Markt, massa, moraal

De Duitse econoom Wilhelm Röpke (1899-1966) verenigde het liberale marktdenken met een conservatieve kritiek op de moderne maatschappij. Met zijn pleidooi voor een gematigd kapitalisme groeide Röpke in de jaren vijftig van de twintigste eeuw uit tot een van de voornaamste geestelijke vaders van de soziale Marktwirtschaft. Ook buiten de Duitse grenzen behoorde hij op economisch gebied tot de meest gelezen auteurs van zijn tijd. Tegenwoordig is zijn naam nog maar aan weinigen bekend. Ten onrechte: Röpkes geschriften zijn van een blijvende actualiteit. Zij reiken bruikbare inzichten aan voor een politiek die meer wil zijn dan louter economische doelmatigheid.

Wilhelm Röpke werd in 1899 in het plaatsje Schwarmstadt bij Hannover geboren. Zijn vader was plattelandsdokter en hij groeide op in een agrarische omgeving. Röpke promoveerde in 1921 op de Duitse kalimijnbouw en werd in 1924 op 25-jarige leeftijd hoogleraar aan de universiteit van Jena. Hij was toen de jongste professor in het Duitse taalgebied.

In het voorjaar van 1933 werd het Röpke door de nazi's verboden verder college te geven, omdat hij een van het nationaal-socialisme sterk afwijkende economische theorie verkondigde. Al in 1930 had hij zijn landgenoten enkele dagen voor de verkiezingen voor de Rijksdag op 14 september gewaarschuwd: ,,Niemand die op 14 september op de nationaal-socialisten stemt, zal later kunnen zeggen dat hij niet wist wat hieruit zou kunnen ontstaan. Hij moet weten dat hij voor chaos in plaats van orde, vernietiging in plaats van opbouw stemt. Hij moet weten dat hij voor oorlog naar binnen en naar buiten toe, voor zinloze vernietiging kiest. Medeschuldig wordt u, als u nationaal-socialistisch stemt of voor een partij kiest, die geen bedenkingen heeft met de nationaal-socialisten een regering te vormen.''

Als een van de eerste Duitse hoogleraren was Röpke genoodzaakt zijn land te verlaten. Hij emigreerde in 1935 naar Istanboel waar hij samen met de ook geëmigreerde socioloog en historicus Alexander Rüstow het sociaal-wetenschappelijk instituut aan de universiteit van Istanboel oprichtte. In 1937 werd Röpke hoogleraar in Genève. Na de Tweede Wereldoorlog groeide hij uit tot een van de belangrijkste Duitse economen. Wilhelm Röpke stierf in 1966 in Cologny bij Genève. Zijn publicatielijst omvat meer dan 800 titels. Tot zijn bekendste werken behoren Civitas Humana (1944), Maß und Mitte (1950) en Jenseits von Angebot und Nachfrage (1958).

Röpke heeft niet, zoals bijvoorbeeld Keynes, een nieuwe economische theorie ontwikkeld. Hij verbond het liberale marktprincipe met een conservatieve kritiek op de moderne maatschappij. Op deze manier zocht hij naar een derde weg tussen laissez-faire-kapitalisme en een door de staat geleide economie. Röpke ging uit van een spanningsveld tussen een consequent toegepast liberalisme en waarden die hij voor een goed functioneren van de maatschappij noodzakelijk achtte. Als gematigd conservatief huiverde hij voor de toepassing van de wetten van de markt op terreinen die buiten het bereik van de economie vallen.

In de combinatie van rationalisme, verregaande verwetenschappelijking, moreel relativisme en stijgende welvaart zag Röpke een groot gevaar. Mensen hebben een elementaire behoefte aan 'inbedding', 'binding' en 'hechte verworteling'. De markt is een Moralverzehrer, een 'verteerder van moraal' die om morele regeneratie vraagt in marktvrije zones. Daarom legde Röpke de nadruk op immateriële waarden en historische gegroeide kaders als voorwaarden voor economische ontwikkeling. Door verregaand individualisme en ongebreideld kapitalisme zouden namelijk precies die middelen kunnen verdwijnen, die voor een markteconomie zo belangrijk zijn: deugden als standvastigheid, trouw, plichtsbesef en dienstbaarheid aan anderen. Deze vorkapitalistische Reserven moesten volgens Röpke gemobiliseerd worden omdat anders de basis van kapitaalgebruik, de menselijke psyche, in gevaar komt.

Röpke uitte sterke kritiek op niet betoomd materialisme en harteloos individualisme, die de menselijke deugden, de vorkapitalistische Reserven, bedreigden. De beslistheid waarmee de verwezenlijking van de vrije markt zelf wordt geëist, moest haar tegenwicht vinden in een even grote beslistheid waarmee voor vaste regels van politieke, juridische en morele aard wordt gezorgd. Vrijheid kan immers misbruikt worden om anderen op inhumane wijze te benadelen, monopolies in het leven te roepen of naar ongebreidelde macht te streven. De mens moet zelf de voorwaarden scheppen voor het zo goed mogelijk functioneren van de markteconomie - in de ogen van Röpke het enig juiste alternatief voor het collectivisme, dat de heerschappij over het productieproces en het eigendom over de productiemiddelen in handen van de staat wil geven. Het collectivisme vormde in de ogen van Röpke een dwaling die de mens steeds verder van een vrije en deugdzame maatschappij zou verwijderen. Economische vrijheid is volgens hem noodzakelijk om vrijheid ook op andere terreinen te waarborgen; de 'vrijheid' van de markteconomie staat in zijn ogen tegenover het 'bevel' van de planeconomie, waarvan zowel het nationaal-socialisme als het bolsjewisme 'uitmuntende voorbeelden' waren.

Een ander gevaar zag Röpke in de massificatie van de mens. In de plaats van de echte integratie door een werkelijke gemeenschap, die de band van nabijheid en de warmte van directe menselijke betrekkingen kent, kwam in de moderne, gemassificeerde maatschappij een 'pseudo-integratie' door markt, concurrentie, centrale organisatie, uitgebreide sociale voorzieningen, massavermaak en massa-emotie. Zij leiden volgens Röpke tot een innerlijk isolement en eenzaamheid, tot het fijnmalen van de maatschappij in een massa zand van langs elkaar levende individuen, tot massa-emoties en massa-instincten die de mens in een bedrieglijke oppervlakkigheid en gejaagdheid doen leven. De ware bindingen die voor de mens en een goed functioneren van de markeconomie noodzakelijk zijn, verdwijnen.

Vooral in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog was Röpkes faam groot. Zijn Lehre der Wirtschaft (1937), geschreven tijdens zijn verblijf in Istanboel, werd in veertien talen vertaald. In een tijd, waarin het beneden de waardigheid van professoren lag zich op een breed publiek te richten, schreef Röpke meer dan achthonderd artikelen voor kranten en tijdschriften en bereikte daarmee een ongekend groot aantal lezers buiten zijn eigen vakgebied. Zijn teksten zijn helder en begrijpelijk, en hij illustreert zijn standpunten met aansprekende voorbeelden.

In de nadruk die hij legde op een vrije wereldhandel is Röpke zeer eigentijds; tegelijk lijkt hij met zijn synthese van marktdenken en aandacht voor waarden en deugden bruikbare inzichten te leveren voor een politiek die verder wil gaan dan louter financiële doelmatigheid. Vruchtbare aanknopingspunten, ook voor de Nederlandse politiek, liggen met name op het vlak van de verhouding tussen burger en staat en in Röpkes kritiek op de moderne maatschappij.

Al vroeg erkende Röpke het gevaar van een te grote bemoeienis van de staat met de economie. Vanuit zijn eigen ervaring wees Röpke erop dat een overdreven en afgedwongen solidariteit met de eigen groep als maatschappelijk ordeningsprincipe bijzonder gevaarlijk kan zijn. Röpke bekritiseerde ontwikkelingen die de staat zijn oorspronkelijke rol ontnamen en hem tot een dienstverlener van de wieg tot het graf maakten. Uitgebreide sociale voorzieningen ondermijnen de deugden die voor een vrije en rechtvaardige samenleving noodzakelijk zijn. De verzorgingsstaat kan aan veel burgers zekerheid en bescherming bieden, maar een overmaat aan verzorging maakt de burger juist afhankelijk en tast hem in zijn vrijheid aan. Als mensen eraan gewend raken door anderen verzorgd te worden, verliezen zij op den duur hun eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid en zelfachting. De deugden die voor een vrije en rechtvaardige maatschappij noodzakelijk zijn verdwijnen; de mens verliest zijn vrijheid. 'Liever de warmte van een baan dan de kilte van een uitkering' - met deze oneliner van Frits Bolkestein zou Röpke ongetwijfeld hebben ingestemd. Tegelijk is het volgens Röpke noodzakelijk om kwetsbare groepen te beschermen tegen de schadelijke uitwerkingen van een onjuist begrepen vrijheid.

Tocqueville merkte al op dat gelijke erkenning voor de wet leidt tot de homogenisering en vervlakking van individuen - een ontwikkeling die in de twintigste eeuw versterkt werd. Ook Frits Bolkestein vroeg in zijn Telderslezing in 2002 aandacht voor schadelijke elementen van de massacultuur die fundamentele waarden van het westerse beschavingsideaal in het nauw brengen. Met Gertrud Himmelfarb wees Bolkestein op de gevaren van een moreel relativisme dat de mentale weerbaarheid van een vrije samenleving tot in de kern kan aantasten, op de eroderende werking van een moderne massacultuur die afbreekt zonder op te bouwen.

Volgens Röpke kan een gezonde maatschappij alleen overleven dankzij gemeenschappelijk gedeelde waarden. Zij vormen voorwaarden voor de deugden die voor een vrije en verantwoordelijke samenleving noodzakelijk zijn. De hedendaagse filosoof Herman de Dijn wijst erop dat 'ook de mainstream economen nu beginnen te beseffen, dat zelfs de liberale economie niet kan voortbestaan, laat staan floreren, zonder ingebed te zijn in cultureel-maatschappelijke elementen, zonder deugden als vertrouwen en arbeidsethos'. Voor een liberale democratie noodzakelijke waarden zouden geen lang leven beschoren zijn 'zonder ondersteuning van een door de cultuur bevorderde moraliteit en gepaste omgangsvormen.'

Röpke benadrukte dat materiële welvaart niet noodzakelijk met morele vooruitgang gepaard gaat. Ook hier zag hij de vorkapitalistische Reserven bedreigd: hij wilde voorkomen dat de burger een puur consumptieve levensstijl ontwikkelde, waardoor elke aanzet tot particulier initiatief in de kiem wordt gesmoord. De homogenisering in de moderne massamaatschappij leidde volgens Röpke, tezamen met de tot wasdom gekomen verzorgingsstaat, tot een samenleving van niet mondige, maar oppervlakkige burgers die verwachten door de staat bediend te worden. Zij begrijpen zichzelf slechts als rechthebbenden; hun plichten zien zij niet. Daarnaast zou de individuele ontplooiing van burgers door massa-vermaak en massa-emoties meer en meer worden gehinderd. De moderne massademocratie bracht volgens Röpke een algehele nivellering mee, waardoor klassieke waarden als naastenliefde, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid verdwenen ten gunste van een al te optimistisch geloof in persoonlijke vrijheid en autonomie.

Röpke verwoordde een conservatieve cultuurkritiek die ook bij andere auteurs uit zijn tijd is aan te treffen: een verlies aan gemeenschapszin door toegenomen individualisme; de behoefte van velen aan een ogenblikkelijke bevrediging van verlangens, hoe impulsief ook; het snellen van het ene kortstondige genoegen naar het andere; een verveling en verplatting temidden van een overvloed aan consumptiemogelijkheden. Deze kritiek mag hier en daar nostalgisch aandoen - Röpke weet pijnlijk precies de schaduwzijden van de moderne massamaatschappij te benoemen die iedereen in zijn persoonlijke omgeving waarneemt, maar waarover de politiek vaak angstvallig zwijgt.

Doordat bindingen aan klasse en levensbeschouwelijke achtergrond minder hecht zijn, zoeken veel burgers naar een houvast dat verder reikt dan de politieke agenda van alledag. Het zou onverstandig zijn de groeiende gevoelens van onzekerheid en de klacht over het verlies aan gemeenschappelijk gedeelde waarden in de samenleving niet serieus te nemen. De electorale successen van Pim Fortuyn in het jaar 2002 en van Frits Bolkestein in de jaren negentig zouden de politiek moeten doen inzien dat burgers van de politiek meer dan economische prestaties verwachten. Een politiek die samenvalt met financiële doelmatigheid voorziet niet in een behoefte aan collectieve identiteit en komt niet tegemoet aan publieke gevoelens van angst en morele onzekerheid.

De laatste maanden vindt een intensieve discussie plaats over de opkomst van conservatieve sentimenten in de Nederlandse maatschappij. Door zijn poging het liberale marktdenken met een gematigd conservatieve grondhouding te verbinden spreekt Röpke zowel liberalen als conservatieven aan. De verschillen tussen conservatisme en liberalisme zijn dan ook heel wat minder groot dan J.A.A. van Doorn onlangs in Trouw (27 december 2003) beweerde. Röpkes positie uit zich niet in marktfundamentalisme, noch sluit hij de ogen voor door veel liberalen onbeantwoord gelaten vragen omtrent zingeving binnen het publieke domein. Röpke is geen marktfetisjist, maar een belangrijk liberaal denker die een principieel standpunt vóór de vrije markt verenigt met een waardevolle, het marktdenken aanvullende aandacht voor maatschappelijke deugden. Zijn kritische blik kan ons behoeden voor al te rooskleurige verwachtingen die voortkomen uit een al te gemakzuchtig, te eenvoudig begrepen vrijheid. Vrijheid is immers slechts met morele zelfbeperking denkbaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden