Marokkaanse lieverdjes hebben de toekomst

Het integratiedebat sleept zich al jaren voort. Hoe krijgen ’rot-Marokkanen’ en autochtonen samen een toekomst in Nederland? Criminoloog Hans Werdmölder belicht overlast, botsende werelden en haat versus haat.

Marokkaans-Nederlandse jongeren veroorzaken al dertig jaar overlast, en niet alleen meer in de grote steden, al is het daar het heftigst. De Marokkaanse gemeenschap krijgt daardoor een slechte naam met vervelende gevolgen voor de goedwillenden.

Menig Marokkaans kind in Nederland leidt een dubbelleven: thuis en op straat. Zelf hebben de Marokkaanse ’rotjongens’ het over drie ’levens’: het saaie autoritaire leven thuis, het vrije leven op school en het spannende leven op straat. Tussen die werelden bestaat weinig contact, terwijl dat juist zorgt voor integratie in het gezin, de school en de gemeenschap. Daar maakt een kind zich normen en waarden en accepteert het de discipline die nodig is voor het verwerven van kennis en vaardigheden. De omgeving die eisen stelt aan de jongeren moet ook geborgenheid bieden. Dat is cruciaal – ook voor sociale cohesie, voor betrokkenheid bij de wijk.

Ze wonen vaak in ’concentratiebuurten’, waar nauwelijks nog autochtonen wonen – een opeenhoping van uitkeringstrekkers, lage inkomens, werkloze jongeren, werkloze vaders, grote gezinnen in kleine woningen, ouders die geen of gebrekkig Nederlands spreken, kinderen met een taalachterstand en zeer slechte scholen en criminele jeugd. Daar verdwijnt de sociale cohesie en voelt een groot deel van de bewoners zich te geïntimideerd om zelf op te treden of aangifte te doen.

Wat ik bespeur is dat Marokkanen wegkijken, die feiten niet onder ogen willen zien – dat de criminaliteit onder hen zesmaal zo hoog is als onder Nederlanders – en dat ’de media’ alles opkloppen.

Neem Joessef, vroeger verslaafd en crimineel, nu een keurige huisvader. Hij noemt, wat hij ziet bij Pauw & Witteman en leest in De Telegraaf, uitingen van ’haat’ van Nederlanders, en die is wederzijds, zegt Joessef. Dat veroorzaakt agressie. „Ik maak het vaak mee, ik word ook met de nek aangekeken omdat ik Marokkaan ben. Op een gegeven moment zeg ik: sodemieter op. Ze zeggen: die jongens deugen niet. Nee, de maatschappij deugt niet. Het is haat tegen haat.”

Joessef erkent dat ’hinderlijk gedrag’ voorkomt, maar dat is ’uitgelokt’. „En als de politie komt, krijgen de Hollanders altijd gelijk. Er is een heksenjacht op Marokkanen. Ik heb het zelf meegemaakt. Op het werk. Op de eerste dag voel je het al. Ze willen geen Marokkaanse collega’s hebben. Die haat is eigenlijk het grootste probleem. Het is haat tegen haat. Dat voel je, dat voelen ook die jongens. De boodschap is: ga terug naar je eigen land.”

Tolerantie, fatsoen en respect moet je aanleren, afdwingen gaat niet. En het moet van beide kanten komen, anders is tolerantie geïncasseerde onmacht. Maar bij deze Marokkaanse Nederlanders zit woede en permanente verontwaardiging. Tegelijkertijd legt Joessef ook de vinger op de wonde: het draait om opvoeding en voeling met de Nederlandse samenleving.

Binnen Marokkaans-Nederlandse gezinnen biedt de islam doorgaans een belangrijk richtsnoer. In Marokko hangt status samen met de wijze waarop een persoon zijn godsdienst beleeft, hoe hij met zijn kinderen omgaat en hoe zijn vrouw zich gedraagt.

Dit geldt ook in Nederland. Ouders hechten veel belang aan autoriteit en respect, ze zijn strenger, praten minder, slaan eerder. De vader ontleent zijn gezag aan de islam en de traditie. Binnen het gezin hebben de jongens meestal een geprivilegieerde positie, ze hebben geen huishoudelijke taken, krijgen veel aandacht en in vergelijking met hun zusjes veel meer persoonlijke vrijheid. De moeder is de spil van het gezin en vormt de natuurlijke buffer tussen de autoritaire vader en de naar vrijheid hunkerende kinderen. Bij Marokkaanse jongeren die zijn opgevoed in een groepscultuur is het vermogen tot innerlijke zelfbeheersing – zelfdwang – minder ontwikkeld.

Het beroep van de ouders, hun sociaal netwerk en de gezinsgrootte hebben indirect ook invloed op de opvoeding. Analfabete ouders schieten vaak tekort en zijn onvoldoende in staat hun kinderen te begeleiden. In veel Marokkaanse gezinnen is er geen tafel of bureau waaraan het huiswerk kan worden gemaakt, er bestaat geen voorleestraditie en ouders kijken niet of zelden samen met hun kinderen naar educatieve televisieprogramma’s. In de Amsterdamse wijk Slotervaart groeien jongeren op in gezinnen, waarvan de vader zelfs nooit aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, terwijl de moeder maar zelden het huis uitkomt. Het ontbreekt de kinderen aan goede rolmodellen.

De school zou het verlengstuk van de opvoeding binnen het gezin moeten zijn; het is meer dan een leerfabriek, het is ook een gemeenschap van leerlingen en leerkrachten en dient de integratie van de leerlingen in de samenleving te bevorderen.

Nogal wat Marokkaanse ouders hebben kritiek op het Nederlandse onderwijs en een bijna ’mythisch geloof’ in de islam, ze vinden dat leraren te informeel met hun leerlingen omgaan, te weinig prestatiegericht zijn en in de lespakketten zou te weinig aandacht zijn voor hun eigen taal, cultuur en religie. Daarom zijn islamitische scholen populair.

Op school – en dus vrijwel uit het zicht van de ouders – ondergaan de kinderen de invloed van de vrijheden en mores binnen de Nederlandse samenleving. Ze worden vaak ’onhandelbaar in de klas’ en vertonen spijbelgedrag door hun grote taalachterstand, zeker wanneer de kinderen thuis alleen de moedertaal spreken, zoals in achterstandswijken.

Van alle schoolvestigingen in de grote steden is inmiddels de helft een ’zwarte school’, met meer dan 50 procent allochtone leerlingen. Met enige regelmaat verschijnen er ’impressies van binnenuit’. In 2004 verscheen een boekje dat zo begint: „De gemiddelde allochtone kleuter spreekt en verstaat nauwelijks Nederlands, begrijpt zijn eigen moedertaal niet goed, komt met de speen nog in de mond en hangend in een buggy binnen. Wat een illusie om te denken dat je dat nog in kan halen...” Dan volgt het verhaal over gebrek aan respect van Marokkaanse jongens voor vrouwen, kinderen die in thee spugen, leerlingen die stelen tijdens uitstapjes en meisjes die plots met een hoofddoek naar school komen.

Doen Marokkaanse meisjes het goed op school? Dat is nog maar de vraag. „Wat we wel kunnen zeggen”, noteren onderzoekers, „is dat meisjes hun achterstand veel harder hebben ingelopen dan jongens, maar niet of ze hen inmiddels zijn voorbijgestreefd. Deze inhaalslag op de jongens is spectaculair en in die zin zijn de meisjes zonder meer succesvol”.

Onder Marokkanen is verdeeldheid troef, maar wanneer ze als gemeenschap worden geconfronteerd met belastende feiten, sluiten ze de gelederen. Marokkanen houden er in moreel opzicht een dubbele boekhouding op na: een voor de binnenwereld en een voor de buitenwereld. Met familie heb je een persoonlijke band, daar houd je rekening mee en je brengt ze niet in verlegenheid. In relaties met de buitenwereld is wantrouwen op zijn plaats. Met mensen die je niet kent hoef je geen rekening te houden. Ook Marokkaans-Nederlandse jongens van de tweede generatie blijven gevoelig voor zaken als eer, respect en schaamte. Ze willen ook niet publiekelijk worden gecorrigeerd, zeker niet door jonge Nederlandse vrouwen.

Toch vragen autochtone én allochtone Nederlanders zich af: waarom gedraagt juist deze groep jongeren zich zo? Waar komt die straatterreur vandaan? Waarom ontkennen ze altijd? En waarom is die criminaliteit zo vaak gericht op autochtone Nederlanders?

Een antwoord is niet altijd precies te geven, maar kern is dat de verschillende microsystemen waarin een Marokkaans kind opgroeit, door migratie, abrupte veranderingen van leefomgeving en het opgroeien in etnische enclaves, niet meer in elkaars verlengde liggen. Wanneer deze verbanden om een of andere reden niet overeenstemmen, uit elkaar vallen en van elkaar geïsoleerd raken, kunnen jongeren in de samenleving niet goed functioneren. De kans is groot dat jongeren, of zij nu allochtoon of autochtoon zijn, in de war raken en verdwalen in een web van elkaar tegensprekende boodschappen.

In dergelijke gevallen functioneert het drieluik gezin, school en gemeenschap niet meer als vanzelfsprekend kader van socialisatie en ontstaat een verinnerlijkt cultuurconflict, als psychische uitkomst van de botsing van twee, of eigenlijk drie, verschillende cultuur- en denkpatronen, die hen bewust en onbewust aangereikt worden binnen het gezin, op school en op straat. Bij Marokkaanse jongens, die vaak een beperkte maatschappelijke bagage hebben en bij wie de zelfcontrole dikwijls onvoldoende is ontwikkeld, kan het gepropageerd assertief gedrag heel gemakkelijk omslaan in verzet, agressie, antisociaal gedrag en radicalisering.

De problemen van Marokkaanse ’rotjongens’ hebben vaak een lange geschiedenis van emotionele verwaarlozing, onvoldoende begeleiding door ouders, slechte scholing en het opgroeien in achterstandswijken. Maar hun gedrag komt ook doordat wij hen te veel sociale ruimte geven. Niet wat mag, maar wat kan, is bepalend voor de grenzen van hun handelen. En in Nederland kán heel veel.

Is er een uitweg uit de problemen? Ja, maar dat vereist wel een veelzijdige aanpak: van opleiding via spreiding van etnische minderheden tot aan resocialisatie en snelrecht. Daar ligt ook een taak voor hun eigen intellectuele voorhoede: die doet meestal alsof de grote problemen kleinigheden zijn, waar Wilders en consorten zich onnodig druk om maken.

Uitsluiting op de arbeidsmarkt en discriminatie in de rechtszaal zijn uit den boze. Een jongeman mag geen strengere straf krijgen enkel vanwege een Marokkaanse achtergrond. De rechter kan wel creatief zijn en desnoods de straf opschorten en ervoor zorgen dat een jongeman een tijdje terugkeert naar Marokko. Dan keert hier de rust in het gezin terug en ondergaat de jongen ver weg de morele afkeuring: reintegrative shaming, net als bij ons in de jaren vijftig – zo is straatschoffie Ali B. nog goed terechtgekomen, als rappende knuffelmarokkaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden