Martin van Geel (34), commercieel en technisch manager bij Willem II

De laatste 35 jaar behoorde in slechts twee gevallen de landskampioen voetbal niet tot het supertrio Ajax, Feyenoord, PSV. DWS (1964) en AZ '67 (1981) waren de enige uitzonderingen. 'De Rest' is financieel en sportief ver achterop geraakt. Toch lopen bij 'De Rest' niet louter gefrustreerden rond. Aan de vooravond van de 42ste jaargang betaald voetbal vertellen zes vertegenwoordigers van 'De Rest' - uit uiteenlopende disciplines - hun verhaal. Morgen: Wim Rijsbergen, 34 jaar, trainer-coach van NAC.

“Maar ach, je lichaam geeft op den duur aan dat het niet meer gaat. De belasting van achttien jaar profvoetbal is niet te onderschatten. Zeker niet wanneer je, zoals ik, lichamelijk niet tot de sterksten behoort. Soms ging het vijf jaar achter elkaar goed, maar dan kreeg ik ineens allerlei zware blessures. Dat was ook vorig seizoen zo. Het begon al op de lulligste manier die je je kunt voorstellen, nota bene op de allereerste training, op 26 juni. We doen een partijspelletje, ik probeer een bal binnen te houden en ga op een reservebal staan. Ik had de zwachtels om, maar mijn enkelbanden scheurden gewoon af. Dat kostte me meteen drie maanden. Later, in de wedstrijd tegen NEC, kreeg ik ook nog last van mijn rug. En ja, toen kwam Willem II met het aanbod om manager commerciële en technische zaken te worden. Die kans wilde ik grijpen. Ik deed al drie jaar lang de commercie voor Willem II. Gecombineerd met technische zaken kon ik gewoon niet meer voetballen. Ook al niet omdat ik maar moeilijk kon blijven spelen met jongens, waar ik gelijkertijd in technisch opzicht over moest oordelen en adiviseren aan het bestuur.”

“Ik heb nu de baan die Jan Reker ook graag wilde hebben. In september vorig jaar maakte Jan dat al duidelijk. Het bestuur van Willem II heeft hem meteen al laten weten dat hij geen manager zou worden. Toen zei Jan direct dat hij aan zijn laatste seizoen bezig was in Tilburg. Ik vond dat moeilijk. Het seizoen is net begonnen en dan zegt de trainer dat hij gaat stoppen. Steeds had ik goed met Jan gewerkt, maar toen in januari bekend werd dat ik manager zou worden, veranderde er iets in de onderlinge verhouding. Jammer. Er ontstond tenslotte ook een probleem met zijn assistent Theo de Jong. Tegen het eind van het seizoen speelden we een oefenwedstrijd in Zeeland tegen Vlissingen. Op diezelfde dag zat Jan in Maastricht met MVV te onderhandelen. Toen hij terugkwam hoorde hij dat Theo de Jong zijn zoon Dave tegen Vlissingen het laatste half uur had laten invallen. Er vielen nog meer tweede elftalspelers in, maar dat Dave de Jong ook was ingevallen, daar was Jan heel kwaad over. Ach, er is altijd een stok te vinden om de hond mee te slaan. Dave de Jong is nu trouwens weg. Hij was bij ons op amateurbasis. Zijn vader heeft natuurlijk ook zo hier en daar zijn connecties. Hij kon op stage bij Wolverhampton Wanderers en daar mocht hij blijven. Aan de ene kant jammer, want hij is een aardige voetballer, anderzijds is het altijd moeilijk wanneer een coach met zijn zoon moet werken.”

“In al die jaren profvoetbal heb ik mijn oren en ogen altijd goed open gehad. Mede door blessures kon ik bij Ajax niet doorbreken. Ik zeg met opzet mede door blessures, want jongens als Wim Kieft en Frank Rijkaard kwamen er aan. Nou die waren mij waarschijnlijk ook wel zonder blessures voorbijgegaan. Toch zijn die paar jaar Ajax voor mij heel leerzaam geweest. Daar ben ik mentaal gevormd. Als jong ventje was ik bij Willem II alleen maar gewend aan lof. Ik mocht mee doen met veel oudere spelers als Frans Roemgens en Henk van Rooy. Ze vonden alles goed wat ik deed. Ik kreeg eigenlijk alleen maar complimenten. Dat was bij Ajax wel even anders. In het begin keek ik er mijn ogen uit. In Amsterdam kreeg ik te maken met jongens als Piet Schrijvers, Ruud Krol en Sören Lerby. Het ging er keihard aan toe. Het was daar voor iedereen, voor jong en oud, elke dag een struggle for life. Als linkermiddenvelder was ik een rechtstreekse concurrent van Lerby. Dat heb ik geweten. Hij zocht mij altijd op de training, probeerde mij werkelijk af te maken. Lerby zag alleen zichzelf als linkshalf en maakte mij meteen duidelijk dat hij zijn plaats absoluut niet aan mij zou afstaan. Dat schelden van hem, daar moest je tegen kunnen. Wel, ik kon er gaandeweg tegen. Na twee jaar wist ik dat ik het niet had gered, jammer, maar ik was mentaal wel klaar voor het profvoetbal.”

“In de zeven jaar bij Roda JC heb ik meestal heel goed gespeeld. Ik was er een gewaardeerde middenvelder en scoorde veel. Het was teleurstellend dat er na enkele jaren geen grotere club voor mij kwam. Ik had er echt goede jaren. Het was een beetje laat, maar toen na zeven jaar Feyenoord mij kwam halen, vond ik dat een geweldige erkenning van mijn kwaliteiten. Iedereen weet hoe het bij Feyenoord is gegaan. Ook daar heb ik goed gespeeld, veel gescoord ook, maar toen de sponsor HCS en troubleshooters als Joop van der Reijden, Martin Snoeck en Ger Lagendijk het voor het zeggen kregen, behoorde ik tot hun slachtoffers. Niemand begreep waarom ik weg moest, maar het gebeurde wel. Toen heb ik nog eens gemerkt hoe egoïstisch dat profvoetbalwereldje soms in elkaar steekt. In een situatie dat er gehakt wordt, sta je er als speler volledig alleen voor. Niemand neemt het dan voor je op, niemand brengt ook zijn mening naar voren. Er gebeurden toen bij Feyenoord de gekste dingen. Neem Ton Lokhoff, dat is toch een heel goede middenvelder. In die tijd van Lagendijk en de trainers Pim Verbeek en de Zweed Bengtsson werd Ton rechtsback gezet. Hij werd een keer helemaal gek gespeeld door Bryan Roy, maar nooit deed hij zijn mond open. Bij Willem II kwam ik vervolgens in een moeilijke situatie terecht. De club was in degradatiegevaar, ik nam echt de gok in de eerste divisie terecht te komen, maar het is gelukkig steeds beter gegaan met de club. Nu is Willem II een gezonde, ambitieuze club. Een mooie club ook, die in Midden-Brabant een heel goed imago heeft.”

“Vlak voor ik naar Ajax ging, heb ik de HAVO nog afgemaakt. Nadien heb ik me in mijn vrije tijd doorgaans ook nog op andere gebieden gericht. Eén ding wist ik al heel vroeg: trainer wilde ik hoe dan ook niet worden. Wel ging ik bij het LOI een cursus journalistiek volgen. Hierdoor kreeg ik in de tijd bij Roda JC een baan op de redactie van het Limburgs Dagblad. Ik deed er avonddiensten, leerde berichten maken en artikelen schrijven. Het was leuk, maar niet iets dat ik wilde blijven doen. Ik ben graag onder de mensen en voelde meer voor public relations. Zo rolde ik, eenmaal terug bij Willem II, van het één in het ander. Voor de gemeente Tilburg zette ik een Businness-blad op. Ik begon met niet meer dan een telefoon op zolder, maar op het gebied van acquisitie ging het meteen heel aardig. Het was natuurlijk een voordeel om als voetballer van Willem II bij de bedrijven binnen te komen. Toen Willem II zag dat het leuk ging met dat blad, vroeg de club mij een stadionkrant te beginnen en later ook nog een mooi kleurenblad. Die stadionkrant levert goed op en is in een oplage van negentigduizend exemplaren een mooie band met de supporters. Het leuke van dit aspect van het werk is dat je overal binnenkomt. Je praat met de eigenaar van een snackbar en met een multinational. En ik vind het allebei even leuk.”

Loyaal

“Het aardigste bij Willem II is dat alles in een teamverband gaat. Er staat een goed en breed vertakt scoutingsysteem op poten. Heel veel voormalige eerste elftalspelers zijn bij die scouting betrokken. Die ex-spelers hebben een band met de club, maar ook iemand als Addy Brouwers, die toch altijd voor NAC heeft gespeeld, werkt voor ons. Van de spelers wordt verlangd dat zij ook in teamverband denken. Ze moeten heel graag voor deze mooie club willen spelen. Ik heb pas een onderhoud gehad met Earnie Stewart. We lezen steeds dat hij het bij Willem II wel heeft gezien. Tegenover ons ontkent hij dat. Het is graag of helemaal niet. Hij kent zijn transferprijs, die is in een clausule in zijn contract op anderhalf miljoen gulden vastgesteld. Voor dat bedrag mag hij weg. Als er dan geen enkele club interesse heeft, moet hij niet zeuren, maar loyaal blijven aan de club waarvoor hij speelt. Wat dat betreft is die voetballerij een eigenaardige wereld. Het is ondenkbaar dat je bij een gewoon bedrijf de negatieve dingen kunt zeggen die voetballers zich soms permitteren. We proberen de spelers ook te leren omgaan met de commerciële kant van het voetbal. Ze moeten goed begrijpen dat de commercie voor zestig à zeventig procent de begroting bepaalt bij Willem II. Dankzij die commercie is de begroting de laatste drie jaar bijna verdubbeld: van 4,5 naar 8 miljoen gulden. Ik weet maar al te goed hoe voetballers die sponsors vaak zien. Een voetballer voetbalt en traint. Toch moet hij begrijpen dat die sponsors na de wedstrijd ook wel eens met de spelers willen praten; of die speler dat nu leuk vindt of niet. We organiseren voor de sponsors en de spelers samen ook wel leuke dagen. Hans Kraay en Mart Smeets hebben al eens lezingen verzorgd. Smeets boeide iedereen met zijn betoog over de beleving van topsporters. Hij vertelde over het Nederlandse volleybalteam. Die jongens hadden zich jarenlang op de finale van de Olympische Spelen gericht. Toen ze die finale haalden en verloren, zei Avital Selinger: 'Wat zijn we toch een stelletje lullen, we hadden ons jarenlang op het winnen van die finale moeten richten.”

Stabiel

“Willem II is dus een ambitieuze club. We willen een stabiele subtopper zijn op het niveau van FC Twente en Vitesse. Als het goed gaat moeten we op de vierde of vijfde plaats mikken, als het iets minder gaat op de zesde of zevende plaats. En dat dan met een attractief soort, aanvallend voetbal waarbij wij de tegenstander onze wil opleggen. De kloof met de top-drie is natuurlijk niet meer te dichten. Willem II zal heus geen landskampioen meer worden.”

Jullie zijn dus als die volleyballers.

“In zekere zin, ja. Maar je moet realistisch blijven. Tegen clubs met een begroting van dertig miljoen, zal Willem II nooit op kunnen. Incidenteel kan er eens iets gebeuren. Roda JC heeft het natuurlijk heel goed gedaan vorig seizoen, maar je ziet het meteen: Atteveld weg, naar Vitesse nog wel, Huiberts weg en Iwan weg. Je kunt hooguit eens denken aan de Amerikaanse topsport waar de beste spelers gewoon over de clubs worden verdeeld. Maar dat lijkt me een nogal onnatuurlijke manier.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden