystiek die de kleine-maar-fijne composities als een aura omgeeft: voor de flowerpowergeneratie moet cultcomponist Satie ongeveer dezelfde aangename schok hebben veroorzaakt als Cage in de jaren vijftig of Arvo Pürt in de jaren tachtig deed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden