Mary Michon

Mary Michon: 'Soms kunnen mensen mij moeilijk inschatten; dan denken ze met een enorm wild vrouwtje van doen te hebben, terwijl ik in wezen een heel betrouwbaar, redelijk iemand ben.' (FOTO MARK KOHN) Beeld
Mary Michon: 'Soms kunnen mensen mij moeilijk inschatten; dan denken ze met een enorm wild vrouwtje van doen te hebben, terwijl ik in wezen een heel betrouwbaar, redelijk iemand ben.' (FOTO MARK KOHN)

Mary Michon (Breda, 1939) werkte dertig jaar als programmamaakster voor de Ikon, speelde met Jos Brink en Frank Sanders in musicals als ’Maskerade’ en ’Amerika, Amerika’ en schreef meerdere boeken. Deze maand verscheen bij Archipel ’Van die damesdingen – over de kunst van het ouder worden’ waarin ze onder andere schrijft over ziekte, kwetsbaarheid en het behoud van levenslust.

arjan visser

I - Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Mijn moeder zei: ’Kind, een man met een baard op een ansichtkaart: dat is God niet hoor.’ Ik ben niet zo met beelden opgevoed. Als ik Wolkers of Van ’t Hart lees, denk ik: jongens, jongens wat is het toch lelijk geweest bij jullie thuis, wat sneu! Zo was het bij ons, ook gereformeerd, helemaal niet. God is een beleving, een emotie. Ik heb altijd het gevoel dat ik word aangejaagd, letterlijk en figuurlijk gedragen. Dat gevoel wordt het mooist verwoord in het verhaal van de profeet Elia die de berg Horeb beklom om God te ontmoeten. ’In de wind was de Here niet. En na de wind was een aardbeving. In de aardbeving was de Here niet. En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de Here niet.’ En dan komt het: na het vuur is er ’het suizen van een zachte koelte’ en dán spreekt God tot hem. Dat is het. In het suizen van een zachte koelte. Je houdt je adem in, je krijgt een moment van genade, troost, geluk – een euforisch gevoel – en je weet: ik hoef niet alles alleen te doen. Maar vooral in de omgang met mensen ontmoet ik God.”

II - Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ik woon in een poppenhuis. Klein. Vol. Overal hangen prenten, herinneringen. Kijk, daar hangt mijn musicaltijd en hier, op dit kastje, heb ik een groepje beelden staan. Ze hebben allemaal een betekenis, een connotatie. Dit vrouwtje, met die lekkere dikke dijen, is de Venus van Willendorff. Ik heb haar gevonden op een beurs, tussen de ansichtkaarten en de puntenslijpers. Het is natuurlijk een replica van likmevestje, maar ze staat wel ergens voor. Zij is de oervrouw, nog zonder gezicht. Inmiddels, 30.000 jaar later, hebben wij, vrouwen, een gezicht gekregen.

Ik vind het heerlijk om het leven mooier te maken, te verfraaien, te verbeelden. Theater, já! Maar geen sterallures, nee, nooit gehad. Ik kan behoorlijk goed zingen – al zeg ik het zelf – ik kan een tapdansje maken en ik kan aardig spelen, maar ik ben Simone Kleinsma niet. Op het toneel was ik een leuke tweede vrouw.”


III - Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Het hindert mij buitengemeen als mensen vloeken en ik zeg er altijd iets van. Alhoewelde tijd is wel verruwd hè? Ik heb, toen ik iemand aansprak op zijn gedrag, weleens een baffer voor mijn broodmolen gekregen en sindsdien hou ik toch vaker mijn mond dicht. De hekken zijn verplaatst. Ze staan zo ver open dat het kennelijk heel gewoon is geworden om politiemensen of ambulancepersoneel uit te schelden en lastig te vallen. Ik vind het verontrustend. Hoe pak je zoiets aan? Laatst stapte ik, enigszins gehinderd door mijn stok, een beetje onhandig op de tram en kreeg meteen te horen dat ik een kutkankerhoer was die beter uit haar doppen moest kijken. Ik schrok en tegelijkertijd voelde ik een enorme deernis. Het zijn vaak opgeschoten jochies die zich zo gedragen. Is er nog iets aan te doen of is het een verloren groep?”

IV - Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Zondag is een heerlijke dag om te werken. Ik ga natuurlijk wel eens weg – ik ben, als er iets te doen is, met een natte vinger te lijmen – maar het liefst zit ik die dag achter mijn tafeltje, te schrijven. Of ik pak mijn mandje met klosjes en garen, ga dingen naaien en een beetje fröbelen. Heerlijk, héérlijk. Bezig zijn, dingen doen, reuring, theater. Ik kan niet zonder reuring in mijn leven. Bang voor stilte, voor depressie? Nee, dat is te cliché. Ik ben helemaal niet bang voor stilte en depressie – de Poolse Ruiter, zoals ik hem altijd noem – is al een tijdje weggebleven. Zijn laatste bezoek was van 4 tot 11 april 1996. Migraine, depri, de huisarts zei: ’Meer, ik stuur je naar het ziekenhuis als dit nog langer zo doorgaat.’ En toen, ineens, begon het weg te ebben. Daarna is het jaren rustig geweest. Sinds een tijdje komt de Poolse Ruiter weer een paar keer per maand langs. Soms blijft hij een paar minuten, soms een hele dag. Zo’n dag plak ik dicht, met Bisonkit. Ik blijf op bed liggen en wacht tot het over is. Het heeft toch geen zin om me ertegen te verzetten. Ik heb in de loop der jaren wel geleerd om een balans te vinden: voel ik een depressie aankomen, dan neem ik vanzelf gas terug. En ik vraag me af hoe ik erin terecht ben gekomen. Wat is er aan de hand? Deed ik te veel? Ben ik over mijn eigen grenzen heengegaan? En meer van dat soort therapeutische prietpraat. Dat helpt. Soms. Een beetje. Maar het is vooral een kwestie van uitliggen.”

V - Eer uw vader en uw moeder

„Zo zitten ze in mijn hoofd: in de zestig, allebei nog redelijk vitaal. Een beetje zoals ze op die foto in ’Van die damesdingen’ staan, samen met mijn hondje Beertje. Jij zou ze ook leuk gevonden hebben. Als ze er vanmiddag bij waren geweest, zou mijn vader onmiddellijk met je in gesprek zijn gegaan. ’Zeg, wat een interessant apparaatje heeft u daar? Waar kent u mijn dochter eigenlijk van?’ Een bon vivant, mijn vader. Maar ook: heel gesloten. Toen ik mijn eerste boek over – en met – mijn moeder schreef, belde hij me op en zei: ’Als je maar niet denkt dat je ook over mij een boek mag schrijven.’ ’Maak je geen zorgen, pap,’ zei ik, ’ik zou na twee pagina’s echt niet meer weten wat ik nog over je moest schrijven.’

Tegelijkertijd moet ik, achteraf, erkennen dat hij heel overheersend in mijn leven is geweest. Ik ben, onbewust, altijd naar zo’n man op zoek geweest. Een fantastische, toegewijde vader. Ik zal je een leuk voorbeeld geven: hij had een plankje waarop drie knopjes waren gemonteerd. Boven ieder knopje stond, op een stukje Hansaplast, een naam van zijn kinderen. Peter, Mary, Hans. Als zijn wekker ging, om half zeven, drukte hij op het eerste knopje en ging er in Peters slaapkamer een belletje af. Daarna dutte hij nog een kwartiertje en dan ging de bel in mijn kamer. Na het laatste belletje – voor Hans – stond hij zelf ook op. Boterhammen smeren, huiswerk overhoren en het jongetje – zoals hij Hans altijd bleef noemen – naar school brengen. Mijn moeder? Die heb ik ’s ochtends nooit gezien. Als we naar school vertrokken, moesten we onder aan de trap nog even gedag zeggen. ’Mam, ik ga naar school!’ ’Joehoe – o, kom jij nog eens even naar boven, Meer, en laat eens zien wat je aanhebt.’ Lag ze, in de kussens, een haarnetje met roosjes op haar hoofd, te wachten tot mijn vader kwam met thee en beschuit. Tot op het bot verwend, die vrouw. Ik heb niet de makkelijkste relatie met haar gehad, maar het werd pas moeilijk toen ik het huis uitging. Ze kon maar niet begrijpen dat ik zo hard ging werken, dat ik me overal instortte. Dat emancipatoire gedoe – ze begreep er helemaal niets van. En voor mij werd ze de spiegel van alles wat ik niet wilde zijn.

Ik ben nooit helemaal met haar in het reine gekomen – het is niet anders – maar wat overblijft, is een heerlijke jeugd. Ze hebben mijn ranseltje met de mooiste dingen gevuld. Kunst, muziek, theater, noem maar op. We hebben geleerd om met een rijke baaierd het leven tegemoet te gaan. Het enige waar mijn moeder nogal bekrompen over dacht, was ’dat ene mooie’. ’Waar héb je het over, mam?’ ’Dat je je niet zomaar aan een man geeft, kind.’ Zelfs tijdens mijn huwelijk sprak ze er nog zo over. ’Denk aan je opdracht, Meer.’ ’Ga heen met je opdracht’, zei ik dan, ’gelul, kolen van Krul!’ Dat soort dingen konden we wel makkelijk tegen elkaar zeggen.

Ze zou zich inmiddels ook wel met dit gesprek zijn gaan bemoeien, denk ik. Mijn moeder kon echt ergens zitten met een air van: I want to be amused. Maar als ze eenmaal haar portie aandacht had gehad, kon ze heel aimabel worden. Ach ja Leuke mensen. Ik mis ze nog iedere dag.”

VI - Gij zult niet doodslaan

„Als ik langs Tabitha (verpleeghuis in Amsterdam, AV) loop en die duifkens daar zie zitten, nippend aan een kopje thee, dan denk ik: prima, so far, so good. Maar wat nu als zelfs dát niet mogelijk is? Als wat ik mankeer zich doorzet, als alles uitzaait en inteert en ik alleen nog maar in mijn bedje kan liggen en kijken? Nee. Nee. Het spijt me. Dan doe ik niet meer mee.”

VII - Gij zult niet echtbreken

„Ik zal proberen het kort te houden: ik ben getrouwd omdat mijn ouders dat graag wilden. Met name mijn moeder kon daar nogal over zeuren. Het gekke is: ik ben opgevoed met het theater, maar toen ik zelf deel uit wilde gaan maken van die wereld, dacht ze kennelijk dat ik in de goot terecht zou komen. Daar kwam bij dat geen van de mannen die langskwamen – jong of oud – blijvertjes waren. Wat moest er van mij terechtkomen? Dus toen ik op een gegeven moment deze man ontmoette – intellectueel, geestig, geen losbol, wel gescheiden, vader van twee kinderen – dacht ik: laat ik dan maar trouwen, dan ben ik van het gezeur af. We hadden het leuk samen, maar ik kan niet zeggen dat ik verliefd op hem was. Om eerlijk te zijn: ik ben eigenlijk nooit echt verliefd geweest. Er groeide een camaraderie en seksueel was het in orde – anders moet je er helemaal niet aan beginnen – maar er ontstonden op den duur toch wel problemen Nu komen we op een lastig terrein. Ik ga dit voorzichtig formuleren want ik wil hem, noch de kinderen kwetsen. Laat ik het zo zeggen: hij is niet ongeschonden uit de oorlog gekomen. Ik heb geprobeerd hem te helpen met het uitknobbelen van zijn verleden. Hij was erg gesloten, wilde er niet veel mee doen.

Uiteindelijk ben ik in therapie gegaan om op een of andere manier met hém on speaking terms te komen, maar het was toch een verhaal dat hij zelf moest zien te klaren. Het ging steeds moeizamer tussen ons. We namen een paar maanden afstand, probeerden het weer eens, maar het ging niet meer. Het was beter – zeker voor mij – maar ik heb er nog lang over gedaan om die scheiding een plek te geven. In de tijd dat ik televisie én theater deed, ben ik er pas echt los van geraakt. Ooit was hij de man met wie ik oud had willen worden, maar dat gevoel is overgegaan. Het zou ziekelijk zijn als ik daarin was blijven steken.

Nee, ik ben nooit ernstig op zoek gegaan naar een ander. Moet ik er nou op mijn zeventigste nog naar verlangen om met iemand tussen de lakens te glijden? Af en toe kom ik wel eens iemand tegen met wie... –zeg, waar ben ik mee bezig? Schei eens uit zeg! Dit is me veel te intiem. Openhartigheid is mooi, maar het moet wel ergens toe leiden.”

VIII - Gij zult niet stelen

„Misschien is stelen een te heftig woord, maar ik heb wel altijd goed gekeken hoe andere mensen bepaalde dingen deden. Afkijken. O, doen jullie dat zo? Daar voegde ik dan iets van mezelf aan toe en maakte het me zo eigen. Ik heb, wat mijn werk betreft, geluk gehad. Toen ik in 1969 bij de televisie kwam, bestonden veel dingen domweg niet. Wijlen Wim Koole (oud-directeur van de Ikon, AV) zei: ’Hoe zullen we dat noemen, Mary, wat jij doet?’ ’Research,’ zei ik, ’net als bij een universiteit.’ Ik luisterde hoe andere mensen hun vragen stelden, maakte een eigen systeem, leidde mensen daar in op. Docudrama’s: ik moest zelf maar uit zien te vinden hoe je zoiets maakte. Vanuit een kinder-point of view – nog niet eerder gebeurd – over relaties of emancipatie; alles moest nog min of meer bedacht worden. Ik zie mezelf nog bij Wim aan tafel zitten. Allebei een blocnote. Iene miene mutte, tien pond grutten Oké, jij mag beginnen. Programma’s bedenken, ideeën ontwikkelen. Prachtige jaren. Ik zie hoe mijn kids – de meiden die ik heb opgeleid – overal rondzwerven en de mooiste dingen maken. Ze bellen me weleens op en vragen om advies, maar ik zal er nooit uit mezelf mee komen. Ik heb mijn tijd gehad en daar ben ik helemaal niet rouwig om. Het was mooi, het was leuk, het was interessant. En het was klaar.”


IX - Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Soms kunnen mensen mij moeilijk inschatten; dan denken ze met een enorm wild vrouwtje van doen te hebben, terwijl ik in wezen een heel betrouwbaar, redelijk iemand ben. Ik heb in mijn researchtijd veel mensenkennis opgedaan. Als ik naar een verhaal luisterde, behield ik altijd enige achterdocht. Mensen waren voorzichtig; vertelden niet in één keer het hele verhaal. Pas als ik kon duidelijk maken dat ik hun verborgen leven zou omzetten in een docudrama en ze dus niet zelf met de hele reutemeteut op televisie kwamen durfden ze me te vertrouwen. Ach, het is toch niet voor niets ingewikkeld om iets prijs te geven over je gevoelsleven? Relaties zitten zó ingewikkeld in elkaar. Ik kan het weten. Bij mij is ook alles uit elkaar getrokken en op z’n kop gezet. Ja, ik heb mezelf wel beter leren kennen. Er is meer rust. Niet meer zo’n kort lontje, niet meer zo vreselijk snel verveeld. De ziekte heeft daar een grote rol in gespeeld: ik heb moeten leren leven met de situatie waar ik in zit. Elke dag is meegenomen.”

X - Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Mijn moeder kon vreselijk jaloers zijn. Mijn broer en ik maken er nog grappen over. We hoeven maar één ding te zeggen – ’Bontjas!’ – en we zijn weer helemaal terug in de tijd. Hoe jaloers ze was op die ene vrouw bij ons in de straat, die een bontjas had en een of andere poederdoos die zij plotseling óók fel begeerde. ’Maar mama’, zeiden we dan, ’zeur toch niet zo!’ Ontevreden, ja, altijd ontevreden. Mijn moeder was een pienter mensje, kon prachtig zingen en pianospelen, las veel – vooral geschiedenisboeken, ik ben naar Mary Stuart vernoemd – maar had, door mijn vader te trouwen, kennelijk het gevoel niets meer te hoeven presteren. Ik heb een laag jaloersgehalte. Ik vind het abject om afgunstig te zijn. En het vergalt je leven ook zo.

Ik heb niets te klagen, niet op werkgebied in ieder geval. Privé is het me niet altijd voor de wind gegaan. De echtscheiding heeft er nogal ingehakt en ik ben behoorlijk ziek Dit is weer zo’n lastig punt. Schrijf het alsjeblieft een beetje kies op want ik wil niet zeurderig overkomen, maar ik had nooit gedacht dat ik zoveel gezondheidsklachten zou krijgen. Als kind had ik ernstige nierproblemen, toen kreeg ik diabetes, daarna depressies – ik kon al die dingen op een of andere manier een plek geven. Hup Meer, it’s a beautiful morning, schouders eronder. En als het echt niet gaat: een Bisonkitdag. Maar die kanker nee, die kanker, daar had ik geen antwoord op. Nu is de kanker weg – afkloppen – maar ik zit nog met een leveraandoening en allerlei nare bijverschijnselen. Het tekent mijn leven enorm; ik moet iedere dag vechten. Het heeft geen zin om de hele dag naar het wit van je oogballen te gaan zitten staren. Je moet je best doen. Daarom heb ik, voor jij kwam, mijn haar gedaan en een leuk vestje aangetrokken. Stel je voor dat ik hier als een aftands typje had gezeten? Dan was je toch na een kwartier alweer vertrokken?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden