Meesterpianisten

Al twintig jaar haalt Marco Riaskoff de absolute pianisten-top naar Nederland. Zijn succesvolle serie is uniek in de wereld.

Het is druk op de burelen van Riaskoff Concert Management aan het Concertgebouwplein in Amsterdam. Komende zondag wordt in aanwezigheid van koningin Beatrix en prins Willem-Alexander het 20-jarig jubileum van Marco Riaskoffs serie ’Meesterpianisten’ gevierd. In het Concertgebouw uiteraard, met veel hoogwaardigheidsbekleders en belangrijke gasten in de zaal en met niemand minder dan Martha Argerich en Nelson Freire op het podium achter de vleugels. „En”, zegt Riaskoff met enige stemverheffing, „het is voor het eerst sinds 1979 dat Argerich ook als solo-pianiste zal optreden”. Dat is inderdaad bijzonder en de pianistische goudzoeker Riaskoff verdient het om daar nogal trots op te zijn. „Ik wilde Argerich en Freire al hebben bij ons 10-jarig jubileum, maar Argerich was toen ziek; daarna was het moeilijk om een periode voor hen beiden te boeken. Ik wilde ze nu zó graag hebben. Ze kennen elkaar al zo lang en als zij samen spelen gebeurt er echt iets bijzonders, het zijn twee zulke grote virtuozen, met zoveel improvisatorisch talent.” Blij en trots is Riaskoff dus op dit optreden. Na het officiële jubileum komende zondag organiseert Riaskoff in rap tempo ook nog optredens van Maria João Pires (3 juni), Jevgeny Kissin (10 juni) en Alfred Brendel (17 juni). Vijf pianisten van de absolute wereldtop binnen één maand bij Riaskoff in Amsterdam. Mooier kun je een 20-jarig jubileum niet vieren.

„Het is toeval”, legt Marco Riaskoff uit. „Vanwege de agenda’s van de pianisten kon het niet anders. Inderdaad een gouden randje aan het jubileum, maar het maakt wel dat het hier behoorlijk hectisch is. Je moet aan zoveel dingen denken. De concerten in de Meesterpianisten-serie zijn altijd op zondag en pianisten als Kissin en Brendel willen ’s ochtends repeteren in het Concertgebouw. Dat kan een heel gedoe zijn, omdat er dan meestal zondagochtendconcerten zijn daar. Toen ik deze concerten zo pal achter elkaar boekte, was ik nog bang dat het intekenaars zou afschrikken. Maar we hebben meer abonnementen dan ooit verkocht.”

Friso Verschoor, Riaskoffs rechterhand en producer van de serie Meesterpianisten, komt binnen om te vertellen dat er zojuist een fax is binnengerold van Argerich. Een programma-wijziging! In plaats van Lutoslawski’s ’Variaties op een thema van Paganini’ stelt zij het Rondo in A voor piano quatre-mains van Schubert voor. Riaskoff valt even stil en kijkt veelbetekenend van de brenger van het nieuws naar de interviewer. Je merkt dat de radertjes in zijn hoofd meteen gaan draaien. Zojuist heeft hij nog verteld dat hij zo blij was dat het stuk van Lutoslawski op het programma stond. „Hoe nu?”, vraagt Riaskoff een beetje in het luchtledige, „de programma’s zijn al gedrukt. Misschien is het chique als ik een bandje inspreek waarop de wijziging wordt aangekondigd. Wat is de aanspreektitel voor een burgemeester eigenlijk? Excellentie? Maar dit is ook een goed teken”, glimlacht Riaskoff. „Het betekent dat ze met het programma bezig zijn.”

Riaskoff kent inmiddels alle valkuilen van het organiseren van concerten. Hij is in het vak uitgegroeid tot iemand om rekening mee te houden. „Ik heb een internationale reputatie opgebouwd, dat durf ik nu wel te zeggen. Vraag maar aan alle pianisten die hier komen. Iets vergelijkbaars met de serie Meesterpianisten heb je in het buitenland niet, met uitzondering misschien van een pianistenserie in Parijs, maar daar introduceren ze niet elk jaar een nieuwe naam, en dat doe ik wel.”

Riaskoff leerde het vak van onder af. Na een niet erg aansprekend baantje bij platenmaatschappij EMI („alleen maar bureauwerk en geen enkel contact met musici”) begon hij in 1970 bij Concertdirectie De Koos van Sylvio Samama als manusje-van-alles en nam hij maandenlang alleen maar de telefoon aan. Zo leerde hij snel wie wie was in het vak. Riaskoff was geïnteresseerd in het hele proces dat aan een concert vooraf gaat: contact leggen, een datum bepalen, een honorarium onderhandelen. In het seizoen 1972-1973 startte Samama met een Internationale Pianoserie.

„Samama besliste over de artiesten, ik mocht de hele logistiek doen. We hadden onder anderen Brendel, Lupu, Pollini, toen alledrie nog niet zo bekend. Bij Brendel zaten 600 mensen in de zaal, bij Lupu 500 en bij Pollini wat meer, omdat die zich juist daarvoor met Nono, Berio en Abbado tegen de Vietnam-oorlog had gekeerd. Het werd een heus schandaal en men was wel benieuwd naar die Pollini. Een jaar later kwam Argerich al. Haar optreden was een schok voor me. Het staat me bij als de dag van gisteren. De snelheid, passie en accuratesse waarmee zij de sonate van Liszt speelde, dat had ik nog nooit meegemaakt.”

Al gauw organiseerde Riaskoff zo’n honderd concerten in zijn eentje. Riaskoff vertelt over de fax-, computer- en e-mailloze tijd en over de programmaboekjes die hij zelf uittikte en stencilde. Het waren tropenjaren, maar hij leerde ook heel veel musici kennen. Na een wat minder gelukkige periode – Riaskoff zat ook negen maanden in Parijs – was de tijd daar om voor zichzelf te beginnen. „Met één bureau, één telex en een paar vrienden die me hielpen, opende ik in 1985 mijn eigen kantoor. Ivo Pogorelich was de eerste die met me meeging. Voor het seizoen 1987-1988 maakte ik afspraken voor tien pianorecitals; de naam Meesterpianisten bedacht ik zelf. De serie was direct een groot succes. Voor tien toprecitals betaalde je toen 250 gulden. Spotgoedkoop.”

In die twintig jaar heeft Riaskoff alle groten der aarde naar hier gehaald. Hij heeft nog steeds spijt dat het niet lukte met Arturo Benedetti Michelangeli („een eenzame man”), maar dat hij de half-blinde en stokoude Earl Wild een paar jaar terug nog naar hier haalde, daar is hij trots op. Evenals op de recitals die hij hier voor Shura Cherkassky organiseerde. Het vinden en introduceren van nieuwe ’meesterpianisten’, daarmee legt Riaskoff eer in. „Via, via, via, hoorde ik op een krakkemikkig bandje Arcadi Volodos voor het eerst. Fabuleus! Ik dacht eerst dat er twee pianisten speelden. Radu Lupu zei vlak daarna tegen mij: ’Als je kunt – take him!, want hij speelt met één pink beter dan ik met twee handen.’ Van Volodos was ik sprakeloos.”

„Wat iemand tot een meesterpianist maakt? Hij of zij moet internationale allure hebben, een muzikale persoonlijkheid zijn, boven de techniek staan, maar bovenal: ík moet er iets mee hebben.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden