Review

'Meer nog dan mijn hoofd is mijn hart leeg'

“Oh! Nee! Niet de kunsten, beste Michel. Word voor mijn part straatveger, maar niet de kunsten, ik smeek je, in naam van je eigen geluk”, schreef Max Jacob op 6 december 1921 aan de jonge Michel Leiris. Die sloeg de wijze raad van de door hem zo bewonderde oude dichter in de wind en deed wat hij niet laten kon: schrijven.

Heel veel talent daarvoor had hij niet, maar het was zijn lot. Het geluk kwam vrijwel uitsluitend in zijn dromen voor. De literatuur, de poëzie vooral, zag hij als een arena waar de dichter de strijd aanbindt met de eeuwig dreigende dood. Als een matador, stijlvol wapperend met zijn muleta, de horens van het monster ontwijkend.

'In de tegenwoordige tijd' heeft weinig van een echt dagboek. Het is een selectie uit de vijf schriften waaraan Leiris (1901-1990) van 1922 tot 1989 op onregelmatige tijden willekeurige overpeinzingen toevertrouwde. Naast de dagelijkse faits divers staat het vol met intieme gedachten op het terrein van liefde en dood, met navertelde dromen, ideeën voor nieuwe boeken, enzovoort.

Aanvankelijk waren de cahiers alleen bestemd voor zijn vrouw, Zette, als een soort testament. Naarmate hij ouder (en bekender) werd, veranderde hij echter voorzichtig van gedachten. In 1979 vroeg hij aan zijn collega Jean Jamin van het Musée de l'homme, waar hij werkte, of deze na Leiris' dood wilde kijken of zijn 'aantekeningencahier', zoals hij het zelf noemde, publicabel was. Jamin en uitgeverij Gallimard zagen het wel zitten.

Het fascinerende van Leiris is dat hij allerlei literaire stromingen in zich verenigt. Vanaf ongeveer 1925 maakt hij deel uit van de surrealistische beweging, totdat hij in 1929 weigert gehoor te geven aan de oekaze van André Breton om artistieke aan politieke revolutie te koppelen, en opstapt. Dat spijt hem niet echt, want hij had al veel eerder geconstateerd dat het surrealisme te weinig evenwicht bood tussen het intellect en het hart.

Uit deze periode stamt zijn gewoonte om dromen te noteren. De curieuze beelden en associaties die de dromen te zien geven, combineert Leiris met een persoonlijke vorm van écriture automatique, waarbij uit een woord een hele serie doorgaans mysterieuze constructies voortvloeit. De titel van zijn roman 'Aurora' (1939) levert dan bijvoorbeeld op: Eau-Ro-Rah/Or aura/Or aux rats/Horo ra/O'Rora. Freud is inderdaad een van zijn grote helden, net als Mallarmé.

Wanneer blijkt dat pure literatuur te weinig soelaas biedt, komt hij via via in de etnografie terecht, en gaat hij gretig in op het verzoek van een collega om deel te nemen aan een expeditie van Dakar naar Djibouti, van 1931 tot 1933. Leiris moet hier een enigszins wetenschappelijk verslag van schrijven, maar concentreert zich op een neerslag van zijn persoonlijke wederwaardigheden. In het vuistdikke 'L'Afrique fantome' (1934) valt zodoende ook te lezen op welke dag hij lekker heeft gegeten, hoe zijn darmen er dan en dan voor staan, of de plaatselijke vrouwen mooie borsten hebben, en dat hij heeft gedroomd over André Breton.

Veel collega-etnografen en recensenten, ongelukkig met het resultaat, maken hem uit voor verrader en masochist. Leiris legt in 'In de tegenwoordige tijd' uit “dat ik door deze subjectiviteit naar haar toppunt te voeren, door me zo particulier, persoonlijk mogelijk te tonen, object word voor de anderen”.

Hij kent alleen zijn treurige ik, 'het weerzinwekkendste individu dat er bestaat', en het is allang mooi als anderen van zijn zelfanalyse kunnen profiteren. De ultieme stap is om, via een hypersubjectieve autobiografie, een echte catharsis te bewerkstelligen, zichzelf te ontstijgen. Een schets hiervoor wordt aangetroffen in het dagboek, onder de titel 'Jeugd van Damocles Siriel' (omkering van Leiris). In het uiteindelijke boek, het prachtige 'L'âge d'homme' (1939), dat begin jaren tachtig als 'Arena' bij De Arbeiderspers verscheen, noemt hij zich een 'maniak van de bekentenis'.

Maar ook dit blijkt niet te voldoen. Begin 1938 noteert hij: “Vals spel van de bekentenis en van de bekentenisliteratuur: wanneer men bekentenissen doet, is dat minder om de waarheid te zeggen dan om het aandoenlijke personage te spelen. Trouwens, men zegt nooit alles. . . Wil er catharsis zijn, dan moet wat men te zeggen heeft een vorm aannemen, buiten het bereik van de psychologie komen. In deze zin biedt alleen de poëzie, de lyriek, de mogelijkheid tot catharsis.”

Dankzij de poëzie kan hij zowel z'n eigen zielenroerselen als het maatschappelijke leven van een afstand bekijken. Met deze constatering wordt het schrijven van een dergelijke poëtische autobiografie zijn levenswerk, dat 'La règle du jeu' gaat heten en in vier delen tussen 1948 en 1976 verschijnt.

Het sterke punt van 'In de tegenwoordige tijd' is de willekeur ervan, gecombineerd met het feit dat het vrijwel het volledige leven van Leiris beslaat. Jaar in jaar uit betrapt hij zichzelf op allerlei onhebbelijkheden en frustraties (overspel, panische angst voor de dood, afnemende viriliteit). Zijn poëtische mechaniek wordt fraai blootgelegd.

Groot minpunt is echter dat hij hoofdzakelijk lijkt te schrijven op momenten dat hij depressief is, met als hoogtepunt de dagen na de zelfmoordpoging van 1957. Een nerveuze natuur vermindert zijn emotionele capaciteiten: “Ik kan van niemand houden, dus houd ik maar van mezelf”, of “Meer nog dan mijn hoofd is mijn hart leeg”, zijn uitspraken die het dagboek bevolken. De narcistische zelfhaat die op gezette tijden hoogtij viert mag dan een ronkende motor zijn voor Leiris' literaire activiteiten, de lezer wordt van deze 400 bladzijden lange blik onder de motorkap niet veel vrolijker.

In de officiële werken van Leiris tilt die motor je op naar hogere, poëtischer oorden, terwijl 'In de tegenwoordige tijd' weinig blauwe vergezichten biedt. Daar komt bij dat de man ook in het dagelijks leven zijn misantropische neigingen wist te sublimeren. Het was een redelijk geëngageerd schrijver. Dat constateert hij ook in het dagboek (“ik ben een bourgeois die min of meer partij kiest voor de arbeiders”), maar het daadwerkelijke engagement is hierin vrijwel onzichtbaar.

Zo was hij lid van het 'Comité de vigilance (waakzaamheid) des intellectuels antifascistes', nam hij deel aan het door Bataille, Caillois en Klossovski opgerichte 'Collège de sociologie', was hij goed bevriend met Sartre en Beauvoir, aan wie hij tijdens de oorlog onderdak verleende en met wie hij het tijdschrift Les Temps Modernes oprichtte, en ondertekende hij in 1960 het befaamde 'Manifest van de 121' ter ondersteuning van de Algerijnse opstandelingen.

Veel hiervan komt in het journaal slechts terloops ter sprake, en dan met name in de noten. Het eindresultaat is een verbrokkeld beeld van een zwaar gefrustreerde, emotie-arme, op zichzelf gefixeerde dichter met licht humanistische trekjes. En dat is jammer, want Leiris heeft veel meer te bieden.

Voor een totaalbeeld moet je een aantal van zijn andere boeken hebben gelezen, en bijvoorbeeld de biografie 'Michel Leiris' van Aliette Armel (Fayard, 1997). Want net zomin als Stravinski zijn eigen composities kon dirigeren, heeft Leiris met 'In de tegenwoordige tijd' een realistisch portret van zichzelf geschilderd. Dat was ook absoluut niet zijn bedoeling, maar de lezer is net als de dichter: op zoek naar waarheid en poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden