McGuggenheim plant hoef in Baskenland zonder Guernica

Schuifelend door de Slang, het nieuwste werk van Richard Serra, bekruipt je een gevoel van onmacht. Is dit kunst of gesublimeerde grootheidswaanzin? De tweeduim dikke en drie meter hoge platen van golvend, 30 meter lang cortenstaal hebben een ambivalente werking. Aan weerszijden lijken ze de begrenzing van het verleden te willen zijn, naar boven en aan de uiteinden lonken ze de bezoeker met een opening naar de toekomst. Een gestaalde metafoor van Bilbao zoals het was en wil zijn. Dus toch kunst.

Serra's werk (kosten: 1,2 miljoen dollar) is illustratief voor de ruimte waar het staat in het nu bijna voltooide Guggenheim Museum in de Noord-Spaanse havenstad Bilbao: hier gelden alleen superlatieven. De discussie over dit museum woedt nu al. Na Groningen en Mönchen-Gladbach opnieuw een museum als kunstwerk dat moet wedijveren met de inhoud? 'Een reflectie van de Europees-Amerikaanse as van het instituut Guggenheim', zoals fier in een persbericht wordt verwoord. Of zijn we hier getuige van het begin van het McGuggenheim-tijdperk?

Zeker is dat Serra's Slang het hart vormt van wat wellicht de grootste expositieruimte van de wereld is: een 130 meter lange, 25 meter brede en 12 tot 22 meter hoge zaal. Oppervlakte: 3200 vierkante meter zonder één steunpilaar. 'De maag van de vis' wordt de zaal genoemd, een teken dat we aan de waterkant zijn. Dat is slechts een deel van het eigenlijke museum (totale oppervlakte: 24.000 vierkante meter) dat de laatste jaren is verrezen aan de oever van de Nervion-rivier in Bilbao.

'Zo stel ik me de hemel voor', heeft architect Frank Gehry eens gezegd van zijn meesterwerk dat in de volksmond 'de metalen bloem' wordt genoemd. Zwierige met titiaan beklede vlakken zoeken contact met de vloeren van kalksteen en de horizon in de verte. Het zijn nieuwe herinneringen aan een verleden dat werd bepaald door scheepswerven en hoogovens. Alles straalt kracht uit, immense kracht. Precies de dynamiek waarmee de Basken zichzelf zo graag portretteren. Het oplichtende grijs van de scheepsboeg rechts naast de ingang wedijvert met het grijs van de luchten die zo vaak de hemel van Bilbao karakteriseren. Als het regent, zo heeft Gehry beloofd, zal zijn museum glimmen als een briljant.

Binnen wordt de verwondering nog groter over wat techniek en scheppingsdrang van een architect tot stand kunnen brengen. Pas dan realiseer je je dat van de 350.000 onderdelen van de staalconstructie er 250.000 ongelijk zijn. Dank zij Catia, een computerprogramma voor de ruimtevaartindustrie, blijft alles overeind staan. Hoogtepunt is het 50 meter hoge atrium, geaccentueerd door hoog oprijzende, ook al golvende glasplaten. Rondom zijn, verdeeld over drie etages, diverse expositiezalen gegroepeerd, alle verschillend van vorm, oppervlakte, hoogte en lichtval. Het enige bindende element is het welvende.

Hoog verheven in het atrium leggen arbeiders de laatste hand aan een sacrale nis. Ruimte voor een retabel van Joseph Beuys of voor de Heilige Maagd van Jef Koons? Maar nee, de nis is gereserveerd voor de Guernica van Pablo Picasso, een doek dat er nooit zal komen ondanks de woorden van Guggenheim-directeur Thomas Krens: “Dit is een heroïsch museum voor een heroïsch doek.”

Taj Majal, de Egyptische piramides, de Chinese verboden stad en dan nu het Guggenheim-museum in Bilbao. Krens spreekt graag in superlatieven. Daarvoor is hij Amerikaan. Zelfs beschouwt hij die eigenschap als een gave, anderen zien daarin een onomkeerbaar proces van de kolonisatie van de kunst. Want wordt Bilbao als Europees hoofddependance van Guggenheim New York een zelfstandig functionerend museum of is het straks een filiaal (en daarna Tokio en Moskou) waar kunst over de toonbank gaat á la McDonalds?

Polemiek daarover is er al vanaf 1991 toen de eerste contacten werden gelegd tussen het Guggenheim-imperium en de regionale regering van Spaans Baskenland. Het ritueel van toastende stichtingsbestuurders en politici seint naar de buitenwereld een sfeer van verstandig genomen beslissingen. Daarin wordt Baskenland neergezet als een moderne Spaanse regio waar de economische teloorgang verleden tijd is en het terrorisme bijna. Het museum markeert dat proces en is katalysator van een spectaculaire renovatie van Bilbao waarmee investeerders en toeristen worden gelokt.

Niets valt daarop af te dingen, hooguit dat er achter de schermen meer heeft gespeeld dan de officiële glimlach doet vermoeden. In twee recent verschenen boeken wordt een soms verbijsterend relaas geschetst over de machtspolitiek van Thomas Krens en de wijze waarop de Baskische autoriteiten door de knieën zijn gegaan. In zijn boek 'Kroniek van een verleiding' zet de Baskische filosoof Joseba Zulaika, nu verbonden aan de universiteit van Nevada in het Amerikaanse Reno, Krens neer als 'de grootste hoer van de wereld' (Krens zou het zelf hebben gezegd) en als een Don Juan in het dollarcircuit. 'Vergeet even het geld en Krens schenkt jullie de toekomst', aldus Zulaika.

Uiteraard bewijst Zulaika de tegenstanders van het Guggenheim-project in Bilbao een grote dienst met het etaleren van machtsintriges en chantage-praktijken. Volgens de auteur is Krens een sluwe geldwolf die miljoenen dollars nodig heeft op een moment dat het Guggenheim-museum in New York geldproblemen heeft. Vanaf het moment dat Krens weet dat de Basken een spraakmakend project zoeken om het imago van Baskenland bij te kunnen stellen, toont Zulaika hoe Krens alle mogelijkheden benut om een cheque van 20 miljoen dollar los te peuteren zonder dat er enige concrete toezegging over beleid en inhoud tegenover staat.

Als Salzburg en Venetië (waar zich de collectie Peggy Guggenheim bevindt) al zijn afgevallen als Europese filiaalplaatsen en de Baskische autoriteiten ineens aarzelen, doet Krens zijn meesterzet. Door de toenmalige Italiaanse minister van buitenlandse zaken, Gianni de Michelis (nu veroordeeld wegens corruptie) als bestuurslid van de Solomon R. Guggenheim Foundation over te laten komen naar Bilbao om het document der documenten te tekenen, worden de Baskische autoriteiten gechanteerd. Door immers niet te tekenen wordt een diplomatiek conflict uitgelokt met Italië dat op dat moment als voorzitter van de Europese Unie fungeerde.

In het boek 'Het Wonder Guggenheim - Een illusie met een hoog risico' stellen drie journalisten van de Baskische krant El Correo zich iets objectiever op. Maar ook zij zetten veel vraagtekens achter de ware bedoelingen van Krens en de risico's die de Baskische overheid neemt met dit miljoenenproject. De journalistieke troika gaat vooral in op de bezwaren die in culturele kringen in Baskenland heersen tegen dit subsidies verslindende project. Want ineens is er geen geld meer voor bibliotheken en lokale musea. Bij de prestigieuze Baskische beeldhouwer Jorge Oteiza deed de komst van Guggenheim zelfs de deur dicht. 'Verraad aan de Baskische kunst en kunstenaars', was zijn oordeel.

In Krens ziet Oteiza de personificatie van een multinational, gespecialiseerd in spektakel, die cultuur van andere landen opkoopt. Oteiza wil niet dat er ook maar één werk van hem in het museum komt, een forse aderlating voor het Baskische element in dit cultuurpaleis. Zijn collega Eduardo Chillida is wat ambivalenter. Binnenskamers bekritiseert hij het project maar zijn verzet beperkt zich tot de weigering om een kunstwerk bij de entree te plaatsen 'om geen schade te berokkenen aan het werk van Ghery'.

Als het Guggenheim Museum op 3 oktober de poorten opent begint het project met een investering van 200 miljoen dollar: 100 miljoen voor het gebouw, 20 miljoen handgeld, en 80 miljoen voor aankopen voor de vaste collectie. 'Ietwat obsceen', aldus het subtiele commentaar van de Zwitserse kunstkenner Harald Szeeman die om redenen van geldverspilling weigerde om als adviseur voor de Basken op te treden.

Het tentoonstellingsbeleid voor de komende vier jaar is al geprogrammeerd, op lange termijn is het nog een vat vol onduidelijkheden. Het enige dat vaststaat, is dat het beleid in New York wordt bepaald en dat directeur Juan Ignacio Vidarte, een voormalig financieel expert van de Baskische regering, de orders in Bilbao uitvoert. Krens zegt dat amper 2 procent van de totale Guggenheim-collectie in New York getoond kan worden en dat hij daarom een keten van Guggenheim-musea wil exploiteren. De collectie ziet hij als een ruimteschip dat aanlegt bij de Guggenheim-aanlegplaatsen in het heelal. Maar nergens staat geschreven welke doeken wanneer en hoe lang naar Bilbao zullen komen. Dat de kelders in New York vol staan met Kandinsky's weet iedereen. Maar lang niet alle 150 werken zijn representatief om het prestige van dit museum te kunnen bevredigen.

Zodra de naam Beuys valt - Krens schermt er graag mee om aan te geven dat niet alles Amerikaans is wat de klok slaat - komen er ook vragen over echtheid. Enkele spectaculaire aankopen hebben geleid tot twijfels of het werk ook echt van Beuys is. Kritiek kwam er ook op de publieke verkoop van drie meesterwerken (een Chagall, een Kandinsky en een Modigliani) met welk geld de aankoop van de fameuze Panza-collectie (kosten: 37,6 miljoen dollar) werd gefinancierd. De ruim 200 werken aan minimal art en conceptionele kunst worden een van de hoekstenen van de vaste collectie in Bilbao. Maar niemand in Baskenland is tot dusver in staat van opwinding geraakt over die optie.

Waar de een zegt dat een vaste collectie moet groeien, probeert Krens de kunstmarkt af te romen met acquisities zonder dat hij daarbij op beleid kan worden betrapt (of het zou moeten gaan om de specificatie dat het 'representatieve werken van de laatste vier decennia van deze eeuw' moeten zijn). Een ooit in het leven geroepen kunstaankoopcommissie heeft nooit gefunctioneerd en is al weer ontbonden. Inmiddels is de basis gelegd. Onder de acquisities bevinden zich werken van Willem de Kooning, Mark Rothko, Clyfford Still, Richard Serra, Txomin Badiola, Sigmar Polke en veertien monumentale werken van Anselm Kiefer. Het werk van Kiefer hangt al. Verder zal werk worden aangekocht van Tapies, Susanne Solano, Cristina Iglesias en Chillida.

En de Guernica? 'Een verloren zaak' wordt in museumkringen gemompeld ook al zal Krens tot de laatste snik volhouden dat het emblematische werk van Picasso, waarin het verzet van het Baskische volk tegen de onderdrukker wordt gesymboliseerd, uitgeleend dient te worden. De Baskische regering onderstreept dat verzoek en probeert via politieke kanalen de regering-Aznar onder druk te zetten. Maar in Madrid houdt men vast aan een technisch rapport van het Reina Sofia-museum voor moderne kunst waarin staat dat wegens de precaire toestand van het werk een nieuwe reis van de Guernica uitgesloten moet worden.

Zo begeleidt de polemiek de laatste etappe naar de opening van het Guggenheim-museum in Bilbao. Wat de een ziet als 'een fantastisch gebouw vanuit ruimtelijk en beeldend oogpunt' (architect Oriol Bohigas) is voor de ander 'een kaasfabriek' (Oteiza). En wie wil weten waar het met de moderne kunst naar toe gaat, krijgt van Thomas Krens onmiddellijk het pasklare antwoord: 'Naar Bilbao'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden