'Meer zorg voor gevangenen in het buitenland'

Hoezeer moet de regering zich inspannen voor de 'Van Dammes' van de toekomst? Is het eigen-schuld-dikke-bult, als je met een koffer vol heroïne in een ver land met draconische wetten wordt gepakt? Of is de staat verplicht alles te doen om een onderdaan, schuldig of niet en ongeacht aan welke misdaad, te redden?

Wie de laatste weken de ingezonden brieven in de krant heeft gelezen en de praatprogramma's op de radio heeft gehoord, weet hoe de opinies laveren tussen afschuw over de misdaad (4,3 kilo heroïne in de koffer) en afschuw over de bestraffing (ophanging). Veel Nederlanders vonden dat er in alle drukte om Van Damme, wat al te gemakkelijk voorbij werd gegaan aan het leed dat zijn heroïne veroorzaakt. Zij vonden de inspanningen voor hem niet zo vanzelfsprekend.

Het is dan ook de vraag of een pleidooi voor verbetering van de zorg aan Nederlandse gevangenen in het buitenland nu zoveel sympathie ontmoet. De Stichting Epafras is er niettemin mee gekomen in een brief aan de fractievoorzitters in Den Haag. De voorzitter, E. M. van Zelm, zegt een groot voorstander te zijn van bestraffing van drugsmokkelaars. Het gaat hem er echter om, dat de hulpverlening die voor gevangenen in Nederland nog altijd vanzelfsprekend is, ontbreekt in het buitenland.

“Het gaat bij Nederlanders in het buitenland vaak om drugsdelicten. Dat is niet sympathiek. Maar in de rechtshulpverlening mag je geen onderscheid maken. Een drugsmokkelaar moet op dezelfde hulp kunnen rekenen als bijvoorbeeld een vrachtwagenchauffeur die bij een ongeluk in Turkije betrokken raakt en onschuldig wordt vastgezet. Dat onderscheid maken we in Nederland ook niet. Iedereen heeft recht op een advocaat, op reclassering en andere zaken. De overheid subsidieert die rechtshulpverlening in eigen land. Waarom zou dat niet voor mensen in het buitenland gelden? Bovendien zijn er ook mensen bij die er echt ingeluisd zijn, die onschuldig zijn.”

Epafras werd tien jaar geleden opgericht om gevangenen in het buitenland geestelijke bijstand te bieden. Toen ging het om zo'n driehonderd mensen, nu om meer dan dertienhonderd. De stichting wil zich niet beperken tot het versturen van zeepjes, boeken en kalenders (om de dagen af te strepen), maar probeert gevangenen direct te bereiken met bezoeken en brieven. Omdat er te veel zijn, beperkt zij zich tot de 'noodgevallen'.

Van Damme, die drie jaar geleden in Singapore gearresteerd werd, stond lange tijd niet op het bezoeklijstje van Epafras. Volgens Van Zelm had de stichting zich ervan vergewist dat er bijstand was: de eerste tijd was er een Nederlandse koopvaardijpredikant, later kwam een Duitse dominee bij Van Damme langs, en er was ook een goed contact met de Singaporese gevangenispredikant. Pas toen zijn gratieverzoek was afgewezen, vroeg de laatste om versterking vanuit Nederland. Epafras stuurde zijn 'rondreizende dominee' Joop Spoor naar de Changi-gevangenis in Singapore. Op 16 september ontmoette de dominee de gevangene voor het eerst. De executiedatum, 23 september, was toen al vastgesteld, maar Van Damme zelf zou dat pas drie dagen van tevoren horen.

Spoors missie was louter bedoeld om geestelijke bijstand te verlenen in de laatste dagen voor de executie, zegt Van Zelm. Maar het mondde uit in een laatste, vergeefse, reddingsactie. Spoor meldde zijn voorzitter vanuit Singapore dat Van Damme tijdens het eerste bezoek was begonnen over een rapport van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI). Hij wist dat het bestond en had begrepen dat het zijn verweer ondersteunde: hij zou in de val gelokt kunnen zijn. Maar hij had het document zelf nooit in handen gehad. En Van Dammes advocaat zei dat hij het stuk ook niet kende.

Van Zelm besloot, gesteund door zijn bestuur, dat Epafras nu verder moest gaan dan het verlenen van geestelijke bijstand. “Het rapport moest boven water komen. Zeker in het geval van doodstraf mag er geen twijfel bestaan of een middel onbenut is gebleven. Het was voor ons een puur humanitaire stap.” De Utrechtse advocaat, die zelf geen strafzaken doet, schakelde zijn gewiekste Haagse collega G. Spong in. De eigen middelen waren uitgeput, maar de Bond Zonder Naam bleek bereid financieel bij te dragen - overigens verlangde Spong niet het volle pond, zegt Van Zelm.

Het leidde tot een soort koortsachtige opwinding die niet buiten de muren van de Changi-gevangenis bleef. Bij Van Damme leek hoop te herleven, tot grote ergernis van zijn vertrouweling Guus van Bladel. Hij had hem twee jaar lang trouw bezocht en hoopte dat hij zich zou neerleggen bij zijn lot om zich in rust op zijn einde voor te bereiden. De Nederlandse dominee banjerde zijns inziens dwars door dit delicate proces heen.

Maar Van Zelm zegt dat hij en Spoor slechts gehandeld hebben op verzoek en in het belang van Van Damme. Het rapport kwam op tafel - Epafras had zonodig een kort geding tegen de staat gevoerd, maar zover kwam het niet. De advocaat in Singapore kreeg het vier dagen voor de executie vertaald in handen en besloot het, na overleg met Van Damme, in te zetten voor een laatste clementieverzoek. Zonder resultaat.

Van Zelm heeft er geen spijt van. Nogmaals: “Er mag geen twijfel bestaan of enige informatie, die van nut zou kunnen zijn, beschikbaar was.” Volgens minister Van Mierlo beschikte de verdediging al sinds begin 1993 over het rapport; het was nota bene juist voor de verdediging opgesteld. De voorzitter van Epafras weet niet wie er gelijk heeft: hij heeft alleen uit Singapore het bericht ontvangen dat Van Damme noch zijn advocaat erover beschikte. En dat betekent twijfel.

Voor hem telt dat Van Damme zelf heeft laten weten dat hij er blij mee was. Juridisch heeft het niet mogen baten, maar psychologisch bleek het van belang, omdat hij bevestigd zag dat hij niet zomaar een verhaal had opgedist: ook al was hij een drugsmokkelaar, hij was tenminste ook een 'waardevolle informant' voor de CRI.

De ervaring heeft Epafras ertoe gebracht zich nu tot de Tweede Kamer te wenden met het pleidooi voor meer zorg voor gevangenen in het buitenland. Een gevangene in Nederland valt onder het justitiebestel met alle waarborgen voor een zorgvuldige rechtsgang. In het buitenland is een gevangene afhankelijk van het heersende regime en verkeert hij in een groot isolement, waardoor hij sneller in psychische problemen komt. De ambassade levert consulaire bijstand, maar de diplomaten zijn beperkt in hun ervaring en in hun mandaat. Zij leggen bezoeken af, raden een advocaat aan, maar veel verder kan hun hulp niet gaan. De belangen botsen ook te veel denkt Van Zelm: een diplomaat is er toch om het goede van het land uit te dragen, terwijl een gevangen landgenoot je land een slechte naam bezorgt.

Een gevangene zou behalve op diplomaten ook moeten rekenen op praktische hulp van het bureau buitenland van de reclassering en op geestelijke bijstand van Epafras. Maar zij kunnen niet dertienhonderd gevangenen over de gehele wereld steunen. Bovendien ziet Van Zelm een tekort waarvoor geen enkele voorziening is: de gevangene beschikt vaak niet over de middelen om zich zo goed mogelijk te verdedigen. Hij kan vaak niet beoordelen wat de hem toegewezen advocaat voor hem doet. Hij kan daarom niet goed meedenken en -beslissen over zijn eigen lot.

Om die reden pleit Epafras voor 'procesbewaking' vanuit Nederland. Een bureau van de ministeries van justitie en buitenlandse zaken zou de rechtsgang van Nederlanders in het buitenland moeten volgen en zonodig de verdediging moeten versterken met een Nederlandse advocaat.

Het speelde bij Van Damme. De honorair-consul van Singapore in Nederland, J. Janssen van Raay (tevens Europarlementariër), had het ministerie van buitenlandse zaken vorig jaar een dergelijk advies gegeven. Maar de toenmalige minister Kooijmans vond het overbodig: Van Damme had een goede advocaat.

Van Zelm wil dat ook niet bestrijden: “ De vraag is of Van Damme tijdig heeft kunnen kiezen, of hem alles goed duidelijk is gemaakt. Stel dat er eerder een Nederlandse advocaat was ingeschakeld en het rapport had op tafel gelegen. Dan was de advocaat naar Singapore gereisd om met Van Damme en zijn lokale advocaat te overleggen: gebruiken we het of gebruiken we het niet? Ook een advocaat heeft instructies nodig. Bovendien is er toch altijd een lijn naar Nederland: familie-omstandigheden, de achtergronden van een eerdere veroordeling. Rechters willen dat soort dingen weten.”

Van Zelm denkt dat je niet te veel moet verwachten van stille diplomatie tussen regeringen. Een land dat zijn onafhankelijke rechtspraak zo serieus neemt als Singapore, wekt niet graag de indruk dat vonnissen uiteindelijk door politici weer afgekocht kunnen worden.

“Zolang een zaak nog in handen is van de rechter moet je hem met zoveel mogelijk juridische argumenten bestoken. Daarmee maak je ook duidelijk dat je hun systeem respecteert en volgens hun spelregels opereert. Later kun je altijd nog gratie vragen, maar het is beter om de strijd eerder aan te gaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden