Mark Feldman steelt show met razendsnelle licks Tegenvallende Summer Sessions jazz

AMSTERDAM- Herinneringen kunnen knap lastig zijn. Herinneringen aan iets moois, iets perfects en volwaardigs zoals de eerste, drie jaar geleden georganiseerde Summer Sessions in het BIM-huis in Amsterdam. De herinnering aan de magnifieke, superieure improvisatiemuziek die ik toen hoorde, maakte het me moeilijk onbevangen te kunnen genieten van de optredens op de tweede Summer Sessions, die de afgelopen dagen plaatshadden op hetzelfde podium.

Alleen zaterdagavond werd er ineens werkelijk ingenieuze muziek gemaakt. Muziek van een bijna bovennatuurlijk gehalte, waarin de musici ziel en zaligheid legden om samen de mooist mogelijke muziek vorm te geven.

Wat Ernst Reijseger (cello), Michael Moore (rieten) en Han Bennink (slagwerk) - tezamen het internationaal vermaarde Trio Clusone -, en later violist Mark Feldman lukte, was de twee eerste avonden van het festival niet gebeurd. Alleen de tomeloze energie waarmee het Peter Brotzmann Kwartet de tweede avond een hommage bracht aan de roemruchte, eind jaren zestig om het leven gekomen, Amerikaanse freejazz-saxofonist Albert Ayler, had veel weg van de reusachtige energiestroom, die in 1990 vier lange avonden musici en publiek in het BIM-huis in zijn greep hield. Maar de daarbij horende artistieke diepgang, toen een vanzelfsprekend element, ontbrak nu nagenoeg geheel.

De Summer Sessions begonnen donderdag met 'Basso Continuo Continued', een driedelig avondvullend project van bassist Ernst Glerum. Het eerste onderdeel, 'Trio' (een geijkt piano/ bas/ drums-trio), ontlokte aan mijn directe omgeving uitspraken als 'lekkere cocktailjazz', 'net een jazzcafe' en 'jammer dat ik de krant niet bij me heb'.

Glerum revancheerde zich met het tweede onderdeel, 'Strings', een strijkkwartet met altvioliste Esther Apituley, violist Mark Feldman en cellist Ernst Reijseger - in een enkel stuk begeleid door pianist Etienne Stadwijk en drummer Henry Wijnhard.

Op een enkel klassiek getint stukje na, speelde de groep bewerkingen van jazzstandards - een terrein dat eerder verkend werd door het Kronos Quartet en het Turtle Island String Quartet. Anders dan deze strijkers zitten Glerum en de zijnen niet vast aan klassieke normen, maar weten ze wat echte improvisatie is.

Bud Powells 'Un Poco Loco' kreeg een frivole vertolking. De melodie van Thelonious Monks 'Round Midnight' werd subtiel verdeeld tussen viool en altviool. Apituley en Feldman boden fiks tegen elkaar op in verfijnde solo's, waarin zij zich verrassend veel permitteerden.

In 'Session', het slotdeel van Glerums avondje, vormden de musici van de eerste twee onderdelen een pool met anderen, waaronder de virtuoze pianist Steve Beresford en rietblazer Tony Coe. In kleine combinaties plaatsten ze hun eigen accenten.

De vrijdagavond werd geopend door 'Dedicated to the Work of Albert Ayler', een Duits/ Japans/ Amerikaans kwartet onder leiding van tenorsaxofonist Peter Brotzmann. Merkwaardig genoeg heeft Brotzmann nauwelijks iets gemeen met Ayler. Weliswaar ontdekte deze Duitser in de jaren zestig de freejazz dankzij Ayler, maar inhoudelijk zijn er amper overeenkomsten.

Waar finesse voortdurend Aylers spel kenmerkte, blinkt Brotzmanns spel uit in onbehouwen krachtpatserij. Naar Ayler verwees hooguit zijn ongebreidelde drang naar totale muzikale vrijheid. Maar dan zonder diens diepgang.

Slechts enkele momenten onderscheidden zich in positieve zin. Zoals een voor hun doen verstilde trioimprovisatie van trompettist Toshinori Kondo, bassist William Parker en slagwerker Hamid Drake, en een duet van Brotzmann en Kondo, waarin de Japanner alert reageerde en uiterst vindingrijk in de weer was met elektronische vervorming.

De avond werd afgesloten met een van de leukste, onderhoudende, cabareteske optredens, die ik ooit heb bijgewoond. Verantwoordelijk hiervoor was de Engelse groep The Melody Four - niettegenstaande de naam een trio bestaande uit pianist Steve Beresford, sopraansaxofonist Lol Coxhill en tenorsaxofonist en klarinettist Tony Coe. In hun stoicijns gepresenteerde, met typische Engelse droge humor doorspekte 'show' combineren zij sullige levensliedjes met 'weirde' improvisaties en maken zij onvoorspelbare uitstapjes naar muzikale randgebieden (klassiek, jazz, volksmuziek, filmliedjes, popmuziek).

Een voorbeeld. Midden in een romantisch liefdesliedje over een gepassioneerde omhelzing met een alsmaar storend rinkelende telefoon, constateert zanger Beresford plotseling dat die tekst niet meer kan, nu de meeste mensen een antwoordapparaat hebben, gebruik maken van een 'answering service', of hun toestellen doorschakelen naar auto- of vestzaktelefoon. Ad rem gaan Coxhill en Coe hierop in, waarna ze na een tijdje toch maar weer beslissen een muziekstuk te spelen, want “dat verwacht het publiek toch van ons”. Coxhill zingt een kerstliedje, Beresford bezingt zijn filmster-idool Doris Day, afgewisseld met korte sketches.

Hoe vermakelijk en grappig ook, bovenstaande zou haast verbloemen dat het trio ondertussen ook nog prachtige muziek liet horen. Coe is een verdienstelijk blazer, Coxhill is een autoriteit op de sopraan en Beresford is een muzikaal genie, die niet alleen voortreffelijk piano speelt, maar ook nog eens praktisch de gehele muziekgeschiedenis in zijn vingertoppen heeft. Bij Beresford kan het ene akkoord een duidelijk citaat zijn uit een klassieke pianowerk, het volgende plaatst de context onverbiddelijk in een zoetige smartlap of in een wilde, kortstondige Cecil Taylor-achtige maalstroom. Ofwel, zoals Lol Coxhill het daags erna verwoordde tijdens een muzikale ontmoeting met Trio Clusone: “Het volgende stuk is van een geheel ander kaliber, maar er worden grotendeels dezelfde noten gebruikt.”

Het tweede optreden van The Melody Four vond plaats in het kader van een als 'Trio Clusone meets the Melody Four' gepresenteerd concert. Helaas was er eerder sprake van 'The Melody Four meets Trio Clusone'.

Waarschijnlijk zijn de muzikale werkjes van Trio Clusone te eigen of te kwetsbaar om inmenging van buitenaf te gedogen. Trio Clusone's Reijseger, Moore en Bennink schikten zich in de lollige opzet van The Melody Four, maar kwamen in kleine, tussenliggende combinaties beter uit de verf.

De twee groepen speelden, af en toe bijgestaan door violist Mark Feldman, aandoenlijk jazzy versies van 'tearjerkers' als 'Besame Mucho' en 'How Deep is the Ocean'. Dit onderdeel bevatte ook een fantastische ontmoeting tussen Bennink en Feldman. Was Cecil Taylor de onbetwiste ster van de vorige Summer Sessions, die van deze editie was zonder enige twijfel Mark Feldman.

De van het Amerikaanse Arcado String Trio afkomstige Feldman (waarvan Ernst Reijseger tegenwoordig trouwens ook deel uitmaakt) beschikt over een fabelachtige techniek, een meesterlijke toonvorming en een geweldig improvisatievermogen. Alleen in een cliche-achtige improvisatie tijdens het 'Strings'-onderdeel de eerste festivalavond, waarin vrije improvisatie even verward werd met obligaat gepiep en gekras, viel hij tegen. Maar verder, bij 'Strings' en in het gezelschap van Trio Clusone en The Melody Four, speelde Feldman beeldschone arpeggio's en razendsnelle, perfect zuiver uitgevoerde licks. Tokkelend en strijkend toonde Feldman zich een waardige Meester van het festival, die zelfs de meest veeleisende en kritische luisteraar wist te bekoren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden