Mater dolorosa: een geschiedenis

Sinds paus Benedictus XIII in 1727 deze dertiende-eeuwse anonieme sequentie in de liturgie van de rk kerk opnam, hebben tientallen generaties katholieken dit tijdens de kruisweg op Goede Vrijdag gezongen: het Stabat mater dolorosa. Met zijn volmaakte techniek en intense gevoels-uitdrukking is het anonieme gedicht een uniek voorbeeld van franciscaanse middeleeuwse poëzie.

In het Stabat mater - door uiteenlopende meesters als Pergolesi, Palestrina, Haydn, Schubert, Rossini, Diepenbrock, Dvorák, Poulenc en Penderecki getoonzet - wordt de befaamde passage uit het Johannes-evangelie (19:25) nader uitgewerkt. Want voor veel latere christenen bleek de daarin geboekstaafde presentie van Maria op Golgotha - 'Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria van Klopas en Maria Magdalena' - emotioneel te kort en te zakelijk.

Toch is Johannes, vergeleken bij de drie andere (eerdere) evangelisten, nog uitvoerig in zijn beschrijving. Marcus, Lucas en Mattheüs vermelden Maria's droeve aanwezigheid tijdens de kruisiging met geen woord.

Reden voor feministische theologen als Elisabeth Moltmann-Wendel en Rosemary Radford Ruether te stellen dat het bij Johannes niet gaat om het vastleggen van een historisch feit, maar om een poging Jezus alsnog te verzoenen met zijn, hem vaak niet begrijpende, moeder. Tot haar zou hij daarom tijdens zijn hele volwassen leven duidelijk afstand hebben genomen (zie Marcus 3: 31-35).

Het devotionele motief van de Mater Dolorosa, de Bedroefde Moeder oftewel Maria die sterven en dood van haar zoon Jezus betreurt, heeft zeer oude papieren. Het duikt al op in de treffende klaagzang die de christen geworden jood Romanos Melodos schreef voor de Oost-Romeinse keizer Justinianus I (482-565): 'Ik ben overweldigd, o mijn zoon/ Ik ben overweldigd door liefde/ En ik kan niet verdragen/ Dat ik in de kamer zou zijn/ En jij op het kruishout.'

Dit kontakion - snel duet tussen solist en koor - werd telkens op Goede Vrijdag in de Hagia Sophia-basiliek, thans moskee, te Constantinopel (Istanbul) uitgevoerd.

Het is niet vreemd dat de Mater Dolorosa-devotie in het Oosten ontstond. Dezelfde Justinianus I sloot de laatste Isis-tempel op het Nijl-eiland Philae. En juist in de persoon van de godin Isis, treurend om de dood van haar zoon-gemaal Osiris, ligt de verbindingsschakel met een veel oudere Mater Dolorosa-cultus, vijfduizend jaar geleden begonnen in de stoffige vlakten van Soemerië (Zuid-Irak).

Eeuwenlang werd daar elk voorjaar het feit herdacht dat de herdersgod Doemoezi was geofferd aan de onderwereld, waar demonen hem doodmartelden. Zoals Christus, na gegeseld te zijn, aan het kruis de geest gaf. Beiden verrijzen ze kort daarop weer om de wereld respectievelijk vochtige vruchtbaarheid en geestelijke redding te brengen.

Doemoezi's moeder, de hemelgodin Inanna, weent om hem in bewoordingen die sterk doen denken aan verzen bij een afbeelding van de Piëta (Maria met dode zoon op schoot): 'Ze staart naar zijn gelaat, ziende/wat ze heeft verloren - zijn moeder/ die hem aan het rijk van de dood verloren heeft/ U, het doodslijden dat zij torst!/ Huiverend in de woestijn/ is zij de moeder die zoveel lijdt.'

In de relatie van Inanna tot Doemoezi - de Bijbel kent hem als Tammoez, Ezechiël 8:14 - weerspiegelt zich dezelfde dualiteit die het christelijk beeld van de Mater Dolorosa kenmerkt: de moeder die de dood van haar zoon beweent, maar die daar tevens in toestemt, het feit zelfs verwelkomt, omdat door dat sterven de mensheid van rampen - Doemoezi: droogte, Christus: de zonden - wordt verlost.

Om het met de woorden van Francisco Suarez (1548-1617), de grote theoloog van de katholieke Contrareformatie, te zeggen: “Veeleer was zij (Maria) uitermate verheugd dat haar eniggeboren zoon werd geofferd voor onze redding.”

De Maagd als Mater Dolorosa hoort volgens de prominente Amerikaanse Maria-deskundige Marina Warner thuis in de traditie van de allesverslindende, nietsontziende godin die, precies zoals Inanna en Isis, een plaatsvervanger (zoon-echtgenoot) aan de machten van de duisternis offert om de wereld te redden, en dan vervolgens om hem huilt.

Warner: “Onder het aspect van de Mater Dolorosa lijkt Maria het meest op de vruchtbaarheidsgodinnen uit de oudheid. Want zij ontvangt het gebroken lichaam van haar zoon in haar armen en staart met zo'n begeerte naar zijn trekken, niet alleen omdat ze haar verlies betreurt (...), maar ook omdat zij diezelfde krachten van onvruchtbaarheid en dood aan het verzoenen is die het offer van haar zoon tot bedaren probeert te brengen. Hij is het plengoffer, zij het beginsel van de blijvende aarde.” (Uit: 'De enige onder de vrouwen, de maagd Maria: mythe en cultuur'. Uitg. Contact - Amsterdam).

Het oosterse beeld van Maria als de treurende moeder bereikte Europa doordat kruisvaarders in contact kwamen met de Byzantijnse liturgie. Vanaf het einde van de elfde eeuw dook de devotie op in Italië, Spanje, Frankrijk, de Nederlanden, Duitsland, Ierland, Engeland en Schotland.

In beeldhouwwerken en gedichten, op kruiswegstaties en schilderijen, overal werd Maria's droefenis afgebeeld: Hoe ze wenend haar zoon ontmoet op weg naar Golgotha, hoe ze wanhopig zijn wonden tracht te stelpen, hoe ze bedroefd het dode lichaam in haar armen neemt.

Al deze beelden gaven aan het kruis-offer van Christus een realiteitsgehalte dat de doorsnee middeleeuwer, die een ongeletterd gevoelsmens was, aansprak en emotioneerde.

In een van de oudste en mooiste Italiaanse dichtwerken in de volkstaal, Donna del Paradiso van de franciscaan Jacopone da Todi (1230-1306), schreeuwt Maria het uit van smart als haar kapotgegeselde zoon haar tegemoet strompelt. Christus' reactie is onverwachts scherp: “Een doodsteek breng je me toe/Je huilen doorboort mij/en schijnt me het scherpste zwaard toe.” En zijn moeder verbijt haar verdriet.

Het onopgesmukte taalgebruik geeft het spontane volkse karakter weer dat de verering van de rouwende moedermaagd onder franciscaanse invloed kreeg. Maar ook grote spirituelen als Bernardus van Clairvaux (1090-1153), Konrad van Saksen ( 1279) en Birgitta van Zweden (1302-'72) reflecteerden erover.

Als gevolg van grote natuurrampen, (pest)epidemieën en kerkelijke misstanden steeg medio veertiende eeuw het devotionele sentiment jegens Maria tot ongekende hoogte.

Het was de tijd waarin met name in Duitsland grote groepen boetelingen door het land trokken, zichzelf tot bloedens toe met riemen geselend - vandaar hun naam geselbroeders oftewel flagellanten - en het Stabat Mater zingend. Bij al deze verering van de Mater Dolorosa stond haar steun bij het bikkelharde leven van de late middeleeuwer centraal.

De sombere visioenen en gebeden van veertiende-eeuwse heiligen als Catharina van Siena borduurden eindeloos voort op de, al door Bernardus in herinnering geroepen, uitspraak van de oude Simeon tegen Maria: '...en een zwaard zal ook uw eigen ziel doorboren' (Lucas 2.35).

Nog lang na de Middeleeuwen zagen theologen dit als een aankondiging van het leed dat Maria moest doormaken, als voornaamste en meest betrokken persoon bij de kruisiging.

In de vijftiende eeuw, toen de Zwarte Dood geleidelijk achter de West-Europese horizon verdween, nam ook de plasticiteit af waarmee de vermeende klaagzang van Maria in woord en beeld werd weergegeven. Het holle gebaar verving steeds meer de echt doorleefde passie.

Daarentegen was de volksdevotie rond de Mater Dolorosa nog lang niet doodgebloed. De intense manier waarop men tegen het einde van de eeuw nadacht over de zogenaamde 'droeve geheimen van Maria' - onderdeel van het toen net ingevoerde rozenkransgebed - bewijst dat. Ook de religieuze kunst kende uitzonderingen. De belangrijkste: Michelangelo's diep doorvoelde Piëta's van een eeuw later. De cultus rond Maria's van smart doorboorde ziel zette zich door (nog in 1832 parafraseerde Goethe het in Faust, waar Greetje Maria smeekt: 'Ach neig uw harte/ gij rijk aan smarte/genadigd tot mijn droeve nood!/-Met het zwaard doorstoken/ziet gij omhoog tot Jezus' dood').

In 1423 stelde de aartsbisschop van Keulen, Thierry de Meurs, het feest van Onze Lieve Vrouw van Smarten in. Het initiatief werd bijna twee eeuwen later door paus Paulus V (1605-'21) voor Italië overgenomen. Maar pas in 1727 maakte Benedictus XIII het tot een gebeuren van de hele kerk, te vieren op Passiezondag (twee weken voor Pasen).

In 1814 kwam Pius VII met een nieuw Smartenfeest, op 15 september, daags na het feest der kruisverheffing (ter herdenking van het feit dat de Heilige Helena, moeder van keizer Constantijn, Christus' kruis in Jeruzalem zou hebben teruggevonden).

Het ging inmiddels om zeven smarten waaraan Maria zou hebben geleden - waaronder haar ontmoeting met Jezus op de weg naar Golgotha, de kruisiging en de kruisafname.

Na de Reformatie in de zestiende eeuw ontwikkelde het devotionele proces rond de figuur van de Mater Dolorosa zich alleen verder binnen de rooms-katholieke kerk. In de protestantse kerken nam men afstand van alle vormen van Maria-devotie. Pas de laatste decennia verandert dit enigszins. Dat geldt in omgekeerde zin trouwens ook voor Rome. Daar rekende het tweede Vaticaans concilie af met een excessieve Maria-verering die steeds meer de neiging had de Christusfiguur in de schaduw van zijn moeder te plaatsen.

Terug naar de zestiende eeuw. Toen stelde de Franse heilige Franciscus van Sales, geestelijk auteur en bisschop, dat Maria bij de kruisdood van Christus niet bedroefd was geweest, omdat zij bij voorbaat wist dat hij zou opstaan uit de dood.

Maar de Spaanse non en pseudo-mystica Maria de Agreda de Jesús, religieuze intima van de vorst, toverde de volgende oplossing uit haar kap: Maria had God tevoren gebeden om haar alle pijn en verdriet die Christus op Goede Vrijdag zou ondergaan, mee te laten voelen. De Drieëenheid verhoorde Maria's gebed. En dus leed zij wel degelijk.

De volksdevotie kon zich ongestoord voortzetten, tot in onze tijd. Van de Apennijnen tot en met Zuid-Limburg duiken regelmatig beelden en schilderijen van de Maagd op die nat zijn van alle 'tranen' die zij vergiet.

Maar, zo laat Maria Warner weten, niet alleen daarom: Ze lopen ook langs haar wangen omlaag als symbool van het zuiverende kruisoffer dat ieder mens van alle zonden schoonwast en hem/haar nieuw leven geeft. Zoals de tranen van Innana om het lijden en de dood van Doemoezi op de verdorde bodem vielen en deze weer tot bloei brachten.

Warner: “De Mater Dolorosa troost de getroffenen omdat ze hun leed deelt. Maar op een dieper vlak bevredigt zij een hunkering van de gelovigen, want de tranen die uit haar ogen stromen, behoren tot een universele oeroude taal van reiniging en wedergeboorte. (...) Ze zijn geladen met de magie van haar kostbare, onbederfelijke, niet stervende lichaam en bezitten de kracht om leven te schenken.”

En dan is er nog de scène uit het Johannes-evangelie. De stervende Christus die zijn lievelingsleerling Johannes - of deze, zoals de traditie wil, dezelfde is als de auteur van het vierde evangelie blijft omstreden - zijn moeder aanbeveelt en omgekeerd: Vrouwe, ziedaar uw zoon. Zoon, ziedaar uw moeder. Dit wordt door de huidige paus Johannes Paulus II - een groot Maria-vereerder - gezien als aanwijzing dat in de persoon van Johannes iedere christen een geestelijk kind van Maria is.

Deze exegese, door de meeste katholieke bijbelgeleerden gedeeld, vormt een poging om de volksdevotie een christologische bedding te geven: de Mariaverering is geen aparte cultus, maar verwijst naar de centrale figuur van Jezus Christus.

In de encycliek Redemptoris Mater Maria (1987) wordt dit aldus benadrukt: “De moederlijke taak van Maria tegenover de mensen verduistert of vermindert op geen enkele wijze het enige middelaarschap van Christus, maar toont aan hoe sterk het is. Want: 'Eén is de Middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus' (1 Tim. 2:5).

Zo neemt Rome de kritiek van de Reformatie ter harte: de plaats die de rooms-katholieke kerk, onder druk van een eeuwenlange devotie, aan de Mater Dolorosa heeft toebedeeld, geeft een vertekening van het heilswerk van Christus. Op Golgotha is hij de centrale figuur, niet zijn treurende moeder, wier aanwezigheid op die plek trouwens erg onzeker blijft.

Dit laatste verhindert niet dat het beeld van de wenende moeder onder het kruis tot in onze tijd mensen blijft inspireren. Zoals in Florence, waar ook op deze Goede Vrijdag in de dom een kruisbeeld wordt neergelegd aan de voeten van de Piëta. Dat de Mater Dolorosa bijbel-exegetisch en historisch geen al te beste papieren bezit, zal haar miljoenen vereerders ook vanmiddag niet storen. En men zingt:

Eia mater, fons amoris, me sentire vim doloris fac ut tecum lugeam; fac ut ardeat cor meum, in amando Christum Deum ut sibi complaceam.

(Kom dan Moeder, bron van liefde/Doe me al 't leed, dat u doorgriefde,/Voelen, dat ik 't met u draag'./Doe mij brandend zijn van binnen/Om uw Christus te beminnen,/Dat ik immer Hem behaag'.)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden