Meedogenloze ambitie is verdwenen

(Trouw) Beeld
(Trouw)

De afstand is gelijk gebleven, de benadering veranderd. Ofschoon hardlopen in Nederland groeit en bloeit, is het niveau op de marathon dramatisch gedaald.

Van vrijwel niets is lopen in de afgelopen vijftig jaar uitgegroeid tot een massale bezigheid. Elke sportbond zou een moord doen voor een dergelijke ontwikkeling, waar een onafzienbaar brede basis wel moet leiden tot een hoogwaardige top.

Niets is minder waar op de klassieke olympische loopafstand, de marathon. In de jaren tachtig leidden sensationele prestaties van Gerard Nijboer de eerste loopgolf in. Samen met andere eigenzinnige tijdgenoten leverde Nijboer in de nationale klassiekers boeiende gevechten. Internationaal succes bleef niet uit.

Daarna lijkt het alsof de Nederlandse toplopers zijn overweldigd door de recreatieve massa. Het boek ’Helden van de 42 kilometer, een halve eeuw Nederlandse marathoncultuur’ schetst aan de hand van zestien interviews met recordhouders, nationale kampioenen en trainers een beeld van twee tijdperken. Het verleden met de successen die onder moeilijke omstandigheden tot stand kwamen. En het heden dat ondanks geweldige mogelijkheden van glorie is gespeend.

De auteurs Barbara Kerkhof en Cors van den Brink zeggen de vraag of vroeger alles beter was niet te kunnen beantwoorden. Duidelijk is dat hardlopen anders was. Zeker moeilijker, omdat niet alleen afstand en concurrentie moest worden bevochten. Wie hardliep had een klap van de molen gehad, ontbeerde geld en faciliteiten en moest het enorme tijdsbeslag combineren met een baan. Of er was een partner die zich opofferde.

Natuurlijk, met de opkomst van de Afrikaanse natuurlopers is de concurrentie groter geworden. Dat zou een uitdaging kunnen zijn om met alle faciliteiten van nu de strijd aan te gaan. Maar het tegendeel is waar is. De nationale kwaliteit is schrikbarend achteruitgehold.

Een eenvoudige grafiek in het boek maakt duidelijk hoe erg het is. In 1985 liepen de beste tien Nederlandse mannen een gemiddelde marathontijd van 2.15.10 uur. Sindsdien is die tijd opgelopen tot 2.20.34 in 2005. Internationaal is de ontwikkeling omgekeerd evenredig. In seizoen ’85 liepen acht mannen een tijd onder de 2.09. Vorig jaar waren dat er 58.

Een Nederlands record van Kamiel Maase, de laatste der helden, maakt het beeld voor 2007 iets draaglijker. Maar Maase is gestopt, hij koos voor een gezin met kinderen. Die keuze plegen toplopers en -loopsters vanwege hun loopcarrière pas laat te maken. Als die al wordt gemaakt.

Bij de vrouwen eenzelfde beeld, al lopen zij pas vanaf 1980 georganiseerd marathons. In topjaar 1990 lopen de beste tien vrouwen gemiddeld 2.41.04. Tien jaar later is die tijd met tweeënhalve minuut opgelopen. Hier is het toekomstbeeld gunstiger. Carla Beurskens en Marja Wokke, de internationale toppers van weleer, hebben opvolgers in loopsters van Keniaanse afkomst, Lornah Kiplagat en Hilda Kibet.

Halve en hele marathons zijn massa-evenementen geworden voor recreatieve lopers. Hun belevingswereld staat ver af van die van de ’solitaire’ toppers. Dat zijn vaak oud-teamsporters die zich tot lopen bekeerden om niet afhankelijk van anderen te zijn.

De auteurs concluderen uit de interviews dat topatleten „meedogenloos ambitieus” zijn in het stellen van hoge doelen voor de langere termijn. De lopers geven vaak toe dat ze eigenzinnig en moeilijk trainbaar waren. Ze zochten zelf de internationale concurrentie op, niet alleen om te strijden maar ook om kennis te vergaren.

In die goede oude tijd was marathonlopen een opoffering. Voor een trainingsweek tot wel 300 kilometer is een gestructureerd leven nodig. Geld en faciliteiten waren er niet. En als er wat start- of prijzengeld was te verdienen, moest dat in het geniep om de amateurstatus niet te verliezen.

Een rode draad die door de interviews loopt, is de conclusie dat die armzalige omstandigheden in combinatie met passie voor lopen doorzettingsvermogen kweekte. Deze verbondenheid bracht de ’eenlingen’ bijeen.

Gezamenlijke trainingskampen waren eerder regel dan uitzondering. Gezien de smakelijke anekdotes bij de boekpresentatie – een reünie van de geïnterviewden die vrijwel allemaal nog bij het lopen betrokken zijn – is het destijds naast afzien ook genieten geweest. „De saamhorigheid is helaas verdwenen”, concluderen oud-bondscoaches Bob Boverman en Wim Verhoorn.

Verhoorn stond in de jaren tachtig bekend als de regelneef, een titel die hij nog altijd als „eervol” beschouwt. Verhoorn was trainer, organisator, coach, masseur en kok tegelijkertijd. In het buitenland inspecteerde hij persoonlijk de keuken, of zorgde voor horren tegen muggen.

Sportvoeding en drankjes bestonden niet, Verhoorn schotelde zijn selectie babyvoeding voor. Hoogtestages in Kenia waren er niet; Verhoorn regelde ’s winters indoortrainingen in een bloemenveiling met een gratis kop soep. Dankzij zijn internationale netwerk had hij een gevulde ’zak van Sinterklaas’ met uitnodigingen voor buitenlandse wedstrijden. „Ik deed alles, ’s avonds zag ik het plafond soms boven me op en neer gaan.”

In de beleving van Boverman en Verhoorn is ook hardlopen een teamsport. Tegenwoordig ziet zij eenlingen die hun eigen weg gaan. In de huidige „hele schrale situatie” aarzelt Verhoorn niet om naar wedstrijdorganisatoren te wijzen. Die kopen zo massaal Afrikanen in dat er voor Nederlanders geen eer meer is te behalen. En juist die podiumplaatsen in eigen land worden door de oude helden als stimulans genoemd om verder te komen.

Verhoorn wijst ook naar de huidige generatie atleten: „Ik vrees dat er ook sprake is van een zekere decadentie. Voor een marathoncarrière is passie een eerste vereiste en ik zie minder lopers die er echt voor willen gaan.”

Gerard Nijboer zette alles opzij voor een topmarathon. Hij werd er, in combinatie met een halve baan als sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, Europees kampioen mee, Europees recordhouder en vice-olympisch kampioen. Hij moest er, zo concludeert hij, een asociaal leven voor lijden. „Voor mij was het een onderdeel van mijn bestaan als topsporter dat ik altijd mijn eigen keuzes maakte en anderen voor mijn karretje spande.”

Eind jaren ’90 werd Nijboer (tot 2004) bondscoach bij de atletiekunie. Zijn eerste kennismaking was een ontluistering. „Ik verwachtte dat iedereen net zo egocentrisch en doelgericht bezig was als ik. Maar toen ik inzage kreeg in de trainingsplannen dacht ik bij de meesten: dat kan nooit wat worden. Er sprak geen visie uit, er was geen focus.”

Het werd een kansloze missie. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In september trad Nijboer opnieuw in dienst van de Knau, om als coördinator wegatletiek een hoofdstuk met nieuwe helden te schrijven.

Cors van de Brink & Barbara Kerkhof: Helden van de 42 kilometer, Een halve eeuw Nederlandse marathoncultuur. Uitgeverij De Arbeiderspers/Het Sporthuis. ISBN 9789029571807; 219 blz. euro 18,50

(Trouw) Beeld
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden