Marjolijn Februari Ik ben geen moralist, ik ben een ethicus

Marjolijn Februari (Coevorden, 1963) is schrijver, filosoof en jurist. Haar roman 'De literaire kring', uit 2007, werd genomineerd voor de Gouden Uil en voor de Libris Literatuur Prijs. Dit jaar bracht Prometheus het boek 'Ons soort mensen' uit, een bundeling van haar columns die eerder in de Volkskrant en NRC Handelsblad zijn verschenen.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Een tijdje terug vulde ik een application form for 'a Kingdom of Heaven Passport' in - tja, je komt van alles tegen op het internet - toen ik bij vraag vier in vertwijfeling raakte. 'Question number four: Why are you here?'

Ik heb lang aan het Jezus Christussyndroom geleden. Ik moest het onrecht in de wereld goedmaken en alles wat kapot was helen. Ik weet niet hoe ik erbij kwam dat ik hiertoe op aarde was. Als je er, zoals ik, op jonge leeftijd al van doordrongen bent dat er veel onrecht en slechtigheid in de wereld is, ga je, als je een fatsoenlijk kind bent, vanzelf aan de ándere kant van de boot zitten om de boel een beetje in evenwicht te houden.

Toen ik een jaar of zes was - het is een beetje een gênant verhaal, maar ik zal het je toch vertellen - mochten mijn broer en ik samen met een vriendinnetje en haar ouders naar de Efteling. Daar heb je zo'n put, waar je geld in kan gooien en een wens mag doen. Je mag natuurlijk nooit zeggen waar je om hebt gevraagd, maar uiteindelijk kwam het toch ter sprake. Mijn vriendinnetje bleek een rolletje pepermunt gewenst te hebben en mijn broer een of ander speelgoedding. Toen ze dat vertelden schaamde ik me diep. O, ja, dát is natuurlijk de bedoeling! Iets voor jezelf vragen was een stuk slimmer en er bestond een veel grotere kans dat die wensen ook zouden worden vervuld. Wat ik had gewenst? Eh... nou, de wereldvrede.

Ik denk dat ik zo ben geboren. De rol van opvoeders wordt bij dit soort zaken nogal overschat. Je ziet dat kinderen in één gezin, met dezelfde opvoeding, daarin toch enorm kunnen verschillen. Prikkelgevoeligheid, dat is het waarschijnlijk."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Dit vind ik een verstandig gebod. Het pleit voor dynamiek; je moet de dingen niet vastleggen. Je hebt een God, prima, maar maak daar geen gesneden beeld van. Alles wat aanvankelijk bestaat om het leven leuker, gemakkelijker of begrijpelijker te maken versteent of verstart binnen de kortste keren. Theorieën worden dogma's en daardoor vaak minder bruikbaar.

In mijn eigen leven probeer ik die verstening te voorkomen door voortdurend van de ene ijsschots naar de andere te springen. Je kunt ergens gaan zitten, die stoel bezet houden en voor de rest van je leven gelijk hebben, maar ik wil nieuwe dingen doen, dingen die ik nog niet eerder kon of waar ik geen verstand van had. Het heeft waarschijnlijk ook te maken - als ik nou heel persoonlijk moet worden - met een zekere angst en onveiligheid waardoor ik het gevoel heb dat ik nooit ergens ben waar het zeker is. Het lukt mij niet goed om op die ene stoel te blijven zitten, het lukt me niet om iets helemaal af, rond, te krijgen. Ik ben nooit een specialist geworden, op geen enkel gebied. Daarom moet ik er steeds iets anders bijhalen om te kijken of ik die heelheid kan vinden in een patchwork."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Soms krijg ik het idee dat een aantal van die geboden door gelovigen zo wordt uitgelegd dat zij er zo min mogelijk last van hebben, of dat ze vooral voor anderen gelden. Gij zult de naam van Here uw God niet ijdel gebruiken wordt dan: je mag niet vloeken. Dat staat er niet. Bovendien wordt het aan ongelovigen zo uitgelegd dat je geen onaardige dingen over de God van de gelovigen mag zeggen en dat staat er al helemáál niet. Wat er eigenlijk staat is dat je God niet mag inzetten voor je eigen belang, dat je Hem niet mag gebruiken als een dienstbode die jouw boodschappen draagt.

Dat geldt voor moraal in het algemeen: als je het alleen maar gebruikt om een ander mee lastig te vallen, kun je het net zo goed laten zitten. Mensen denken vaak dat moraal alles van hen afpakt wat leuk is in dit leven, terwijl het juist het geluk van de mensheid in zijn geheel bevordert. Ik denk dat moraal zo'n slechte naam heeft gekregen omdat het altijd wordt gebruikt om tegen mensen te zeggen wat ze verkeerd hebben gedaan terwijl het juist een set van waarden, beginsels, regels en argumenten is waarmee je zélf dingen kunt gaan ondernemen. Je moet moraal dus niet gebruiken als beoordelingscriterium achteraf maar als een set van handelingsprincipes vóóraf. En je kunt de regels niet voortdurend naar je eigen belang toe vertalen; ze moeten je ook iets kosten. Ik kan me voorstellen dat je, als je in moeilijke omstandigheden verkeert, wilt geloven in een vader in de hemel, in iemand die je zal redden als het fout gaat, maar die kinderlijke behoefte ontslaat je niet van de plicht zelf ergens je best voor te doen."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Laatst realiseerde ik mij dat de partij waarop ik best zou willen stemmen mijn stem nooit zal krijgen omdat haar voorman ooit beweerde dat shoppen óók een vorm van zondagsrust is. Dat schoot bij mij helemaal in het verkeerde keelgat. Ik ben voor een dag van bezinning en beschouwing. Een dag waarop de winkels sluiten en er minder wordt gemaild en getelefoneerd. Tegelijkertijd bedacht ik dat zo'n afspraak voor mij helemaal niet nodig is omdat ik mij in feite iedere dag aan de zondagsrust houd. Ik ben druk bezig met het doen van trage dingen. Ik schrijf stukken. Aan het eind van de dag voelt het alsof ik hard heb gewerkt, maar ik kan niet ontkennen dat ik er erg veel tijd voor heb genomen. Wat ik dus eigenlijk wil is ánderen dwingen om één dag te zijn zoals ik. En aangezien ik die andere zes dagen word gedwongen om te zijn zoals zij vind ik dat helemaal niet zo'n slechte ruil."

V Eer uw vader en uw moeder
"Er zijn mensen die erg op zichzelf leven en er zijn anderen die zich gevestigd voelen in een traditie. Dat tweede geldt voor mij; ik ben me altijd erg bewust geweest van mijn familiegeschiedenis. Ik eer mijn vader en moeder en dat wil zeggen dat ik inzie dat ook hun belang in het geding kan zijn op het moment dat ik beslissingen neem.

De geschiedenis van mijn familie is een morele geschiedenis, een verhaal over 'goed', 'fout' en alles wat daar tussenin zit, in de Tweede Wereldoorlog. Mijn grootouders vertegenwoordigen daarin alle vier een andere positie. Van grote voortreffelijkheid van de grootmoeder van mijn moeders kant tot wat twijfelachtiger beslissingen - in morele zin - van haar echtgenoot. Hoe dat zit? Tja, hoe zal ik dat formuleren? Mijn grootmoeder heeft erg veel last gehad van het besluit van mijn grootvader om zomaar ineens te verdwijnen. Ze stond er, met vier kinderen, alleen voor. In de oorlog en nog lang daarna... Het zijn ingewikkeldheden die ik, toen ik al ver in de twintig was, teruglas in een boek van Andrzej Szczypiorsky, 'De mooie mevrouw Seidenman'. In die roman gebeuren allerlei dingen die je wel en niet begrijpt en voor zaken die je verwacht te zullen veroordelen, toon je later toch begrip. Zo is het ook een beetje met onze familiegeschiedenis. Het verhaal is veel te complex om in een interview te vertellen. Daar heb je achtergronden voor nodig, voorgeschiedenissen en karakterschetsen. Ik zou het daarom graag op schrift stellen, maar ik denk dat sommige familieleden daar niet erg blij mee zullen zijn. Ik denk dat ze bij het lezen van dit interview hun wenkbrauwen al zullen optrekken. Ik heb geleerd mijn mond te houden en toch geloof ik, meer en meer, dat dit verhaal - in een gunstig licht verteld - best openbaar gemaakt zou kunnen worden. Het is een geschiedenis waar je ook trots op zou kunnen zijn. Ik vraag me af of het goed is om erover te blijven zwijgen.

Mijn ouders hebben, door hun opvoeding, vooral in normatief opzicht het een en ander doorgegeven. Er is altijd een sterke nadruk gelegd op goed moreel argumenteren, je moet goede argumenten hebben voor de dingen die je doet of laat, je moet zelf beslissen en er niet klakkeloos op vertrouwen dat de samenleving je wel zal dragen. Ik ben normatief geïnteresseerd geboren, maar ik ben er ook zeker van dat ik de neiging tot autonomie van mijn grootouders, via mijn ouders, heb meegekregen.

We naderen overigens het moment waarop ik zal zeggen dat het zo wel genoeg is; ik heb hier de kolommen tot mijn beschikking, mijn familie niet. Ik moest in het portret dat onlangs op televisie werd uitgezonden (Profiel, 'Marjolijn Februari, de zichtbare denker'. Uitgezonden op 11 april, terug te zien op www.hollanddoc.nl, AV) ook iets over mijn familie zeggen. Ik had de boot af weten te houden, tot de regisseuse een foto van mijn vader en moeder zag. 'Laat dan op zijn minst dat fotootje zien!' Dat heb ik gedaan. 'Franz Kafka en Birgit Bardot', zei ik. Het was niet flauw bedoeld. Het betekende echt iets."

VI Gij zult niet doodslaan
"Ik ben niet zo'n mens van de praktijk. Daarbij ben ik ook nogal bedachtzaam, dus ik denk niet dat ik een groot gevaar loop om spontaan zulke verschrikkelijke dingen te doen. Ik ben wel defensief. Ik heb een man die mij, toen ik veel jonger was, belaagde zo vastgepakt dat hij het uitschreeuwde van de pijn: 'Je breekt mijn vingers!' Ik zei: 'Als je nu niet maakt dat je wegkomt, zal ik dat ook zeker doen.' Ik ben niet agressief, maar ik kom wel voor mezelf op."

VII Gij zult niet echtbreken
"Echtbreken, mooi woord. Ik zag dat er twee versies van de tien geboden in de Bijbel staan. In de ene versie staat 'gij zult geen overspel doen' en in die andere staat 'gij zult niet echtbreken'. Het is mij opgevallen dat de mensen die jij interviewt vaak voor de gemakzuchtige interpretatie, de overspel-variant, kiezen. Echtbreken is veel interessanter. Bij geen overspel doen is meteen duidelijk wat er van je wordt verlangd, maar echtbreken gaat over de plicht je huwelijk niet te beschadigen en daar heb je niet per se een ander bij nodig. Ik ben niet een principieel voorstander van de monogamie, maar in de praktijk blijkt mijn huwelijk zo hecht dat anderen daar niet aan te pas komen. Niet omdat het niet mag, maar gewoon omdat het op een of andere manier niet past. Er steekt natuurlijk wel eens een storm op - en toevalligerwijs komt er op precies datzelfde moment iemand voorbij waardoor je één seconde denkt: als ik nu eens alles zou verbreken en met háár verder zou gaan... - maar die bui trekt weer over.

Wij zijn nu negentien jaar samen. Ik heb niet het gevoel dat wij dagelijks ons best moeten doen om de echt niet te breken. Het rare van onze verbintenis is dat ik altijd een diepe verbondenheid heb gevoeld die heel ondergronds is. Sommige mensen zullen het voorbestemming noemen, ik zou het eerder als een onontkomelijkheid beschrijven. Daardoor ebt die verleiding ook zo snel weg: het is onontkoombaar, wij kúnnen niet meer uit elkaar gaan. Het klinkt als niet willen, da's waar, maar ik vermoed toch dat kunnen en willen hier samenvallen.

Er zijn wel eens momenten waarop ik mij afvraag of ik nog wel leuk genoeg ben. Als concrete anderen geen rol spelen, komen de virtuele anderen aan bod - die zijn natuurlijk véél leuker dan ik. Die onzekerheid is er aan beide kanten en kan wel eens tot misverstanden leiden, maar naarmate je langer bij elkaar blijft wordt de zekerheid steeds groter: blijkbaar wil ze me toch. En ik word ouder en lelijker, natuurlijk. Ik heb niet de illusie dat men in stromen achter mij aan komt lopen.

Daarbij is het in de vrouwelijke homoseksualiteit ook niet zo dat de verleiding overal op de loer ligt. Wie als heteroseksueel een vergadering binnenloopt, heeft het, wat dat betreft, moeilijker. Of juist niet, dat is waar. Ik vind het zelf in ieder geval wel lekker rustig zo."

VIII Gij zult niet stelen
"De theorie dat eigendom diefstal is wordt volgens mij opnieuw relevant voor onze arbeidsverhoudingen. Wie zijn werknemers ontslaat en zelf een grote bonus int is een dief omdat je je kunt afvragen of dat geld nou werkelijk voor hem of haar bedoeld was. Hebzucht is tot daar aan toe, maar van die totale schaamteloosheid begrijp ik werkelijk niets."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Je kunt een valse getuigenis afgeven door er vreselijk op los te liegen of je kunt een valse getuigenis afgeven door heel erg veel dingen niet te vertellen. Ik opteer voor de tweede mogelijkheid. De vraag is: speelt, als je je bezighoudt met normatieve vraagstukken, je persoonlijke achtergrond daarin een rol en is het nodig om die informatie op tafel te leggen? Ik heb mijn leven lang volgens het Lohengrin-principe (Zwaanridder uit een opera van Richard Wagner, AV) gehandeld: ik wil hier wel iets komen doen, zo lang je mij maar niet vraagt wie ik ben en waar ik vandaan kom. Ik heb namelijk lang geloofd dat het een niet van belang is voor het andere."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Een tijdje geleden nam ik deel aan een discussie over het al dan niet belonen van bepaalde diensten toen een advocaat van een kantoor dat veel fusies voor grote bedrijven doet zijn gelijk probeerde te halen door tegen mij te zeggen: 'Ik verdien veel meer dan jij.' Het was een argument van niks, en hij had in die zaal zijn krediet onmiddellijk verspeeld. Ik vind het een fascinerend fenomeen: hoe het hebben van veel geld sommige mensen zo cheap, zo goedkoop kan maken.

Natuurlijk ben ik wel eens jaloers, het zou flauw zijn om dat te ontkennen, maar het gevoel wil nooit echt beklijven. Ik streef naar een intrinsieke behoeftebevrediging; een bevrediging die niet komt doordat iedereen mij bejubelt, doordat ik prijzen krijg, of geld, maar bijvoorbeeld door het schrijven van een roman waarvan ik zélf weet dat ik boven mezelf ben uitgestegen. Daar zou ik uiteindelijk, op mijn sterfbed, aan terug willen denken. Niet aan het idee dat ik eigenlijk altijd jaloers ben gebleven op wat anderen ervan hebben gemaakt. Zeker, er zijn schrijvers die ik enorm bewonder, maar ik ben niet jaloers op hun talent. Ik zou dat talent alleen kunnen hebben als ik die ander was. En als ik die ander ben, ben ik mezelf niet meer.

Ik weet niet of die ene volmaakte roman ooit is geschreven. Ik ken schrijvers die zeer tevreden zijn over hun werk, maar dat zijn meestal de mensen van wie ik denk: nou, ik ben blij dat je er zelf zo gelukkig mee bent maar eh... Ik heb veel meer bewondering voor mensen die een leven lang naar iets blijven haken, voor mensen die niet achterover leunen en zeggen: het is wel goed zo.

Ik hoop niet dat ik de indruk heb gewekt tegen allerlei vormen van slechtheid te zijn - of ze zelf ook niet te kennen. Ik ben geen moralist, ik ben een ethicus. Ik accepteer menselijke aanvechtingen als een deel van het bestaan. Ik worstel er zelf ook mee, ik bedwing ze en ik kom er overheen. Ik geloof dat ik mij als ethicus voorbeeldiger moet gedragen, maar daar staat tegenover dat ik ook minder dan anderen in de verleiding wordt gebracht, omdát ik nu eenmaal een ethicus ben. Soms benauwt mij het idee dat mensen mij als een soort Doornse goeroe gaan zien, als de wijze vrouw die alles voortreffelijk voorleeft. Misschien moet ik maar eens een paar zonden begaan zodat ik in een volgend interview ook iets heb om op te biechten."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden