Meer dan de zetbaas van de echte leider

Bondige biografie plaatst Ruijs kundig in zijn tijd, op een paar slordigheidjes na

Na de verkiezingsoverwinning van 1929 trokken aanhangers van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) euforisch door de straten van Amsterdam. Ze zongen: "Van je hela, hola, Ruijs, die zit erin." Ze kregen gelijk. Weldra formeerde jonkheer Charles Ruijs de Beerenbrouck zijn derde kabinet. Hij was op dat moment de machtigste man van Nederland.

Wie had dat elf jaar eerder durven denken? Ja, Ruijs was voor het eerst minister-president geworden, maar weinigen zagen in hem een bestuurder van formaat. In de ogen van velen was hij te katholiek, te Limburgs, te fanatiek en te rechts. Was Ruijs bovendien niet de trekpop van de echte politiek leider van de katholieken, Willem Nolens? Die zou een zetbaas nodig hebben, omdat hij zelf als priester onmogelijk premier kon worden.

Frans Verhagen gaf zijn biografie van Ruijs de titel 'Toen de katholieken Nederland veroverden'. Terecht. Met het kabinet-Ruijs kregen de roomsen een spilfunctie in de vaderlandse politiek, een positie die ze pas voor het eerst weer af moesten geven na het laatste kabinet-Lubbers, 76 jaar later.

Ruijs was tot Lubbers zijn record verbrak de langstzittende premier van Nederland (10 jaar en 253 dagen tegen 11 jaar en 291 dagen). Maar terwijl zo'n beetje elke Nederlandse minister-president uit de twintigste eeuw een biografie kreeg, bleef de Limburgse edelman zonder.

Veel historici en andere deskundigen vonden hem weinig interessant, een beetje een tweederangs politicus. Daartegenover stond, vooral in katholieke kring, een ander hardnekkig beeld: dat van de gigant die de katholieken in het centrum van de politieke macht had gebracht en gehouden.

Hoog tijd, vond Verhagen, om tegenover die twee karikaturen een evenwichtiger beeld te zetten. Ruijs is een beetje een familiedingetje. De vader van de auteur schreef zijn proefschrift over de formatie van het eerste kabinet-Ruijs. De grootvader van moeders kant, RKSP-politicus Frans Teulings, werkte in Den Haag nauw samen met de katholieke premier.

Frans Verhagen laat zien hoe Ruijs als telg van een adellijk bestuurdersgeslacht min of meer vond dat de macht hem toekwam. Die houding en de positie als 'zoontje van' maakten dat het aanvankelijk nog een hele toer voor was hem om verkozen te worden.

Regent mocht Ruijs dan ongeveer bij geboorte zijn, een fervent student werd hij nooit. "Zo geleerd als die ben ik niet", zei de premier als hij in het Torentje wees naar het portret van zijn liberale voorganger Thorbecke. Details van dossiers waren niet zo aan hem besteed. In de Kamer was Ruijs een matig spreker. Als er echt gedebatteerd ging worden, had hij het niet altijd makkelijk. Maar de jonkheer kwam als man van de grote lijn goed tot zijn recht als voorzitter van ministerraden en andere vergaderingen. Dankzij doelgerichtheid, pragmatisme, soms opportunisme en het goed doorgronden van het machtsspel kon hij tussen 1918 en 1925 en tussen 1929-1933 het hoogste politieke ambt bekleden.

Als minister-president van alle Nederlanders manifesteerde hij zich niet al te nadrukkelijk als katholiek. Antipapistische sentimenten zouden zijn partij en hemzelf maar belemmeren in hun werk. Hij slaagde in wat hij zijn belangrijkste opdracht vond: het politiek bijeenhouden van het katholieke volksdeel. En hij hielp een dam opwerpen tegen 'het socialistische gevaar'. In zijn jonge jaren als raadslid in Maastricht was hij betiteld als 'rode jonker'. Maar zijn inspanningen voor sociale hervormingen, die ook onder zijn premierschap vorm kregen, kwamen niet zozeer voort uit menslievendheid, eerder uit angst voor de SDAP en aanverwante revolutionairen.

De geslepen politicus riep in de loop der jaren wel steeds meer ressentiment op. Politieke vrienden had Ruijs hoe langer hoe minder. De laatste vier jaar als premier waren zijn minste. Het lukte hem niet om een goed antwoord op de grote economische crisis te formuleren. Dezelfde flexibiliteit die lang zijn kracht was, zagen velen nu aan voor nonchalance.

Verhagen heeft een vol leven kundig in zijn tijd geplaatst en in een bondige biografie vervat. Een aantal slordigheden (de jonge Ruijs woonde in de Maastrichtse Bredestraat en niet in de Breestraat, de latere minister van buitenlandse zaken heette Beyen en niet Van Beyen) zijn smetjes op dit boek.

Frans Verhagen: Toen de katholieken Nederland veroverden. Charles Ruijs de Beerenbrouck 1873-1936 Boom; 406 blz. euro 29,90

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden