Meer Singaporees dan Nederlander, maar verder gewoon Guus van Bladel

Guus van Bladel staat maandagavond centraal in het tv-programma De Stoel, Nederland 1, 22.00 uur.

Voor de Waalwijker Guus van Bladel is het ontbijt in deze coffeeshop bijna heilig. Zelfs in de tijd dat hij Johannes van Damme - de Nederlander die vorig jaar wegens de smokkel van drugs in Singapore werd opgehangen - bijstond, week hij niet van zijn vaste patroon af. “Deze plek geeft mij rust, er straalt warmte uit en er gebeurt altijd wel iets.”

Even later komen van heinde en verre wel vijftig Chinese mannen. Ze dragen prachtige houten kooien met daarin Mata Puties en zang- en langstaartlijsters. Voorzichtig worden de kleedjes van de kooien gehaald, de vogeltjes ontwaken langzaam.

“Pas hoorden we aan de overkant een enorm lawaai”, haalt Van Bladel een zotte herinnering op. “Bleek dat een python vanuit het groen over de straat was gekronkeld en daar een papegaai had verorberd. Maar dat diertje zat vastgeketend, zodat ook de slang niet meer los kwam. De Chinezen in alle staten, politie erbij, experts van de dierentuin. Ze hebben geprobeerd de papegaai uit het lijf van de slang te persen. Helaas, dat ging dus niet. Uiteindelijk heeft de politie de ketting verbroken en het hele stelletje meegenomen. Ik denk dat die python al om de hoek is doodgeschoten.”

Denk niet dat Guus van Bladel na de episode Van Damme in een zwart gat is geraakt. Maar emotioneel heeft hij er nog altijd moeite mee dat zijn landgenoot de gang naar de strop moest maken.

“Het was een wonderlijke, beladen periode. Ik was bij een man die de dood met rasse schreden naderbij zag komen, terwijl tegelijkertijd alle Nederlandse media over me heen vielen. Ik werd er hartstikke gek van”, blikt hij terug.

“Gedane zaken nemen geen keer en dat geldt ook voor de zaak Van Damme. Dat realiseer ik me gelukkig terdege, al roept de afloop ervan ook nu vraagtekens bij me op. Maar ik heb, en dat is fijn, veel andere dingen te doen. Ik word opgeslokt door heel veel Nederlanders die voor hun werk of vakantie Singapore aandoen en van alles willen weten.”

Oud-voorzitter Renze de Vries van FC Groningen, de acteur Henk van Ulsen, NCRV's Rik Felderhof, de enkele honderden in Singapore wonende Nederlanders, allen weten ze Guus van Bladel, om vaak zeer uiteenlopende redenen, wel te vinden. “Ik vind het prima dat ze bij me aankloppen. Ik ken de weg in Singapore en ben er goed ingeburgerd. Bovendien heb ik zo voortdurend aanspraak, m'n fax en telefoon bewijzen elke dag hoe nuttig ze wel zijn.”

De medemens helpen lijkt een passie voor Van Bladel. Als hoofd van de sociale afdeling van een chemieconcern hielp hij mensen, en toen hij in '76 vanwege een vervelende kwaal naar Singapore verhuisde, blééf hij dat doen. “Het rare is dat ik me destijds had voorgenomen na een jaar weer terug te gaan naar Nederland. Daar is nooit wat van terecht gekomen, ik ben hier automatisch blijven hangen. Nu houd ik van Singapore en hoewel m'n familie me waarschuwt dat ik, vrijgezel, straks 65 wordt en er een moment kan komen dat ik niet meer op eigen benen kan staan, zou ik er heel veel moeite mee hebben om hier weg te gaan. Ik heb in Singapore mijn eigen weg gevonden, heb er mijn kennissen, vrienden en vriendinnen, alles. Wat zou ik dan in Nederland moeten?”

De berichten uit zijn geboorteland stemmen hem bovendien vaak bitter, erkent hij. “Ik erger me naar over alles wat ik hoor en lees van Nederland. Het land is niet wat het zou kùnnen zijn en dan mag er kritiek zijn op de strenge regels en wetten van Singapore, ze werken wèl en de mensen zijn er doorgaans heel gelukkig onder. Neem de drugs. 't Is toch ten hemel schreiend dat er in Nederland bijna 700 000 soft-drugsgebruikers zijn”, vindt Van Bladel, die zelf in Singapore ex-verslaafden begeleidt. “Ik las ook dat het kabinet-Kok van plan is om junks die van de drugs afraken daarvoor in de toekomst te belonen. Ik ben best vervreemd van Nederland, heb in Singapore nu eenmaal met een andere mentaliteit en cultuur te maken, maar dan nog begrip ik niks van zo'n beloning.”

Hij steekt de hand op naar een van zijn Chinese vrienden die de bewegingen van zijn gekooide zanglijster nauwgezet volgt. Het vogeltje wordt wakker en zijn eigenaar is ervan overtuigd, dat de manier waaròp hij dat doet hem vandaag geluk of pech zal brengen. Is de vogel vrolijk, dan zit het goed. Maar heeft hij daarentegen een ochtendhumeur, dan is het de rest van de dag uitkijken, ligt er tegenspoed op de loer.

“Een jaar of wat geleden stond een van de Chinese mannen te juichen, zo goed was zijn zanglijster in vorm”, herinnert Van Bladel zich. “Dit wordt de dag van m'n leven, riep die man. Prompt won hij een paar uur later 100 000 Singaporese dollars, een kleine ton, in de loterij. Dat maakt deze 'vogelarena' serieus, reken maar, want het bijgeloof is groot.”

Een pionier noemt hij zichzelf liever niet. Hij is gewoon Guus Van Bladel, die slechts door een speling van het lot meer Singaporees is dan Nederlander. Soms onzeker, dan weer een stoomwals die van geen ophouden weet. Als hij vermoedt dat de politie een ex-junk wegens hernieuwd druggebruik in een werkkamp heeft gestopt, wil hij de bevestiging daarvan liefst uit de weg gaan.

“Ik kan er slecht tegen, als mensen afglijden. Maar de andere kant van mijn 'ik' is, dat ik strijdvaardig raak, zodra ik vermoed dat ik met een kluitje in het riet word gestuurd. Dan kan ik flink drammen en ga ik door tot de waarheid op tafel ligt.”

Hij verzet regelmatig zijn zinnen door te lunchen in het befaamde Hillmanrestaurant, op z'n Hollands gezegd een uitdragerszooitje, maar gezegend met een goede keuken. Hij lacht wanneer hij zijn Nederlandse gasten ziet tobben met het couvert, dat uit stokjes bestaat. Hij loopt naar de keuken en komt terug met drie gastenboeken, vol visitekaartjes en lovende woorden aan de koks. “Kijk”, veert hij plotseling op. “Dit heeft de broer van Van Damme geschreven. En hier, dat is van een van de prinsen van Oranje, Bernhard ja, de zoon van prinses Margriet en Pieter.”

Zijn gezondheid en de hitte beletten hem aldoor voluit te gaan. Om die reden rust hij 's middags of pakt hij een boek van Gerard Reve, voor hem 'Geert', met wie hij, nog in Nederland, jarenlang een stormachtige relatie onderhield. “Voor mij is die vriendschap een blijvende”, zegt hij vastberaden. “Maar helaas heb ik Geert de laatste twee jaar niet meer gesproken. Hij wordt te zeer afgeschermd en Joop, die hem nu terzijde staat, heeft me gezegd dat ik van de deur word weggetrapt, als ik durf aan te bellen.”

Hij vindt dat Reve om meer redenen niet meer de oude is. “Gerard is verzuurd, schoffeert mensen veel meer dan hij eerst deed. Ik heb hem nog regelmatig geschreven, maar ik denk dat hij mijn brieven niet eens onder ogen krijgt. Ik vermoed dat Joop die weggooit.”

“De laatste jaren is het ook stil geworden rondom Gerard, die ook nog eens ernstig ziek is. Maar ik bewaar fantastische herinneringen aan hem. We zouden met een oud busje eens een soort van huwelijksreis maken naar België en Gerard vond het een goed idee om in een dorpje, midden op het kerkplein, te overnachten. Het was paradijselijk stil, maar nauwelijks sliepen we of de café's sloten. Werd het een sport om op die oude bus te slaan. Gerard zei 'Hier blijven we niet, kom op'. Toen zijn we naar het volgende dorp gereden, hebben we daar op het kerkplein geslapen. Ik zou hem dolgraag nog eens willen ontmoeten, met hem willen praten.”

Hij laat de boekenkast zien met daarin alle werken van en over Reve.

Een tikje somber: “Als ik er niet meer ben, moet die verzameling in stand blijven. Dat is een probleem, want wie onderkent de waarde ervan en aan wie moet ik ze nalaten? Ik ben peetvader van twee Chinese kinderen, maar die hebben niets met Geert en de Nederlandstalige boeken zullen ze bovendien nooit kunnen lezen.”

Er zijn, zegt hij, meer twijfels in zijn leven. Na de dood van Van Damme heeft hij nooit meer iets van diens familie vernomen. “Zo gaat dat, het leven gaat verder, ook na zo'n ingrijpende gebeurtenis. Ik neem niemand iets kwalijk, maar er zijn momenten waarop die stilte pijn doet.”

De telefoon rinkelt en 'ambassadeur' Van Bladel neemt op. Het is de snookerkampioen van Singapore die zich, op reis door Azië, niet goed voelt, terug wil naar de stadstaat. Aan het einde van dat gesprek zegt Van Bladel tegen de kampioen: “Als je me nodig hebt, kun je me bellen. Moet je zeker doen, hoor.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden