Meelopers of dwarsliggers: was het maar zo simpel

De auteur is gereformeerd predikant.

Wee degene, zo bleek onlangs uit deze krant (Podium, 6 maart) die hen te na komt. In hetzelfde nummer was de rede van Lea Dasberg opgenomen. In haar pedagogische lessen blijkt de ethiek een voorname rol te spelen. Aan de eetkamertafel behoren de ethische vragen besproken te worden.

Een ouder met opgroeiende jongeren die deze les opvolgt, zal al gauw ontdekken dat haar of zijn kinderen haarfijn het verschil tussen vroeger en nu aanvoelen. Vroeger was vroeger en nu is nu. Het is jammer dat Lea Dasberg dit onderscheid niet, of onvoldoende, maakt. Nu wordt de indruk gewekt dat wat nu geldt, ook vroeger gold. En zo is het dus niet.

Lea Dasberg sprak haar rede uit in het jubileumjaar van Trouw. Terecht komt zij op voor het begrip 'trouw'. Het lijkt mij, dat dit ook betekent dat we trouw moeten zijn aan het verleden. Trouw aan het verleden betekent niet, dat we de motieven van de medewerksters en medewerkers aan het illegale Trouw idealiseren. Zij hebben er wel recht op dat hun motieven betrouwbaar weergegeven worden.

Overheid

Terecht grijpt Lea Dasberg terug op de zestiende eeuw. Dat deden de mensen rond het illegale Trouw ook. In dat verleden waren elementen te vinden, die hen behulpzaam waren bij het vinden van een houding. Zij formuleerden hun probleem echter niet als een ethisch probleem. Niet de moraal maar de leer stond op het spel. De vraag die grote groepen gereformeerden gedurende de gehele bezetting bezighield was die naar de wettige overheid. Indien de bezetter wettige overheid zou zijn, dan moest men deze gehoorzamen.

Voor die gereformeerden bestond er geen moreel dilemma tussen het gehoorzamen van het gezag en het redden van vervolgden. Het kan in onze ogen wel dwaas zijn, maar zij putten zich uit in leerstellige beschouwingen over de aard van het gezag.

Het lag ook voor de hand dat zij dit deden, want met deze wijze van redeneren waren zij van huis uit vertrouwd. Antirevolutionair, principieel tegenstander van iedere vorm van omwenteling. Tegelijk nazaten van de geuzen, die een van de grootste omwentelingen uit het politieke en maatschappelijke leven van ons land veroorzaakt hadden.

Het lag te meer voor de hand omdat er in de jaren twintig en dertig hernieuwde aandacht voor dat verleden was. Na de Eerste Wereldoorlog vond in vele landen een omwenteling plaats. Juist onder de Oranje-gezinden in ons land bestond grote vrees dat de revolutie geen halt zou houden voor de Nederlandse grenzen. Ook in die situatie greep men op de zestiende eeuw terug. Zo schreef de VUhoogleraar A. A. van Schelven een brochure over het 'Heilig Recht van Opstand'.

Uitvoerig gaf hij de gedachten weer, die leefden in de kring rond de hervormer Calvijn. Volgens Van Schelven hield men in die kring rekening met de mogelijkheid dat het gezag van een wettig vorst zou ontaarden. In dat geval bestonden voor een burger van dat land slechts twee mogelijkheden: dulden of emigreren. Het kon "nooit zoo ver komen, dat de particuliere burger recht tot verzet krijgt" ! Het recht om in opstand te komen kwam uitsluitend toe aan de hoogwaardigheidsbekleders of de wettig gekozen volksvertegenwoordigers van dat lanad. Voor hen was dat recht zelfs een heilige plicht. Volgens Calvijn zelf zou de individuele staatsburger als regel geen recht hebben op actief verzet tegen de overheid. De Geneefse hervormer erkende echter, dat er uitzonderingen op deze regel bestonden. Er waren situaties, waarin de burger wel degelijk verzetsrecht had.

Voor ons lijken deze redeneringen wezensvreemd. We kunnen er schouderophalend aan voorbijgaan, of ze af doen als rationalisaties. We miskennen dan de hartstocht waarmee tijdens de bezetting werd gediscussieerd.

Uitgerekend de eerste hoofdredacteur van Trouw, J. A. H. J. S. Bruins Slot, leverde een wezenlijke bijdrage aan deze discussie. Hij schreef een pamflet, dat op grote schaal werd verspreid. Zijn eerste vraag was: kunnen wij, op grond van de Schrift weten of er gehoorzaamheidsplicht bestaat jegens de bezettende macht? Het antwoord op die vraag was ondermeer te vinden in Romeinen 13, maar ook bij Calvijn en Groen van Prinsterer.

Volgens Bruins Slot bestond er niet slechts een gehoorzaamheidsplicht, maar ook een ongehoorzaamheidsplicht: "gehoorzaamheid moet ophouden waar men voor den plicht komt te staan Gode meer gehoorzaam te zijn dan de menschen" . Nadrukkelijk verwees hij hierbij naar de zestiende eeuwse publikatie, die Van Schelven had besproken.

Rechtsorde

Na een korte bespreking van Romeinen 13 kwam Bruins Slot tot de vraag: "Is de bezettende macht in Nederland te beschouwen als feitelijk drager van het Overheidsambt in een geldende rechtsorde?" Zijn stelling was, dat de Bijbel op deze vraag geen uitsluitsel gaf. Dit was ook niet nodig, omdat de Bijbel geen wetboek was. Elders was een eenduidig antwoord te vinden: "Het is zonder meer duidelijk, dat naar geldend Nederlandsch recht, de regeering van H.M. de Koningin feitelijk draagster van het Overheidsambt is" . Op grond van Romeinen 13 was iedereen volgens Bruins Slot verplicht die regering te gehoorzamen. Om de bezettende macht te typeren gaf Bruins Slot een lang citaat uit Groen van Prinsterer, die onder andere sprak over den gekroonde roover'. Die uitdrukking werd de titel die men later aan dit pamflet gaf. Volgens Groen was men niet verplicht om "den gekroonden roover, die gisteren den wettigen Vorst verjaagd heeft, heden als eene, van God verordineerde magt te beschouwen" .

Bruins Slots eigen conclusie was: "Gehoorzaamheidsplicht is er dus niet. Men mag gehoorzamen in zooverre men daardoor niet ongehoorzaam en ontrouw wordt aan zijn wettige Overheid" .

Achteraf vond ook Bruins Slot het een wat gekunsteld verhaal. Maar dat was ook in zijn geval achteraf. Tijdens de bezetting was het noodzakelijk dat dit verhaal geschreven werd. Ondermeer omdat de zoon van Abraham Kuyper meende, dat de bezettende macht wel de wettige overheid was.

De wettige overheid stond ook op het spel bij de vraag, die Lea Dasberg aan de bezettingstijd ontleent. Mocht men een NSB-er doden, die op weg was om onderduikers te verraden? Velen uit die tijd hadden niet de ingewikkeld ethische redenering nodig, die Lea Dasberg geeft. Een deel van hen zei hartgrondig ja; een ander deel zei even hartgrondig nee. Voor het afwijzende standpunt beriep men zich opnieuw op de wettige overheid. De zwaardmacht kwam uitsluitend aan de regering in Londen toe; deze zou na de bevrijding het verraad bestraffen. Wie nu uit welke motieven dan ook een verrader doodde, trad in de recht van die overheid.

Meelopers en dwarsliggers, was het leven maar zo simpel. Mensen rondom Trouw werden geen verzetsman of -vrouw, omdat ze dwarsliggers waren. Terecht vroeg Lea Dasberg aandacht voor het levensbeschouwelijke aspect van het Trouw-verzet. Eens temeer blijkt hoe moeilijk het voor een buitenstaander is om aan dat levensbeschouwelijk aspect recht te doen.

Misschien is daarom de term 'joods-christelijke levensbeschouwing' zo misleidend omdat het om twee verschillende wijzen van zien gaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden