Meer inspraak bij benoeming van een nieuwe bisschop

Eind vorige week kwamen progressieve en behoudende katholieken bijeen in Amersfoort. Goed initiatief, vinden twee pleitbezorgers voor kerkvernieuwing. Zij stellen twee punten aan de orde: de procedure bij bisschopsbenoemingen en het priestertekort. De auteurs zijn respectievelijk emeritus hoogleraar sociologie en hoogleraar staats- en bestuursrecht.

WALTER GODDIJN; ERIK JURGENS

In de jaren zestig was er in Nederland ook al veel activiteit op dat punt, uiteindelijk zonder veel resultaat. Het is nuttig aan dit verleden te herinneren, zeker nu in landen als Duitsland, Oostenrijk en de Verenigde Staten grote groepen katholieken zich bijzonder zijn gaan inspannen voor beleidsprioriteiten, die hier dertig jaar geleden al op de agenda stonden. Daarom waren we het ook niet eens met de uitspraak van de nieuwe voorzitter van de Radboudstichting (in een radio-gesprek met Jan Tromp) “dat hij geen behoefte had om in het verleden te graven” om daardoor de zogenaamde verzoening niet te verstoren. Verzoening moet gepaard gaan met het eerlijk onder ogen zien van wat in het verleden is gebeurd, naast de erkenning dat binnen een geloofsgemeenschap - als binnen elke gemeenschap - verscheidenheid en open communicatie mogelijk moet zijn.

Door de ontwikkeling van de liberale democratie in de eeuw die nu ten einde loopt, is er een steeds grotere kloof ontstaan tussen de staatkundige beginselen die de benoemingen in staatsambten beheersen, en de kerkelijke praktijk. De leden van de rooms-katholieke kerkelijke gemeenschap zijn tevens leden van de staatkundige. Zij worden in hun dagelijks leven geconfronteerd met het feit, dat zij doorslaggevende invloed kunnen uitoefenen op benoeming in politieke posten, maar geheel zijn uitgesloten wanneer het gaat om kerkelijke. Dat betreft niet alleen de uitoefening van macht, maar ook de doorzichtigheid van het politieke proces en het openbaar debat daarover. Open procedures van benoeming en openbaarheid van besluitvorming zijn wezenlijke kenmerken van onze liberale democratie geworden. Zij oefenen een even wezenlijke functie uit ter legitimering van overheidsgezag als de formele staatkundige rechten, zoals actief en passief kiesrecht.

In ons staatkundig leven (maar ook in het verenigingsleven, waaraan de katholieke gemeenschap zo rijk is, in semi-openbare situaties en in het bedrijfsleven) bestaat een praktijk die ervoor zorgt dat geen mensen worden benoemd in posities van gezag wanneer voor die benoeming niet redelijkerwijs een draagvlak kan worden gevonden, en dat ambtsdragers niet in functie kunnen blijven wanneer dit draagvlak is uitgehold.

Een kerkelijke praktijk waarbij het kerkvolk geheel wordt gepasseerd bij benoemingen van bisschoppen, waarbij niet duidelijk is welke procedure daarbij wordt gevolgd en wie daarop invloed uitoefent, waarbij een prelaat met diplomatieke status (afgezien van de persoonlijke sympathie voor de huidige functionaris) een onduidelijke maar belangrijke rol speelt en de beslissing tenslotte ex cathedra vanuit Vaticaanstad dwingend wordt opgelegd is dan ook, in vergelijking met wat wij Nederlanders bij gezagsuitoefening terecht normaal zijn gaan vinden, voor de Nederlandse samenleving een vreemd en ergernisgevend element.

Terugkeer naar oudere vormen - waarbij bijvoorbeeld een representatief samengesteld kapittel (het bestuur van een bisdom - red.), een doorslaggevende invloed heeft - zou beter aansluiten bij onze beleving van gezagsuitoefening, en bij de daarbij horende benoemingen. Een vergelijking wordt dan mogelijk met de rol van de provinciale staten en gemeenteraden bij de benoeming van commissarissen der koningin en burgemeesters. Ook de rol die vertrouwenscommissies daarbij spelen is navolgbaar, omdat deze kunnen zorgen voor die mate van geheimhouding die bij de benoeming van personen nodig is ter bescherming van hun persoonlijke levenssfeer.

De procedure van benoeming kan tevoren duidelijk zijn, een ieder kan de gelegenheid hebben om kandidaten te stellen, vertrouwenscommissie en kapittel kunnen een openhartige beraadslaging houden. Het resultaat wordt ter formele bekrachtiging voorgelegd aan de eerste der bisschoppen, in Rome, op dezelfde wijze als een burgemeestersbenoeming bij ons een handtekening behoeft onder een koninklijk besluit.

Het is ons niet duidelijk waarom wij niet gewoon als zodanig te werk gaan, zodra, zoals dit jaar in Den Bosch het geval zal zijn, een vacature valt. Ook naar kerkelijk recht is het bisdom de bestuurlijke kern van het systeem.

Een tweede kwestie is de verruiming van de ambtsbediening. Met grote zorg hebben de bisschoppen onder leiding van kardinaal B. Alfrink, 27 jaar geleden al, de verplichte koppeling tussen de celibataire levensstaat en het priesterambt besproken. Zij kwamen, na overleg met de geestelijke leiders van de priester-religieuzen in ons land, tot de volgende mening: hun geloofsgemeenschap zou “ermee gebaat zijn als naast het in duidelijke vrijheid gekozen celibataire priesterschap in de Latijnse kerk - de kerk van het Oosten kent gehuwde priesters - de gehuwde priester toegelaten zou kunnen worden, doordat gehuwden tot priester worden gewijd en doordat in speciale gevallen priesters die in het huwelijk zijn getreden onder bepaalde voorwaarden in de ambtsbediening worden hersteld.” De toenmalige Paus Paulus VI en de Romeinse curie durfden dit nieuwe beleid niet aan en een bisschoppensynode verwierp met een geringe meerderheid voorstellen in die richting (1971). Thans zijn er vooraanstaande prelaten in heel de wereld, die deze discussie opnieuw willen aangaan.

Ondanks de pogingen om voldoende nieuwe priesters te wijden, is het priestertekort in ons land schrijnend. In het zittende episcopaat is geen gemeenschappelijk beleid.

Wanneer er nu een serieus priester-onderzoek zou worden gedaan, zoals indertijd onder leiding van dr. J. van Kemenade, nu commissaris van de koningin in Noord-Holland, eventueel met de inspectie volksgezondheid, zou het personeelsbeleid van de bisschoppen in ons land zwaar onder kritiek komen te staan.

Nog steeds zijn bewegingen die de post-Vaticaanse vernieuwing willen doorzetten, zoals de Mariënburg-beweging (1983) - gesteund door de schrijvers van dit artikel - en de daaropvolgende Acht Mei-beweging niet officieel kerkelijk erkend. Tegenbewegingen werden wel erkend doordat bisschoppen frequent aan hun bijeenkomsten deelnamen. Theologen spreken van een 'post-democratiserings-depressie'. Als gelovigen zich gaan uitspreken blijft die depressie ons bespaard.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden