Marleen Diekmann-Schoemaker 1949-2007

Therapeute Marleen Diekmann-Schoemaker gebruikte Duplo-poppetjes om mensen aan het praten te krijgen. In oorlogsgebieden en thuis.

Een ronde eettafel met twee stoelen, een derde even verderop. Twee ramen, een op het zuiden, een op het westen. Een kast met vakliteratuur. In een hoekje een verweerde kinderstoel.

Als Marleen Diekmann in haar privé-praktijk in Diepenveen, bij Deventer, cliënten ontving was dat aan die ronde tafel. Soms hoorden haar echtgenoot en dochters uit die kamer het geluid van gelach komen. Zoals ze maling had aan de conventie dat een psychotherapeut de cliënt geen koffie of thee serveert, zo mocht er bij haar in de spreekkamer ook gerust gelachen worden.

Ze was klein, donker en beweeglijk – en niet altijd was ze therapeut geweest. Na de middelbare school – waar ze haar latere man leerde kennen – had ze eerst MO-aktes cultuurpedagogiek gehaald. Later was ze psycholoog geworden. Haar gave voor therapeutisch werk kwam aan het licht toen ze op een sociaal-pedagogische opleiding goed overweg bleek te kunnen met mentorleerlingen – lees: met ’lastige’ figuren. Maar ze kreeg genoeg van het onderwijsbestel toen een fusie-operatie door het middelbaar beroepsonderwijs waarde. Ze vertrok, kreeg geld mee en werd therapeut – later ook thuis in Diepenveen, waar ze geboren was en na 1995 weer woonde; eerst alleen in Amsterdam, waar ze een praktijk opzette: ’De Kontekst’.

Die naam zei het al: ze werkten er vanuit de contextuele theorie. Dat is de benadering van de gezinstherapeut Ivan Nagy, zelf eind januari op 86-jarige leeftijd overleden. Nagy (“Nodzj”), in Hongarije geboren maar in 1948 voor de Stalinisten gevlucht, emigreerde naar de VS. Een van de kenmerken van zijn school is dat de naaste familie en hun onderlinge banden, iemands context, er een sterke rol in spelen.

Marleen Diekmann voegde aan Nagy’s gedachtegoed iets toe. Ze gebruikte poppetjes om die onderlinge verhoudingen zichtbaar te maken – de Duplo-poppetjes van haar jongste dochter. Die poppetjes-taal bleek het therapeutisch proces op gang te brengen: je hoeft dan niet in woorden te vertellen wat je dwars zit (en de therapeut hoeft er niet in woorden naar te vragen); je kunt het de poppetjes laten vertellen. In plaats van aan een vrouw te vragen: „voelt u zich misschien gedomineerd door uw echtgenoot?” zette ze bijvoorbeeld een groot en een klein poppetje neer, en vroeg de vrouw: „Voelt het zo?”

Begin jaren negentig ging Marleen Diekmann naar een lezing van Gunilla Kleiverda, de gynaecologe die toen in de Joegoslavische oorlog werkte in de vrouwenhulpverlening. Het gaf haar een ingang om daar ook iets te gaan doen, want ze kon de Joegoslavische ellende op de televisie al langer niet aanzien. Op eigen houtje stapte ze op het vliegtuig, om haar hulp op de Balkan aan te bieden – want de oorlog daar kon je ook zien als een grote familieruzie. Ze bleef er jaren achtereen terugkomen, in Belgrado, Sarajevo, Tuzla of Kosovo.

Werken in rampgebieden, nu met de poppetjes als hulpmiddel om taalproblemen te omzeilen, werd een terugkerend thema in haar bestaan. Ze stond aan de wieg van de mental

health-poot van Artsen zonder Grenzen en werkte zo in Tsjetsjenië, in Afrika met Eritrese vluchtelingen, in de VS met mensen die 11 september 2001 van nabij hadden meegemaakt, in India en Atjeh met slachtoffers van de tsunami.

Wanneer ze weer terug was in Nederland hervatte ze haar twee praktijken, waar de problemen zoveel ’gewoner’ waren: geen oorlogstrauma’s, geen moorden, martelingen of verhoren – maar slechte huwelijken, dwanghandelingen, verslavingen. Juist omdat ze zoveel verschillende dingen deed bleef ze scherp, zegt een ex-cliënt die met haar hulp van de heroïne afkwam. Op het moment dat hij bij Marleen Diekmann belandde had hij de professionele drugshulpverlening al van voor naar achteren leren kennen – en gemerkt hoe weinig werkelijke belangstelling ze daar voor je hadden. Bij Marleen Diekmann kwam je niet weg met de mooie verhaaltjes die een verslaafde ophangt. Daar kon je eerlijk zijn.

Maar na elke buitenlandse reis kwam ze ook altijd terug met darmen die van slag waren. Het ’drukkende gevoel’ dat ze in de zomer van 2006 in haar buik had, zag ze eerst aan voor een souvenir van al dat gereis. In het ziekenhuis gingen ze aanvankelijk op zoek naar een of andere tropische parasiet. Maar in september bleek haar omschrijving letterlijk te kloppen: ze had een tumor in haar buik, die de organen opzij drukte. Het bleek uitgezaaide darmkanker. Zeven maanden later begon en eindigde de herdenkingsbijeenkomst na haar overlijden met Rufus Wainwright, die over Ravels Boléro heen zong: „Oh, what a world my parents gave me. Wouldn’t it be a lovely headline: ’Life is Beautiful’ on the New York Times.”

Marleen Diekmann-Schoemaker werd op 7 april 1949 geboren in Diepenveen. Ze is er op 7 april 2007 overleden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden