Marlene, zo jong en toch al vergeten

MARLENE, ZO JONG EN TOCH AL VERGETEN

Ze staat er niet in, Marlene Dietrich, in de volledig vernieuwde, vijftiende uitgave van 'Brockhaus' KonversationsLexikon', kortweg 'Der Groe Brockhaus'. In 1928 werd een begin gemaakt met de uitgave van die geheel herziene, twintigdelige versie, die in 1935 werd afgesloten. Nu zegt men in de in memoriams, dat de 'diva' Dietrich al in de jaren twintig furore maakte in Duitsland, maar dat moet met een korrel zout worden genomen. Want als je de grote Brockhaus niet haalt (we spreken hier over ruim 15 000 pagina's en zeker 200 000 woorden Duitsland aangaande informatie) dan kun je niet echt wat hebben betekend, toen.

Het is ongetwijfeld de meest fascinerende Brockhaus die er ooit is verschenen, die vijftiende druk. Vanwege de jaren die worden omspannen en dus om alles wat er wel en wat er niet in staat. In dit verband bij voorbeeld alleen al, omdat wij ingeklemd tussen Dino di en Raffaelino del, wel degelijk Greta aantreffen: het lemma van de Garbo's. Zij: Zweedse filmactrice, op onbekende datum te Gotenburg geboren, woont te Hollywood, debuteerde in de Zweedse film 'Josta Berling', speelde later in de Duitse film 'Die freundliche xxxfe', ging toen naar Amerika, waar zij vooral in de rol van de hartstochtelijke vrouw in 'Es war' en 'Anna Karenina', opviel. (Deel 6, 1930)

Een jaar eerder verscheen deel 4 van de grote Brockhaus waarin de toch populaire Marlene Dietrich geen plaatsje vond. Maar ach, de speelfilm komt er onder het woord Lichtspielwesen toch al tamelijk bekaaid vanaf.

Dietrich kon zich in 1934 troosten, toen deel 18 verscheen werd er ook geen ruimte gemaakt om de toch ook befaamde Duitse regisseur Josef von Sternberg nader te verklaren. Daar was, gezien het tijdsbeeld en sinds hun vertrek naar de VS, wel enige reden voor te vinden. Maar er was ook niet echt veel belangstelling om het beroemste produkt van hun samenwerking van uitleg te voorzien, toen. Zo valt bij Heinrich Mann (deel 12, 1932 hij moest toen nog uit de gratie vallen) alleen te vinden, dat zijn boek 'Der blaue Engel' in 1930 als 'Tonfilm bearbeiteit' is. Maar wie, waarom en waar, dat ontbreekt bij zijn lemma, dat overigens nog niet de helft beslaat van dat van Greta Garbo.

Wal en schip

Heinrich Mann, Greta Garbo, Josef von Sternberg en ook Marlene Dietrich (ook onder haar echte naam von Losch onvindbaar) bevinden zich in de vijftiende druk van de Brockhaus in het tussen wal en schip-gezelschap waartoe ook iemand als Adolf Hitler aanvankelijk nog behoort.

Adolf Hitlers lemma in het in 1931 verschenen deel 8, is 21 regels lang en bevat enige basisinformatie over deze 'Fuhrer der deutschen Nationalsozialisten', geboren Oostenrijker, huisschilder, korporaal. Na hem volgt, al een beetje uitgebreider, een verslag van de Hitlerputsch van november 1923. Men krijgt er niet bepaald het idee uit, dat deze Adolf Hitler als politiek figuur werkelijk serieus wordt genomen. De uitleg over de putsch behandelt veel eerder de tragische positie van de Beierse Generalstaatskommissar Gustav Ritter von Kahr. Deze werd in '34 door Hitler vermoord, maar dat valt in de laatste delen van deze Brockhaus weer niet terug te vinden.

Dat de geschiedenis dan op een holletje gaat, blijkt uit het feit dat in het uit 1935 stammende deel 20 meer aandacht aan Horst Wessel wordt besteed, dan Hitler eerder ten deel is gevallen. Wessel krijgt zelfs een foto mee en bij hem vallen tekst en muziek te vinden van de aanvang van het Horst Wessel-lied: 'Die Fahne hoch, die Reihen dicht geschlossen'.

Bordeel

Achteraf weten we, dat Horst Wessel bij een ruzie in een bordeel het loodje heeft moeten leggen, maar hier is hij de domineeszoon en veelbelovende rechtenstudent, die politiek actief werd in de NSDAP. 'Zijn doel was in de eerste plaats, zoveel mogelijk arbeiders voor de nationaalsocialistische beweging te winnen'. Maar dat leverde hem 'de haat der communisten op. Op 14 januari 1930 werd hij in zijn woning overvallen en neergeschoten; in het ziekenhuis Friedrichshain, dat nu zijn naam draagt, stierf hij later aan de gevolgen van een bloedvergiftiging.'

De historie haalde de Brockhaus in, zo valt vooral in de laatste drie delen te lezen, als die van de 21 regels uit deel 8 (H-HZ) inmiddels de macht heeft gegrepen. Hij staat ineens in het korte rijtje van de belangrijkste omwentelingen in de wereld: 5 maart 1933, het nationaalsocialisme (Hitler; blijkbaar voor alle duidelijkheid er tussen haakjes aan toegevoegd) grijpt de macht, 'Schaffung des volkischen Fuhrerstaates'.

Dan is het speuren naar kleinere aanwijzingen in woorden die met S tot en met Z beginnen. Het belang van sportbeoefening, dat door Hitler in een nieuw kader was geplaatst, valt als aanzet terug te vinden in een toevoeging bij Turnen, namelijk dat in Pruisen inmiddels elke gymnastiekstudent verplicht twee semesters politieke scholing moet volgen om in aanmerking te komen voor een diploma.

Naschrift

Op nog meer plaatsen zijn duidelijk op het laatste moment dat soort toevoegingen geschreven, die nog een zekere wankelmoedigheid verraden omtrent de standvastigheid van de veranderingen van maart '33. Ze hangen aan hun lemma, maar typisch als een naschrift voor alle zekerheid. Zie bij voorbeeld ook nog de tamelijk korte uitleg die in het kader van het woord Staat wordt gegeven aan 'Der S. im Lichte der volkischen Staatsidee', een niet juichend en niet overtuigend stukje over wat Hitler eigenlijk meende.

En soms wordt een kleine inhaalpoging gedaan, zodat we bij de ook al weer niet al te uitbundige verhandeling over de SS toch ook nog iets kunnen lezen over Heinrich Himmler, die in zijn eigen deel nog geheel buiten beeld was gebleven.

En aan het slot van de verhandeling over de Volkerenbond wordt in enkele regels gemeld waarom Duitsland die onmachtige Volkerenbond, die bovendien voortdurend op gespannen voet leeft met vredesverdragen, in 1933 samen met Japan heeft verlaten.

Supplement

Dat de geschiedenis de vijftiende druk van de Brockhaus in ras tempo aan het inhalen was, blijkt uit een inlegvel dat met deel 19 in het voorjaar van 1935 werd meegestuurd door uitgever F. A. Brockhaus te Leipzig. 'Die Zeit steht nicht still', heet het. Vandaar dat er een supplement zal worden uitgegeven waarin de laatste gegevens over de wetenschap en de jongste feiten zullen worden opgenomen, zodat een 'fesselendes Gegenwartslexion' ontstaat.

Helaas ontbreekt in de Genootschapsbibliotheek dat supplement, zodat we niet weten of Marlene Dietrich voor de oorlog alsnog en dan vooral met wat voor bemerkingen het Duitse standaard-naslagwerken heeft gehaald.

LIGT U AL IN BED OF NOG D'R IN?

Het Genootschap is nog niet zo ver gegaan in het verzamelen van nutteloze kennis dat het onderzoek heeft gedaan naar de plaats en tijd waarop zijn afnemers deze pagina tot zich nemen.

Mocht dat gebeuren, dan zal, denk ik, de consumptie van nutteloze kennis een piek blijken te bereiken op een niet te laat tijdstip. Niet alleen omdat je van de abonnee op een ochtendblad mag verwachten dat het een wakker iemand is, maar ook omdat slechts weinig mensen trots toegeven dat ze pas opstaan tegen de tijd dat Het Parool verschijnt.

Er bestaat nog steeds een taboe op uitslapen. Wie klokslag zes naast z'n bed staat, wordt als nijver voorbeeld getoond, al ging hij de avond tevoren al om negen uur naar bed. Wie pas tegen tien weer aan de slag gaat is een luiaard, al werk je tot half vijf 's nachts. Uitslapen mag, geloof ik, alleen op zondag, althans bij de niet-kerkgaande bevolking, en slechts als er de rest van de week hard is gewerkt.

Te lui

Toch is er met gemak een rijtje beroemdheden te vinden dat belangrijk werk in bed heeft verricht. En dan gaan de gedachten niet naar vorstelijke personen die daar het voortbestaan van de dynastie hebben bevorderd, maar naar bijvoorbeeld Winston Churchill, Rousseau, Voltaire en Dr Johnson die in bed hun literatuur schreven, en naar componisten als Rossini en Donizetti, van wie wordt verteld dat ze te lui waren om een van de lakens gegleden aria op te rapen, en dus maar een nieuwe schreven. Dat de anecdote aan twee componisten wordt toegedicht, verhoogt paradoxaal de betrouwbaarheid van het verhaal niet.

Met even weinig moeite kan overigens een galerie grootheden ten toon worden gesteld met Napoleon als stralend middelpunt, die slechts drie uur slaap nodig had. Zulke verhalen zijn echter minder geliefd. Slechts weinigen streven er naar hun leven met buikpijn op St Helena te beeindigen.

Veel aantrekkelijker is het te dagdromen over de schilderachtige figuren die ondanks hun luiheid een plaatsje in de encyclopedie hebben gevonden. Oblomov is beroemd geworden louter door niet op te staan.In 1891 schreef de Spaanse krant El Imparcial over een dokter in Galicie die al sinds 1875 in bed lag. Hij was zo moe geworden van het bezoeken van patienten die prinsheerlijk in bed lagen, dat hij de rollen omdraaide. De enige patienten die hij onderzocht waren degenen die naar z'n slaapkamer kwamen.

Geen excuus

Het verblijf in bed is overigens niet altijd een teken van gemakzucht. De Franse schilder Henry Fantin-Latour werkte op koude winterdagen in bed omdat hij de kolenboer niet kon betalen. Whistler heeft hem geschilderd. Fantin-Latour zit met een oude jas aan onder de dekens, hij heeft een sjaal om, z'n hoge hoed op en zelfs handschoenen aan. Ook Chesterton schilderde in bed. Met een bezem en grote potten verf verluchtigde hij het plafond. Overigens vond hij dat iemand alleen maar in bed mocht liggen luieren als hij er dan ook volstrekt geen excuus voor had.

Het bed wordt dan ook niet alleen voor luieren gebruikt. Er is het waar gebeurde verhaal van de gynaecoloog die een echtpaar op bezoek kreeg dat graag kinderen wilde. Nu komt dat wel vaker voor, maar toen het moeizame gesprek vorderde, bleek dat dit paar geen flauw benul had wat er moest gebeuren om het voortbestaan van de mensheid te bewerkstelligen. Ze hadden het idee dat hun bed daarvoor als broedplaats werkte. 'En we liggen echt goed warm, dokter, we hebben extra dekens, maar er komen maar geen kinderen!'

Christian Dior en Talleyrand handelden hun liggende zaken in bed af. Talleyrand stond altijd laat op, maar in bed had hij de post gelezen, brieven geschreven, bezoek ontvangen en regeringen ten val gebracht. Regeringen werden zelfs geleid vanuit het bed. Phylarchus vertelt in een van zijn bladzijden die uit de derde eeuw voor Christus zijn overgebleven dat Alexander de Grote zaken afhandelde terwijl hij op een gouden bed lag, eerbiedig omringd door zo'n tweeduizend ondergeschikten.

Recht

In het Dictionnaire de l'Ameublement et de la Decoration noemt Henry Havard het lit de justice, het bed gebruikt als plaats waar door de vorst recht werd gesproken. In de veertiende eeuw verschenen de Franse koningen te bed in het parlement. Het bed stond zeven treden hoog, en de half-liggende koning was omgeven door zijn belangrijkste onderdanen. Leden van het koninklijk huis mochten zitten, de hoge adel stond daaronder, de lagere adel knielde. Er wordt niet verteld in welke positie de lagere standen zich ophielden.

Vergelijkbaar daarmee was het lit de parade. Een brief uit het begin van de zeventiende eeuw vertelt dat de gravin van Salisbury na de geboorte van een dochter bezoek aan bed ontving, een reden om de kamer voor 14 000 pond op te knappen. De vrouw van Saint-Simon ontving de dag na hun huwelijk 'tout France' aan bed.

In Engeland vond een redacteur van de achttiende-eeuwse Spectator het echter een schande dat ook Engelse dames de continentale gewoonte hadden overgenomen bezoek aan bed te ontvangen. Een lady was zelfs nauwelijks gekleed! Het parlement zou het moeten verbieden.

DinerAugust John Carpenter Hare vertelt in zijn autobiografie (The Story of My Life, deel 5, blz 295) over de dame die 's nachts wakker werd en merkte dat ze niet alleen in haar kamer was. Iets of iemand schuifelde rond, handen bewogen over haar bed. Ze viel flauw. Toen ze bijkwam was het ochtend, en ontdekte ze dat de butler in zijn slaap had gewandeld en een diner voor veertien personen op haar bed had gedekt.

NOG EENS; HET KLACHTENBOEK VAN DE NS

Over het verdwijnen van het Klachtenboek bij de NS in 1941 (zie ons O. O. nr. 32) is iets meer te vertellen dan enkele weken geleden. Het tijdschrift Spoor en Tramwegen, nr. 8 van 12 april 1941 blijkt namelijk een uit drie bladzijden bestaand In Memoriam van chef-commies R. Kooistra aan het Klachtenboek te hebben gewijd. Ik neem de vrijheid daaruit enkele interessante stukjes te lichten.

Zoals al in het vorige artikel genoemd, kregen de vanaf 1839 in Nederland opererende spoorwegen het Klachtenboek als erfenis van de diligence. Het 'Algemeen Reglement op de dienst der openbare middelen van vervoer te lande' bepaalde op 24 november 1829: "Op elk kantoor eener diligence- of postwageninrigting, zal een boek voorhanden wezen van wit papier, behoorlijk ingebonden, op elke bladzijde genommerd, en op de eerste en laatste door het hoofd van het plaatselijk bestuur gewaarmerkt, waarin ieder reiziger of ander belanghebbende zijn klagten en aanmerkingen wegens eene slechte uitvoering van de dienst, of overtreding der bepalingen van dit Reglement zal kunnen inschrijven, onder gehoudenheid om dezelve met zijn naamteekening te bekrachtigen, en daarbij tevens zijn beroep en woonplaats te vermelden. De ondernemer zal verpligt zijn dit boek, aan elken reiziger ter plaatse van aankomst te doen aanbieden, en weigerende hetzelve aan de reizigers, op hunne aanvrage ter hand te stellen, zal hij verbeuren een boete van tien guldens."

Thorbecke

Het ging er bij deze bepaling uit het Reglement om, de overheid een controlefunctie te verlenen met betrekking tot de openbare middelen van vervoer. Toen dit reglement later op de spoorwegen van toepassing was, kreeg onder andere minister Thorbecke als minister van Binnenlandse Zaken de klachten der reizigers op zijn bureau.

Tot de feitelijke afschaffing van het Klachtenboek kwam het door het 'Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Waterstaat' van 24 februari 1941. Maar de afschaffing had niets met de bezetting van Nederland te maken. Al voor mei 1940 was het doek voor het Klachtenboek in principe gevallen.

Chef-commies Kooistra moet een van de laatsten zijn geweest die de vergeelde boeken onder ogen kreeg. Hij kwam onder meer tot de volgende observatie: "In de loop der jaren is het klachtenboek meermalen misbruikt. In de eerste plaats door querulanten, menschen, die klagen, omdat zij in het klagen behagen scheppen. Voor dezen was het klachtenboek een bron van een vreemdsoortig genot. Telkens komen wij dezelfde namen tegen. Het waren klagers met een in dit opzicht eenigszins maniakalen aanleg."

Rooken

Een door Kooistra gesignaleerde klacht laat zien hoe de tijden inmiddels ten goede veranderd zijn. Op 9 juli 1880 schreef een student in de medicijnen in het Klachtenboek van Westervoort: "De ondergeteekende acht het wenschelijk, dat de vrijheid om te rooken in Nederland niet beperkt wordt." Deze student wenste meer rookcoupe's. Hij vond, dat de niet-rokers minder bevoordeeld moesten worden. Vermoedelijk waren het in 1880 vooral vrouwen die de groep der nietrokers vormden.

Met de weinige voorbeelden die Kooistra geeft, moeten we ons helaas tevreden stellen. De Klachtenboeken zijn de papierwolf ingegaan. Ze zijn ten offer gevallen aan een verkeerde opvatting van recycling. Daarom moet het laatste woord over deze kwestie gegund worden aan Bernard Wessels die zijn gedicht 'Klacht van een. . .Klachtenboek' in 1941 besloot met de regels:

Een pennestreek. . .en 'k werd opeens

een stuk. . .geschiedenis.

Mijn vele broers uit heel het land

zie ik nog eenkmaal weer. . .

Dan gaan we saam de molen in. . .

Gedaan! We zijn niet meer!

VAN HET BESTUUR: DAPPERE DODO

"Met vogels heeft het onderstaande niets te maken, dus nuttelozer kan deze kennis - althans in verband met de 'Sukkel-en-smeerkees'-bijdrage - niet zijn, aldus afnemer Fred Bredschneider te Hilversum naar aanleiding van onze knikkerstudie in ons O. O. derde jaargang nr 37.

"Maar toch. . . Ik meen te mogen hopen dat de naamsbekendheid van de dodo toch ook wel iets te maken heeft met de destijds razend populaire KRO-tv-serie 'Dappere Dodo', die door Bert Brugmans poppentheater werd gespeeld en waarvoor ik het idee, het liedje en de naam bedacht."

"Op zoek naar een grappige, originele, aparte etc. naam bladerde ik door het in die dagen (midden jaren vijftig) populaire katholieke naslagwerk 'Met de heiligen het jaar rond'. Al gauw, het boek was alfabetisch opgezet, kwam ik bij de naam Dodo. Die kwam zelfs twee keer voor. De ene Dodo was een benedictijn, die in de zevende eeuw, begin achtste eeuw in Vlaanderen als kluizenaar leefde; de tweede was een norbertijn, die omstreeks 1200 op dezelfde wijze in Friesland actief, of liever gezegd: contemplatief, was. Dat laatste brengt me toch weer bij de 'Sukkel', waarover u immers schrijft dat hij een 'rustig, contemplatief bestaan' leidde!"

"Inmiddels heb ik ontdekt dat er nog een derde Dodo is geweest. Dat was althans de bijnaam van de omstreeks 920 levende Graaf Ricfried, die zich in de Betuwe ophield. Waarom men hem Dodo noemde? Misschien was hij wel een 'rustig, contemplatief' type. Hij was in ieder geval familie van de Utrechtse bisschop Balderik."

"Overigens - en dat heeft weer helemaal niets met het voorgaande te maken - is (was) Dodo ook een vulkaan op het eiland Soembawa (als dat tenminste nog zo heet)."

VAN HET BESTUUR: KNIKKERS

Afneemster mevrouw M. C. van der Haar uit Utrecht maakt ons, naar aanleiding van onze verhandeling over het knikkeren (O. O., derde jaargang, nummer...) attent op een gedicht van Constantijn Huygens, waaruit o. a. blijkt dat in Huygens' tijd (de man leefde van 1596 tot 1687) de kinderspelen naar de seizoenen wisselden en niemand de kinderen er aan hoefde herinneren dat de tijd voor knikkeren of koten (dat is bikkelen) was aangebroken.

De kind'ren weten tijd

van knickeren en koten.

En, sonder Almanak,

en is 't haar noyt ontschoten

wanneer 't goed knickeren

wanneer 't goed koten wordt.

Soo lang schiet alle kracht

van redenen te kort.

Knikkers (2)

Afnemer mr. H. Vermeulen uit Oegstgeest, die zich na bijna zeventig jaar zijn jeugd in Amsterdam-oud West herinnert, noemt nog de volgende knikkernamen:

Kalkedot (dat is: kalken dot, een grote beschilderde knikker van kalk)

Lloiedaai (dat is: loden daai, of te wel een grote knikker van lood).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden