Meester van de metamorfose

Over David Bowie wordt vaak gezegd dat hij zichzelf steeds opnieuw uitvindt, maar je kunt ook juist dát gegeven als constante factor zien: Bowie, vanaf vandaag te zien in het Groninger Museum, is al bijna vijftig jaar een van kleur verschietend totaalkunstwerk.

Hoewel de meningen over z'n pas gelanceerde nieuwe videoclip verdeeld zijn, is het David Bowie wel gelukt om een superster te worden én te blijven. Natuurlijk, zijn muziekstijlen waren steeds weer verrassend, hij wist steeds de juiste muzikanten om zich heen te verzamelen, en op de juiste momenten met een nieuwe plaat te komen. Maar belangrijker dan de muziek is dat Bowie zélf al bijna vijftig jaar een kunstwerk is, dat bovendien nooit hetzelfde is.

Bowie werd als David Jones geboren in Zuid-Londen in 1947 in een eenvoudig gezin, Als geen ander koos en kiest hij steeds weer een ander uiterlijk, een andere kledingstijl, een andere toon. Keuzes die hij vanaf het begin vaak liet beïnvloeden door andere kunstenaars én door zijn fantasieën over andere werelden waar hij zijn publiek mee naartoe kon nemen.

Om met die laatste te beginnen: die zou je kunnen verklaren door de invloed van Terry, Bowies twaalf jaar oudere halfbroer. Terwijl Bowie - die toen nog gewoon Jones heette -- vanaf z'n elfde op een experimentele, op kunst en design gerichte school zat, struinde Terry langs de ruige kanten van Soho, en liet hem de boeken van de Beat Generation lezen, zoals Jack Kerouac en Allen Ginsberg. Boeken die, kort gezegd, oproepen tot intense levenservaringen. Vanaf 1963 kreeg Terry last van schizofrenie, een ziekte die vaker in de familie voorkwam. Een gebeurtenis die Bowie sterk heeft beïnvloed: het zou hem al jong doen realiseren dat de fantasiewerelden van de literatuur voor zijn broer de werkelijkheid konden worden.

Bowie ging in datzelfde jaar van school, en werkte een jaar bij een reclamebureau als 'visualiser': hij moest het beeld van de reclamecampagnes bedenken. Hij vertelde later dat hij het vreselijk vond, maar juist dat ene 'normale' baantje is hem later erg goed van pas gekomen: hij leerde immers hoe je grote groepen mensen met foto's en vormgeving in een andere wereld kunt plaatsen, en zo voor je kunt winnen.

Androgyne verschijning

Vanaf dat moment wist hij dat hij iets met theater wilde doen. Musicals schrijven, dat was z'n droom. Hij was een verlegen, in zichzelf gekeerd kind, hij had zichzelf nooit als acteur, laat staan zanger, ingebeeld. Maar dankzij een witte plastic saxofoon, een schoolbandje, en een paar vooruitziende managers kwam Bowie toch zelf op het toneel. Hij kon niet altijd zangers vinden die zijn muziek wilden uitvoeren. En zo, tegen zijn natuur in in de schijnwerpers gedwongen, leerde hij zichzelf optreden. In 1967 waren de lessen van (en flirts met) Lindsay Kemp, mimespeler en danser, daarbij het laatste zetje naar de bühne. Hij maakte slim gebruik van zijn androgyne verschijning: spelend met een mix van vrouwelijke en mannelijke bewegingen, wist hij zijn publiek te verwarren en op te winden.

Ook het veranderen van z'n eigen naam was een manier om een 'andere' persoon neer te zetten. Er was al een Davy Jones, een lid van de Monkees. In 1960 had de latere Bowie een film gezien over Jim Bowie, een negentiende-eeuwse kolonel uit het Wilde Westen. In 1965 werd dat zijn artiestennaam.

Films, de breedst toegankelijke 'paralelle universums', speelden uiteraard een belangrijke positie in zijn inspiratiebronnen. Z'n eerste hit kreeg Bowie met 'Space Oddity', een dramatisch verhaal over een ruimtereiziger, Major Tom, die het contact met aarde verliest. De timing van de presentatie, in juli 1969, was natuurlijk heel slim, een week voordat de eerste man op de maan zou staan. Maar het was ook een paar maanden ná de premiere van Stanley Kubricks '2001: A Space Odyssey'. Kubrick zou vaker een inspiratiebron zijn: toen Bowie als de fictionele rockster Ziggy Stardust rondtourde, in 1972, was de kleding geïnspireerd op de kleding van de 'droogs', de gewelddadige jongens uit Kubricks 'Clockwork Orange' uit 1971.

Wat de platenhoezen en andere 'visuele' aankleding betreft, zijn de verwijzingen naar andere kunstenaars minder expliciet, maar wel degelijk aanwezig. In 1964 had Susan Sontag een meteen beroemd geworden essay geschreven over 'Camp', het Amerikaanse cultuurfenomeen waarin kitsch en kunst met elkaar vermengd zijn. Het kan haast niet anders of Bowie - in die tijd een Americanofiel - heeft het artikel, zodra hij zelf beroemd werd als leidraad gebruikt. Sontag ziet het androgyne namelijk als een van meest duidelijke vormen van camp. Ze noemt de ijle figuren van de pre-Rafaëlieten, en Bowie's platenhoes van 'The man who sold the world', uit 1971, wordt een eigentijdse interpretatie van die negentiende-eeuwse stijl. Sontag noemt ook de perfecte schoonheid van Greta Garbo, en zo wordt de platenhoes van 'Hunky Dory', ook in 1971, een Garbo-achtige foto van Bowie.

De marketing van Bowies eerste tours was uitgekookt: Amerikaanse journalisten werden heen en weer gevlogen naar Londen voor één concert. Ook slim - en vast een van de overblijfsels van Bowies reclamebaantje - was het uitdelen van posters tijdens de eerste concerten. Zo kon de zanger ook bij de fans thuis in beeld aanwezig zijn.

Vooruitziende blik

Bowie schrijft zelf zijn teksten en muziek, en komt als eerste met grote decors op het podium. Zoals bij de Diamond Dogstournee in 1974, waarbij Fritz Langs 'Metropolis' uit 1927 als voorbeeld diende. Hij blijft zich vernieuwen, en zet ook zijn eigen schilderpraktijk, waar hij eind jaren zeventig mee begon, verder door: in de jaren negentig heeft hij meerdere tentoonstellingen, en interviewt zelfs andere kunstenaars voor het kunsttijdschrift Modern Painters. Al kan hij het niet laten ook hier aan de haal te gaan met een fictief persoon: op 1 april 1998 gaf Bowie een perspresentatie van een monografie, in zijn beheer uitgegeven, over de 'obscure, jonggestorven kunstenaar Nat Tate (1928-1960)'. Een paar journalisten trapten in de 1-aprilgrap, al hadden ze natuurlijk beter kunnen weten.

Dat hij ook later in zijn carrière steeds een vooruitziende blik heeft, blijkt uit een televisie-interview uit 2000 met Jeremy Paxman. De vraag over waarom Bowie toch blijft doorwerken, terwijl hij nu toch echt wel rijk zal zijn, beantwoordt Bowie eerst bescheiden: hij heeft geen behoefte aan spullen, auto's of huizen, hij wil gewoon dat zijn familie genoeg heeft om te leven. Alleen kunst, dat koopt hij graag, zowel hedendaags als oude kunst. En dan is er natuurlijk het internet.

Paxman reageert een beetje lacherig: wat zou je daar nou mee moeten? Bowie legt uit dat hij enorme mogelijkheden ziet in het medium: kunstenaars kunnen heel eenvoudig hun werk met anderen delen, hoe graag had hij dat niet gewild als tiener? Op Bowieart.com biedt hij de jaren erna veel van zijn eigen kunst, en dat van anderen, te koop aan, in 2007 krijgt hij er een Webby Lifetime Achievement-award voor.

En nu is er dan 'de' tentoonstelling, met de alles- en nietszeggende titel 'David Bowie is'. Met de marketing zit het in elk geval wel weer goed. 'De David Bowie-posters zijn 'iets' te populair', tweette het Groninger Museum op 30 oktober, met foto's van leeggehaalde aanplaklijsten. Ook bijna vijftig jaar na z'n eerste hit willen mensen nog steeds dolgraag een Bowieposter aan de muur hebben.

Bowie is... ...als een sprookjesbos

'David Bowie Is' Groninger Museum *****

Het is ongebruikelijk, een tentoonstelling over een nog levende popster in een kunstmuseum. Maar Bowie is geen doorsnee popster, en het Londense Victoria & Albertmuseum heeft het groots en slim aangepakt, ook op locatie. De oorspronkelijke zalen van het Groninger Museum herken je niet meer in terug: als een ritje in de Efteling volgen de 'totaalbelevingen' elkaar op.

Sta je eerst nog in Bowies jongenskamer, met posters van z'n eerste bandjes en muziek en interviews over zijn kindertijd, één stap door de (denkbeeldige) deur en je zweeft, net als in het liedje, in de wereld van Space Oddity. Praktisch en ingenieus is dat daarbij je koptelefoon dankzij een kastje weet waar je bent, en dus heel precies de juiste muziek bij de soms levensgrote videos kan spelen - het is te hopen dat dat ook bij volle zalen nog goed werkt. Beknopte teksten geven achtergrondinformatie bij foto's, zeldzame filmopnames en films, eerste krabbels voor liedjesteksten en parafernalia zoals de sleutels van Bowies Berlijnse appartement en zijn plattegrond van de U-bahn, allemaal afkomstig uit het David Bowie-archief. Zijn extravagante kostuums staan vaak voor de passende video opgesteld, 'Ja, dit is de echte' staat er nog net niet bij.

Alles bij elkaar een thematisch geordende waterval aan spullen, brieven, beeld, geluid en associaties, laagdrempelig en ook voor de echte fans interessant. Uitsmijter is de ruime zolderzaal waar rondom video's spelen, en grootste hits luid uit de surroundboxen schallen. Het museum wordt een (prijzige) club, koptelefoons kunnen af: hier mag gedanst worden.

'David Bowie Is', is t/m 13 maart 2016 in het Groninger Museum in Groningen. Kaarten kosten 23 euro (10 euro met Museumkaart) kunnen vooraf worden gekocht op www.davidbowie-groningen.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden