Meesterwerken eindelijk thuis

Jan de Beijer (1703-1780): De Haringpakkerstoren vanaf het IJ. (COLL. AMSTERDAMS HISTORISCH MUSEUM) Beeld
Jan de Beijer (1703-1780): De Haringpakkerstoren vanaf het IJ. (COLL. AMSTERDAMS HISTORISCH MUSEUM)

Het Amsterdams Historisch Museum blikt terug op de historie van stedelijke meesterwerken.

Cees Straus

Enkele eeuwen lang hing Amsterdams kunstbezit in duizendvoud aan de muur van eerbiedwaardige instellingen. Lang was dat niet voor vast: de fraaiste objecten en schilderijen verhuisden van hot naar haar. Ze deden soms het Trippenhuis aan, hingen ook in de Waag die ooit het Chirurgijnsgilde heette. Ook het Prinsenhof (nu Hotel The Grand), het Leprozenhuis (afgebroken) en de eveneens verdwenen Handboogdoelen en de Kloveniersdoelen waren weinig perfecte opslagplaatsen voor wat inmiddels een schitterende verzameling Oude Meesters was geworden.

Tegenwoordig hangt de hoofdmoot van deze stedelijke collectie in het Amsterdams Historisch Museum. Daarmee keerde de collectie deels terug naar een oude stek, want het AHM was tussen 1926 en 1975 in de Waag ondergebracht. In dat laatste jaar moest de verzameling andermaal verhuizen. De bestemming was het geheel verbouwde Burgerweeshuis tussen Kalverstraat en Nieuwezijds. Op die centrale locatie, midden op de route van willekeurig welke toerist, heeft het Amsterdams Historisch een vaste plek gevonden.

Om die merkwaardige geschiedenis van de zwerftocht van de Amsterdamse kunst nader uit te lichten, heeft het Amsterdams Historisch een ronduit schitterende presentatie van enkele tientallen meesterwerken samengesteld. Stuk voor stuk kunnen de schilderijen, aangevuld met wat spaarzame beelden en antiquiteiten, tot de hoogtepunten van de Amsterdamse kunst worden gerekend. Het museum geeft er trouwens een extra accent aan wat de inrichting van de tentoonstelling betreft: het toont per zaal ook de omstandigheden waaronder de getoonde meesterwerken ooit bewaard zijn. Daarmee is deze presentatie ook op te vatten als een subtiel voorstel om tot een ingrijpende herinrichting van het museum te komen. Het museum doet dus iets wat veel verder gaat dan het presenteren van een vrijblijvend overzicht. Paul Spies, de nieuwe directeur van het AHM, maakt daarmee zijn entree in het museum op een memorabel moment.

De tijd is ook wel rijp voor een herinrichting van het museum. Zeker op basis van dit zo afwijkende tentoonstellingsconcept waarvoor het architectenbureau Jowa werd ingeroepen. Het Amsterdams Historisch deed altijd degelijk, maar ook wat ouderwets aan. De schilderijen die het overgrote deel van de vaste collectie uitmaken, hingen zonder veel context aan lichtgekleurde muren. Alles volgens het boekje, maar zonder veel samenhang anders dan in chronologische zin. Nu wordt per zaal ook een historische terugblik op de getoonde kunst geboden.

De inrichters zijn wat de reconstructie van de historische locatie betreft heel ver gegaan. Zo worden in de Doelenzalen enorme kasten in de ruimte neergezet. In sommige gevallen werd niet geschroomd om daarmee delen van de schilderijen af te dekken. Ook de traditionele routing door het museum is aangepakt. Dat is op zich geen slechte zaak. Het museum is normaal gesproken een waar doolhof, met ongelijk grote zalen die met op- en afstapjes met elkaar zijn verbonden. Dat maakt het doorgaans moeilijk om een tentoonstelling een goed doorlopend verhaal te laten vertellen: al te vaak moet je van niveau verwisselen, wat de spanning uit de opbouw haalt. Door nu voor de reconstructie van een aantal ’stijlzalen’ te kiezen, wordt ook recht gedaan aan de geschiedenis. Dat zorgt voor een mooie rode draad door het gebouw.

Dat de stad Amsterdam nu zo’n 1000 meesterwerken uit de periode 1500-1800 onder één dak heeft, is iets wat 80 jaar geleden niet voor de hand had gelegen. Toen het Amsterdams Historisch Museum in 1926 de deuren van de Waag opende, mochten de werken het tweederangs niveau niet overstijgen. Topstukken uit Nederlands bezit moesten immers naar het Rijksmuseum gaan. Dat was van meet af aan een instelling voor kunst en geschiedenis van nationaal belang. Het Rijksmuseum heeft die positie altijd weten te behouden. Minder bekend is het feit dat het Rijks ook kunst beheert die door de stad in langdurig bruikleen is gegeven. Het gaat dan om de allerberoemdste werken van Rembrandt (Nachtwacht, Staalmeesters en Joodse Bruidje zijn bijvoorbeeld geen rijksbezit) en Vermeer (de Brieflezende vrouw, die inmiddels niet meer zwanger mag worden geacht), schilderijen waarvan je niet direct kunt zeggen dat ze tweederangs zijn.

De nieuwe inrichting van het Amsterdams Historisch maakt duidelijk dat Amsterdam een schitterende collectie oude meesters bezit. Na een ijzersterk begin in de vorm van religieuze voorstellingen van Jacob Cornelisz van Oostsanen, die steeds meer op zijn waarde wordt geschat, worden de omtrekken duidelijk van een stad die typisch burgerlijke vormen aannam. Schutterstukken (zoiets als een moderne burgerwacht), stadsgezichten (geliefd bij ondernemers die hun rijkdom wilden vereeuwigen), regenten- en patriciërsportretten, portretten van beroepsgroepen en hun gilden, ze geven allemaal een aardig inkijkje in de Amsterdamse samenleving.

Pieter Lastman (1583-1633): Paulus en Barnabas in Lystra. (COLL. AMSTERDAMS HISTORISCH MUSEUM) Beeld
Pieter Lastman (1583-1633): Paulus en Barnabas in Lystra. (COLL. AMSTERDAMS HISTORISCH MUSEUM)
Pieter Lastman (1583-1633): Paulus en Barnabas in Lystra. (Amsterdams Historisch Museum) Beeld
Pieter Lastman (1583-1633): Paulus en Barnabas in Lystra. (Amsterdams Historisch Museum)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden