Martin Simek

Martin Simek (Praag, 1948) kwam op zijn negentiende naar Nederland. Hij studeerde economie, werd tenniscoach en later presentator van radio- en tv-programma's. Voor De Groene Amsterdammer tekent hij, onder de naam Anone, wekelijks een cartoon. De RVU zendt op woensdagavond het programma 'Simek adverteert' uit waarin 'gewone mensen' hun levensverhalen, talenten of visies mogen etaleren.

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,Voor mij is het vanzelfsprekend dat er iets is wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Waarom zou ik dat benoemen? Respect is al genoeg. Kant zei ooit: 'Wat mij zo fascineert, is de blauwe hemel boven mij en de innerlijke wet in mij'. Ik ben graag in de natuur. Ik kan ontroerd raken door het plotselinge besef dat mijn vader, mijn moeder, mijn opa, mijn oma - mijn voorouders er ook zijn geweest. Want als zij de natuur introkken, zochten ze precies zo'n plekje op. Geen plastic zakjes, geen paaltjes waarop staat 'fietspad links, voetpad rechts', nee, ongerepte natuur waarin je je afvraagt in welke eeuw we eigenlijk leven. Een tijdloze plaats.''

,,Het is meer dan ontzag voor de natuur, het is respect voor het heelal, voor het zijn, voor God - als je het zo wilt noemen. Zolang je je die God maar niet als een schoolmeester voorstelt die ons zal straffen als wij ons misdragen. Het heeft toch geen enkele morele waarde meer als je het stelen en moorden alleen maar laat omdat je bang bent voor de straf? Ik leef naar die wonderlijke, innerlijke wet in mij die kennelijk bestaat zonder dat ik weet waarom. Iedereen speelt zijn eigen, natuurlijke rol; het enige wat mij interesseert is de natuurlijkheid in mijzelf te volgen. Ik verzet mij niet tegen de elementen. Ik word niet boos als een overstroming de helft van mijn land in Italië verwoest. Ik moet altijd lachen als ik mensen door de regen zie lopen. Let maar eens op: ze fronsen allemaal. Alsof dat helpt. Wie niet fronst zal de regen anders ervaren.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Vereerd te worden is net zo vervelend als te worden verguisd want in beide gevallen betekent het dat je geen contact met de ander hebt. Mensen die mij van dichtbij meemaken, begrijpen mijn intenties. Ik zal niet zeggen dat verguizing altijd voortkomt uit onbegrip, maar ik geloof wel dat dingen op televisie soms niet goed overkomen, of anders dan ze werkelijk zijn - dat is inherent aan het medium. Nog te vaak blijkt het beeld dat mensen van mij hebben niet te kloppen. Zo word ik bijvoorbeeld regelmatig aangesproken met: 'Sorry dat ik het vraag hoor, maar bent u niet..?' Ze kunnen niet geloven dat ik simpel gekleed ga, tweedeklas reis, of bij de wasserette op mijn beurt sta te wachten. Kennelijk verwachten ze Martin Simek niet op de plaatsen waar ze hem tegenkomen en denken: dat zal wel iemand anders zijn.''

,,Thuis, in Italië, ligt dat anders. In het dorp waar ik vijf maanden per jaar woon, weten ze niet dat ik radio- en televisieprogramma's maak. Ze weten niet dat ik mensen heb leren tennissen. Ze weten niet eens wat tennis is. Voor hen ben ik iemand die op het land werkt, net als zij. Ze vinden mij apart en denken: hij zal in de tijd dat hij hier niet is genoeg geld verdienen met apart-zijn. En het mooie is: ze zijn altijd blij als ik het dorp kom binnenrijden en 's avonds op de stoep ga zitten om de dingen van het moment met hun te delen. Ze worden niet beter van mij. Dat ik er ben, is hen genoeg.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Voor in de tram hangt een bordje waarop staat: niet spreken met de bestuurder. Zo denk ik ook over God. Ik verwonder mij over een man als Andries Knevel die verkondigt dat God bestaat, maar ik verwonder mij net zozeer over Jan Mulder die rondbazuint dat er geen God is. Ik vind het al hoogmoedig om mij zoiets af te vragen. Ik ben niet opgevoed met de ambitie hem persoonlijk te leren kennen. Ik heb Knevel ooit gevraagd of hij er niet bang voor was dat hij, vanwege zijn zendingsdrang, in de hel zou belanden. Dat was een serieuze vraag. Ik kan mij namelijk heel goed voorstellen dat het God, als hij bestaat, mateloos irriteert dat iemand voortdurend namens hem het woord meent te moeten nemen. Ik richt mij niet tot God. Ook niet door te vloeken. Als ik kwaad word, word ik kwaad op mijzelf: klootzak, lul! Tegen een ander zeg ik zoiets niet. Ja, tegen betaling, als coach. Je kunt mij huren om op jou te schelden. Maar waarom zou ik op je gaan schelden als je mij daar toch niet voor betaalt?''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Niet de kerk, maar mijn natuur geeft aan wanneer ik een rustdag moet nemen. Dat is op zich een wonderlijk proces: als ik om oneigenlijke redenen ergens aan begin, ben ik als een lekke bal die niet meer op te pompen is. Maar als ik ergens met hart en ziel ben ingestapt, lijkt er aan mijn energie geen einde te komen.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Daar heb ik nooit het minste probleem mee gehad. Dat is meer hun, dan mijn verdienste. Ze zijn, ten opzichte van mij, altijd zichzelf geweest. Mijn vader was een uitstekend toneelspeler - als het nodig was; als hij de familie moest beschermen. Zonder dat talent overleef je het communisme niet. Maar thuis, binnenskamers, was er vertrouwen, openheid. Thuis was het veilig, daar kon je alles zeggen.''

,,Ik heb twee broers. Ze zijn acht en twaalf jaar ouder, maar ik werd tijdens de gesprekken aan tafel nooit buitengesloten. Mijn vader liet mij altijd uitpraten. En als zij spraken over iets wat eigenlijk boven mijn pet ging, zei hij: 'Begrijp je waar we het over hebben?' En: 'Hoe heb je het dan begrepen?' Hij betrok mij in elk gesprek. Dat was vanzelfsprekend.''

,,Toen ik negentien was, moest ik weg uit Tsjechië. Ik kon niet langer blijven. In eerste instantie had mijn vader mij gesteund. Toen ik rechten wilde studeren, zei hij: 'Martin, Martin, je zou er beter aan doen om je Engels te verbeteren'. Met andere woorden: straks moet je weg, de vrije wereld in. Maar toen het moment aanbrak waarop ik zou vertrekken, kon hij mij niet meer laten gaan. Wacht nog even, wacht nog even. Dat is voor ons beiden heel moeilijk geweest. 'Het was apenliefde', zei hij later. Ik dacht dat ik maar tien jaar weg zou blijven, maar ik ben in feite nooit meer teruggegaan. Mijn ouders zijn inmiddels gestorven, maar ik draag hen altijd in mijn hart. Ik was toch min of meer hun nakomertje. Ze trokken met mij de heuvels in. Ik was een enthousiast jongetje dat voortdurend voor hen uit holde. Mijn ouders liepen mij te langzaam. Ik wilde steeds vooruitlopen. 'Martin!' riep mijn moeder dan, 'tot aan de horizon!' En dan rende ik ervandoor. Als ik daar was aangekomen, kon ik niet wachten tot mijn ouders bij mij kwamen en ik verder mocht, tot de nieuwe horizon.''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Ik heb Jan Palach gekend. Hij studeerde filosofie. We aten in dezelfde mensa. Palach was een stille, introverte jongen. Naïef ook. Hij stak zichzelf op 19 januari 1969 in brand en dacht dat zijn dood - en die van zijn vrienden na hem - de wereld op een dag zou doen inzien dat er een einde aan de Russische bezetting moest komen. Het was een indrukwekkend beeld, maar ik had al negentien jaar geleefd in een land waar de propagandamachine zo goed werkte dat ik zeker wist dat niemand ooit te weten zou komen wie deze brandende fakkels waren geweest en voor welk doel zij een einde aan hun leven hadden gemaakt. Nog voor Jan Palach zichzelf in brand had gestoken was ik uit Tsjechië vertrokken. Ik zag dat het een hopeloze situatie was. Ik heb nooit gedacht: ik ga de onderdrukker te lijf. Wij waren als kinderen in een box, omringd door een groep volwassenen - wat konden we doen? Ik heb met de soldaten gesproken. Ze kwamen uit allerlei sovjetrepublieken. Ze hadden geen idee naar welk land ze waren gestuurd. Volgens mij waren ze bang. Ik denk dat de doden die zijn gevallen het slachtoffer waren van hun paniek.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Ik heb altijd een relatie, maar er zijn misschien vijf vrouwen van wie ik echt heb gehouden en van wie ik nog altijd hou. Voor mij is het onbegrijpelijk dat mensen die eerst van elkaar hebben gehouden elkaar later toch niet meer willen zien. Als een meisje, op wie ik mijn oog had laten vallen, slecht sprak over haar vorige vriend bekeek ik haar alleen nog maar als iemand met wie ik naar bed zou kunnen gaan. Meer interesseerde mij niet. Want iemand die zo'n kronkel in haar gedachten heeft is dom of niet in orde. Erotiek kan voorbijgaan, maar liefde toch niet? Bij mij in ieder geval nooit. Dat heeft overigens niets met een huwelijk te maken. De huwelijkse belofte is iets krankzinnigs. Alleen jonge, naïeve mensen kunnen elkaar eeuwige trouw beloven. Als ik niet was weggegaan uit Tsjechië, was ik misschien ook wel op mijn drieëntwintigste getrouwd. Ik zou in het buitenland economie gaan studeren - omdat ik dacht: straks, als mijn land onder het communistisch juk vandaan komt, heeft het economen nodig - terugkeren en trouwen met een Tsjechische. Maar ik bleef langer en langer weg en ik begon bovendien te beseffen wat zo'n belofte in zou houden. Ik wist dat ik nooit zou kunnen beloven dat ik mijn leven lang één vrouw trouw zou blijven. Als je zo jong bent, kun je helemaal niet overzien tot welke hel zo'n belofte kan leiden. Wat bedoel je: zo'n belofte kun je breken? Dat kan toch helemaal niet? Wat heeft die belofte dan voor zin? Moet je dan zeggen: jammer, het is niet gelukt? Ja, zeg! Dat vind ik veel te makkelijk. Ik wil alleen beloven wat ik kan overzien. En díe belofte is mij dan heilig ook.'',,Ik geef je een voorbeeld: ik ben ooit een contract met een tennisspeler van een behoorlijk kaliber misgelopen, omdat ik met een veel mindere speler een afspraak had. Ik moest nog vijf maanden uitdienen en die andere jongen wilde niet wachten. Het was een mondelinge afspraak - dus in feite had ik geen echte verplichting - maar ik ben hem toch nagekomen. Als er één ding in mijn leven is waar ik spijt van heb, dan is het: dat ik niet met die grote speler heb kunnen werken. En als er één ding is waar ik géén spijt van heb, dan is het dat ik woord heb kunnen houden aan de jongen die in de tenniswereld geen enkele betekenis had.''

8. Gij zult niet stelen

,,Ik woon in Calabrië, een gebied waaruit veel mensen weggetrokken zijn, waar de huizen vervallen zijn, verlaten. Als ik een wandeling maak en een huis zie waarvan het dak naar beneden is gedonderd en de deur openstaat, ga ik naar binnen. Pas als ik er helemaal zeker van ben dat niemand dit huis meer bezoekt, neem ik wat oude borden of vazen mee. Het is niet van mij, dat is waar, maar ik wil het toch geen diefstal noemen. Ik red iets. Ik koop nooit iets bij een antiquair omdat de spullen die hij aanbiedt al gered zijn. Ik vind het redden net zo belangrijk als - of misschien nog wel belangrijker dan - het creëren van dingen.''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Op school moest ik navertellen hoe de machtsovername van 1948 was verlopen, terwijl ik van mijn ouders had gehoord hoe het werkelijk was gegaan. Maar dat mocht ik natuurlijk niet weten. Dus loog ik met groot plezier. En dat ik voor mijn leugens ook nog een tien kreeg, bewees voor mij eens te meer hoe dom en kwetsbaar het regime was. Ik heb goed leren liegen en daar is op zich niet veel mis mee. Pas als je leert liegen, kun je het ook laten. Zo is dat met alle kwaad. Voor alles is in de wereld plaats. Pas als je in staat bent zowel het kwade als het goede te doen, kun je een keuze maken.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Een vrouw behoort nooit aan iemand toe. Zelfs niet als zij met een ander is getrouwd. Ik hoop in ieder geval niet dat de belofte die zij ooit in haar naïviteit heeft uitgekraamd, mij ervan zal weerhouden om spontaan op haar te reageren. Wat nou: stel dat zij een goed huwelijk heeft? Ik ben toch geen psychiater? Ik ben niet geïnteresseerd in haar huwelijk, ik ben geïnteresseerd in die vrouw. En als de relatie tussen haar en haar echtgenoot goed is, ziet ze mij niet staan. Ik zal mijzelf niet opdringen, dat spreekt vanzelf. Dus: als ik haar begeer, zonder dat zij daar iets van merkt, dan doe ik toch niet iets kwaads? Ik ben subtiel in mijn begeerte hoor, niet iemand die van dik hout planken zaagt.

Ik heb overigens in de laatste negen jaar, hier in Nederland, niet één vrouw begeerd. In Tsjechië ben ik daar veel ontvankelijker voor. Tsjechische meisjes ruiken naar iets wat ik enorm mis; zij dragen alles in zich wat ik heb verloren. Als ik in Praag ben, ontmoet ik meestal wel iemand die mij echt iets doet. In Nederland gebeurt mij dat niet meer. Ja, wacht, toch.

Een klein jaar geleden kwam ik in de tram een meisje tegen. We zaten in de sneltram van Amstelveen. Lijn 15. Ik kwam van de tandarts, had enorme pijn in mijn bek en heb haar toch gezien. Ik vond haar prachtig, maar ze was eigenlijk te jong om naar te kijken. Ik vond mijzelf. . . hoe zal ik het zeggen. . . onaanbiedbaar. Toen zij vlak voor het World Trade Centre uitstapte, had ik pas in de gaten dat zij ook naar mij had gekeken. Ze glimlachte en stuurde mij een kus - ondanks mijn opgezwollen gezicht. Maar goed, ik hou al van iemand en zolang zij er is, zal ik van dit soort momenten niet zo snel gebruikmaken. Als ze er niet is, ligt de lat wat lager. Het gaat ook niet over liefde, het gaat over erotiek. Masturberen heeft nu eenmaal niet mijn voorkeur. Vind ik ook een trieste bezigheid, zeker voor een man van mijn leeftijd.''

,,Ja, ik ben een vrouwenman. Ik houd van intimiteit en met een vrouw kun je, binnen korte tijd, heel ver komen. Met mannen ligt dat toch wat moeilijker. Ik ben niet bi- of homoseksueel en maak met mijn intimiteit - met wat er ontstaat - vaak andere heteroseksuele mannen aan het schrikken. En toen ik merkte hoe homoseksuele mannen op mij reageerden; hoe zij mijn hang naar intimiteit verkeerd verklaarden, schrok ik. Dát is niet mijn bedoeling. Ik heb nu geleerd de boel af te houden. Zolang een aanraking nog niet seksueel is, maakt die aanraking mij niet bang. Integendeel, ik vind het plezierig. Als ik zie dat de aanraking seksueel wordt, wil ik vrij zijn om daarop te kunnen reageren.''

,,Ik ben vrouwen ook heel dankbaar. Ik had op mijn negentiende mijn vaderland verloren en zij dachten mijn verdriet aan te voelen. De man wil met je praten, maar de vrouw zegt: 'Hou je mond maar, ik begrijp alles'. Vandaar dat ik mijn eerste jaren in Nederland van vrouwen afhankelijk was. Zij kunnen zich aan een vreemdeling overgeven zonder veel vragen te stellen. Het is toch prachtig dat een meisje, zonder hem te balloteren, kiest voor een man die nauwelijks Nederlands spreekt? Het heeft mij bevestigd in wie ik ben. Ik ben niet gefrustreerd gebleven; ik ben aan de frustratie van een onvrij land ontsnapt, ik ben de frustratie ontgroeid van de man die zich nauwelijks kon uitdrukken.

Ik ben zo ver dat ik met niemand meer wil ruilen. Ik ben nog altijd een buitenstaander, maar daar kan ik ook mijn voordeel mee doen. Ik ben op een on-Hollandse manier open, dat is mijn kracht. Ik ben geen schepper. Harry Mulisch kan het alleen. Ik niet. Ik ben een katalysator. Zonder anderen ben ik niets waard.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden