Medemblik blieft geen Opperdoezer met boter

Twee buurdorpen: het ene katholiek, het andere protestants. Is er nog steeds rivaliteit? Trouw onderzoekt het. Vandaag deel 5 en slot: Opperdoes en Medemblik. Hoe de Medemblikkers hun ruige buren zagen veranderen in rechtzinnige ’fijnen’, die ze toch enigszins achterlijk vonden.

Gerrit-Jan KleinJan

Opperdoes is vooral bekend van de gelijknamige vastkokende aardappel, maar het dorp staat ook te boek als een orthodox-protestantse enclave.

Wij houden hier de zondagsrust in ere, antwoorden inwoners op de vraag hoe een buitenstaander kan merken dat hij in een christelijk dorp is. Wanneer iemand op de rustdag een ratelende grasmaaier door zijn voortuin duwt, vertellen ze erbij, fronsen de dorpelingen de wenkbrauwen.

Het tuindersdorp zou wat betreft kerkelijke kleur, gesloten dorpse gemeenschap en koningsgezindheid moeiteloos op de bible belt passen, de bijbelgordel die diagonaal door Nederland loopt, van Zeeland tot en met de kop van Overijssel. Maar daar ligt Opperdoes niet. Het bevindt zich, curieus genoeg, in een van de meest geseculariseerde provincies van Nederland: Noord-Holland.

In religieus opzicht is Opperdoes een soort Asterix en Obelix-dorp. Samen met Andijk is het protestantse dorpje (1900 inwoners, vier kerkgenootschappen) een religieuze enclave in West-Friesland.

Wie Opperdoes aan de noordkant via de Almersdorperweg verlaat en naar rechts kijkt, ziet de skyline van het naburige stadje: een molen, twee kerktorens en een appartementencomplex. In Medemblik, want die plaats is het, waait een andere wind.

Waar hervormd en gereformeerd Opperdoes nog steeds een PKN-gemeente ’in wording’ is, komen beide stromingen in Medemblik al bijna twintig jaar samen in hetzelfde gebouw, de oude Bonifaciuskerk.

„Er is destijds een aantal gereformeerde gezinnen vertrokken. Die vonden het hier te licht worden”, zegt Anneke Schenk (65), terwijl ze op een rietgedekte stoel in ’haar’ Bonifaciuskerk plaatsneemt. Ze doet regelmatig vrijwilligerswerk in het historische gebouw. Ook nu. Ze past op een expositie van stenen en glazen sculpturen. Schenk: „Die gezinnen kerken nu in Opperdoes.”

Schenk noemt moeiteloos een in het oog springend verschil. „Wij zijn minder dogmatisch. We hebben regelmatig oecumenische diensten met de katholieken.”

Strijd woedt er evenwel niet meer tussen de plaatsen. Dat was vroeger wel anders, weet Jan van Bergen (76), ook vrijwilliger in de kerk. Hij komt er even bij staan. „Vroeger ja, toen was er strijd. Toen ik een jaar of vijftien was, wachtten jongens uit Opperdoes en Medemblik elkaar op.”

„Rechtzinnige enclave in donker Noord-Holland, zeiden ze vroeger”, zegt Jan Smit (54) over zijn geboortedorp. Hij is actief in de stichting Historisch Opperdoes, net als zijn vrouw Marijke (53) en Tiny Morsink (59). „Van Opperdoes wordt gezegd: ’dat is zo’n christelijk dorp waar op zondag niets gebeurt’,” vertelt Morsink. Het is maar net hoe je bekijkt, voegt ze er vlug aan toe: „Ben je op zondagochtend in het dorp, dan zie je dat het er vol met mensen is die naar de kerk gaan.”

De bezoeker die een wandeling door het schilderachtige dorp maakt, ontdekt dat de vier kerkgenootschappen hun bedehuis op een steenworp afstand van elkaar hebben gebouwd. Twee kerken liggen zelfs recht tegenover elkaar, aan weerszijden van een klinkerstraatje. Als de kerkgangers van de gereformeerde gemeente op zondag op dreef zijn, weerkaatst hun niet-ritmisch psalmgezang tegen het vensterglas van de zestiende-eeuwse hervormde kerk.

In Medemblik overheerst, anders dan in Opperdoes, sinds jaar en dag geen enkele kerkelijke stroming. Het stadje geldt als katholiek, maar de laatste honderd jaar hebben de katholieken nooit meer dan de helft van de bevolking uitgemaakt. Nu staat nog zo’n kwart van de inwoners in het register van de katholieke kerk.

In de jaren twintig en dertig trokken er onkerkelijken het havenstadje binnen. Arbeiders – communisten en socialisten – die de Zuiderzee kwamen afsluiten en gedeeltelijk inpolderen.

Medemblik is een vergaarbak van alles wat er in West-Friesland te vinden is. De wijde omgeving is van oudsher een lappendeken van onkerkelijken, katholieken, doopsgezinden, gereformeerden en hervormden. In de havenplaats en in de meeste omliggende dorpen is het aantal kerkgangers niet groot, concludeerde G. Huizinga in 1940. Huizinga deed de jaren ervoor onderzoek voor de ’Stichting voor het bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders’.

Uit zijn boek – ’Medemblik, inzonderheid in verband met de Zuiderzeewerken’ – blijkt dat de behoudende protestanten in de regio ook toen al met een scheef oog werden bekeken. Een citaat: „De orthodoxen onder hen pleegt men samen te vatten onder de naam ’fijnen’, een enigszins ’achterlijk’ groepje. Zij worden in hun opvattingen geëerbiedigd, maar hun betrouwbaarheid wordt wel eens in twijfel getrokken”.

Hoe kan het dat op het akkerland van Opperdoes een monocultuur van orthodox protestantisme is ontstaan? Daarvoor moeten we bijna tweehonderd jaar terug in de tijd. Jan Smit vertelt dat het dorp, net als veel andere Noord-Hollandse dorpen, tot en met het midden van de negentiende eeuw kerkelijk als zeer onverschillig te boek stond. De onkerkelijkheid ging hand in hand met een ruige levensstijl. Smit: „Daaraan dankt Opperdoes tot de dag van vandaag de bijnaam ’Klein-Turkije’.”

Alles veranderde toen de navolgers van Jan Mazereeuw greep kregen op het dorp. Mazereeuw, landbouwer in Opperdoes, beschouwde zich als de laatste grote profeet die verkondigde dat de wederkomst van Jezus Christus aanstaande was. Hoewel de boeren onheilsprediker zelf nooit meer dan enkele tientallen aanhangers in het dorp had, was zijn invloed groot, vertelt Smit. „Vooral op de rechtzinnige manier waarop het geloof beleefd werd. Boetedoening en inkeer speelden daarin een grote rol.”

Orthodox dat is Opperdoes nog steeds. De ’echte’ zwartekousenkerk, de strenge gereformeerde gemeente, is overigens maar klein (ongeveer tachtig leden) en trekt vooral volk uit de omgeving. Toch zijn ook de twee grootste kerkgenootschappen (christelijk en synodaal gereformeerd) in het dorp behoudend te noemen, zegt Smit, die zelf hervormd is.

Ook voor Opperdoes geldt de vuistregel: hoe orthodoxer, hoe voller de kerk. Zo heeft de gereformeerde kerk vooral veel papieren leden en is de tweede dienst afgeschaft. De christelijk gereformeerde kerk trekt nog wel volle kerken, twee keer per zondag.

De kerkmuren mogen dan nog fier overeind staan in het tuindersdorp, maar ’over het geloof wordt hier onderling niet gediscussieerd’. Opperdoezers zijn geen grote praters, zegt het echtpaar Smit. Jan Smit: „In het dagelijks leven heb je het er niet over, maar ’s zondags zoekt iedereen zijn eigen kerk op.”

Medemblikkers praten makkelijker over het geloof. Ook Lia Bot. Ze doet veel vrijwilligerswerk in de katholieke Sint Martinuskerk. Ze leidt er onder meer gebedswakes ter nagedachtenis aan overledenen.

„Ik ben hier graag”, zegt ze in de neogotische kerk die in 1903 in gebruik is genomen. „Hier kan ik lekker mijmeren.” Bot (65) snuift de wierookgeur op die nog onder de bakstenen gewelven hangt van de uitvaartplechtigheid een uurtje ervoor. Kijkend naar een heiligenbeeld: „De symboliek hier spreekt me aan.”

Toen ze 25 jaar geleden actief werd in de parochie, zaten de twee vieringen iedere zondagochtend vol. Nu komen er nog zo’n tachtig mensen het bed uit. „Zit ik in de kerk, dan heb ik acht of negen lege banken voor me. Ik heb niet meer het gevoel in een gemeenschap te zitten.”

Als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand sluit Bot regelmatig huwelijken. Ook van stellen uit Opperdoes. Het valt haar op dat de mentaliteit van de dorpelingen anders is. „Vroeger was het al zo dat er in Opperdoes niets mocht en niets kon. Dat is minder geworden, maar nog steeds heb je jonge mensen die pas op de huwelijksdag bij elkaar gaan wonen. Dat heb je in Medemblik niet meer.”

Opperdoes heeft meer wat Medemblik niet heeft. Zo gereformeerd als Opperdoes is, zo koningsgezind is het ook. ’Klein-Turkije’ is niet de enige bijnaam die het dorp rijk is, ’Oranjedorp’ is de ander. „Iedereen hangt hier de vlag uit met Koninginnedag”, zegt Anneke Boot (57), bestuurslid van de Oranjevereniging in Opperdoes, om aan te geven hoe pro-oranje het dorp is.

„Ook is er elk jaar een optocht, met het fanfarekorps voorop. Eens in de vijf jaar versiert iedereen de straten. En als ik iedereen zeg, dan bedoel ik ook iedereen. Elke buurt maakt de huizen en straten zo mooi mogelijk. Van heinde en ver komen mensen kijken.”

Boot woont in een huisje midden in Opperdoes. Iedere zondag is ze getuige van de mensenstroompjes die elk naar hun kerk wandelen. Dat verdeelt de gemeenschap niet, verzekert ze. Het dorp dankt de eendrachtig versierde straten, denkt Boot, niet eens zozeer aan de protestantse signatuur als wel aan de ’enorme gemeenschapszin’ die in Opperdoes heerst. „De bevolking heeft een voorliefde voor het koninklijk huis, maar het dorpsgevoel is net zo belangrijk voor een evenement als dit. Die twee gaan hand in hand.”

Enige roem geniet het dorp vanwege de ’Opperdoezer Ronde’, de aardappel waarvan de Europese Unie heeft bepaald dat hij een ’beschermde oorsprongsbenaming’ draagt. Dat betekent dat de knollen alleen in Opperdoes gekweekt mogen worden, net zoals Parmaham eigenlijk alleen uit de Italiaanse stad Parma mag komen en schimmelkaas Danish Blue uit Denemarken.

Zo weinig als de dorpelingen over de kerk spreken, zo vrijmoedig hebben ze het over de beschermde pieper. De aardappelverkoopster aan de weg richting Medemblik wil onder geen beding met haar naam in de krant en al helemaal niets kwijt over de kerkelijke verhoudingen („Ik ben import, dan letten ze extra op wat je zegt”). Over de aardappel raakt ze echter niet uitgesproken. „Koken onder water, twintig minuten, met zout.”

Ook Jan Smit is trots op de aardappel. Hij geeft bij het afscheid een exemplaar mee, samen met een foldertje. Daarin wordt de trots van het dorp aangeprezen. De auteur van de brochure omschrijft de aardappel (‘de prins der piepers, als het ware’) als een ’iets onregelmatig gevormde, ovaalronde, diep-ogige knol.’

Het foldertje schrijft ook dat de aardappels aan tafel ’lekker’ in gesmolten roomboter gedoopt moeten worden.

Lia Bot uit Medemblik moet er niets van hebben. „Veel te hard”, is haar oordeel. „Ze eten het zonder groente. Dat ziet eruit zoals de aardappeleters op het schilderij van Van Gogh.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden