Marjan Berk

Marjan Berk (Zeist, 1932) is columniste en schrijfster. Sinds het feministische maandblad Opzij haar in een interview aankondigde als 'De Koningin van het lichte boek', staat deze geuzennaam op iedere flaptekst vermeld. Vorig jaar schreef zij, voor uitgeverij Atlas, haar 'Memoires van een dame uit de goot van het amusement'.

1.Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

,,Dominee Miedema had het nooit over God. De preken die hij in ons kleine Remonstrantse kerkje hield, gingen altijd over Russische iconen, Rembrandt, Van Gogh en de 'barensweeën van de nieuwe tijd'. Dat waren zijn thema's: kunst en de nieuwe tijd. Toch had ik een kinderlijk geloof in God, dat mij, bij het uitbreken van de oorlog nog gruwelijk te kakken heeft gezet. Mijn ouders waren al gescheiden. Mijn moeder, mijn kleine broertje en ik woonden in Amersfoort. Op 10 mei 1940 wilde mijn vader ons naar zijn moeder in Rotterdam brengen. Terwijl de moffen al op de Maasbruggen vochten, moet je nagaan! Mijn moeder weigerde, maar toen mijn vader dreigde alleen de kinderen mee te nemen, pakte ze toch een koffer in en ging met ons mee. We waren nog maar net bij mijn grootouders aangekomen toen het bombardement uitbrak. We zaten als ratten in de val. Het luchtalarm loeide, Messerschmitts gierden over onze hoofden, bommen ontploften. We hielden ons schuil in het trapportaal. Ik zie nog voor me hoe de bewoner van een andere verdieping, doodziek, steeds in elkaar zakte. Ik hoorde gehuil, hysterisch geroep: 'O lieve God, Satan komt ons halen, Satan komt ons halen!' Ik ging er helemaal in mee. Voor ik het wist vroeg ik vergeving voor al mijn zonden. Ik had melk door de gootsteen gespoeld en van de rozijnen gesnoept... 'O Here God, het spijt me zo! Tot mijn moeder begon te vloeken, de zieke man aan zijn haren omhoog trok en uitriep: 'Doen jullie toch niet zo hysterisch!' Dat was een cruciaal ogenblik. Vanaf dat moment wist ik - en het zou later ook blijken - dat mijn moeder totaal niet bang was. Ze hield de boel wakker. Ze was een sterke, moedige vrouw. Ik ben altijd een beetje bibberig gebleven. Ieder jaar, in mei, als de natuur een bepaalde kleur aanneemt, als het licht anders gaat vallen, heb ik het moeilijk. Dan hoor ik de bommen vallen. Dan denk ik aan de onderduikers bij ons in huis, aan de mensen die het niet overleefd hebben... Maar God, tja God... toen mijn moeder, kort na de oorlog ernstig ziek werd, heb ik nog eens hartstochtelijk tot Hem gebeden. Er kwam een soort kalmte over mij, een gevoel van zachte regen, alsof het hielp... maar toen ze even later was gestorven en een mevrouw van de Remonstrantse kerk met mij wilde praten, zei ik: 'Laat u maar. Ik kan de manier waarop mijn moeder is doodgegaan, het leed dat haar is aangedaan absoluut niet rijmen met de gedachte dat er, ergens boven ons, een lieve God zou bestaan.' Ik ben een agnost geworden. Ik weet het niet. Het is net als in de liefde: ik hoop dat er nog iets leuks komt, maar ik ga er niet van uit.''

2.Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Ik was achttien toen ik voor het eerst de doeken van Cézanne zag. Het kwam zonder omweg binnen; het emotioneerde mij enorm. 's Nachts las ik de brieven van Rilke. Hij schreef over de appels en de peren van Cézanne en ik dacht verrukt: o, je kunt er nog over schrijven ook! Schilderkunst, literatuur, muziek! Schoonheid, kan ervoor zorgen dat je buiten jezelf treedt. Als ik miezerig ben, helpt muziek me weer op de been. Kunst geeft me alles wat religie me had beloofd.''

3.Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Cabaret past mij als een muts. Kleine provocaties, ondermijnen die boel. Grof taalgebruik past daar niet bij. Dat vind ik gemakzuchtig. Schadefreude ken ik niet. Uitlachen, daar hou ik niet van.''

4.Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Ik heb, toen ik last van te hoge bloeddruk kreeg, op advies van een vriendinnetje, een ayurvedische psychiater in Lelystad bezocht. Ze stelt een diagnose door je pols te voelen. Fantastisch mens, Argentijnse van Italiaanse afkomst. Ze zei: 'Ik kan je helpen, maar dan moet het nu meteen. Je wordt ziek als je met deze ballast rond blijft lopen.' Ik ben er op ingegaan. Sessies van vier, vijf uur aan één stuk. Nou, ik kan je verzekeren: ik heb daar vele dozen tissues weggebruld. Dat een mens zoveel kan janken... Ik had de dood van mijn moeder niet verwerkt. Nooit gerouwd. Never, ever. Ze stierf de dag waarop ik in de verpleging ging. Het was 1 april, dat verzin je toch niet? Ik ging wonen en werken in het ziekenhuis waar zij was overleden. Mijn oma, die de laatste jaren voor haar dochter had gezorgd, ging terug naar Zuid- Afrika om het huwelijk van een van haar andere kinderen te redden. Het huis moest leeg. Er was woningnood. De laatste maanden waren er steeds vaker mensen aan de deur geweest: 'Is mevrouw Van de Wall al dood?' Vreselijk... Ik heb het er bij die dokter in Lelystad allemaal uitgegooid. Ze adviseerde me ook te mediteren. Ik heb toen een weekend in zo'n centrum meegedraaid. Ik heb van huis uit een hoge onderdruk, een nerveus systeem... nou, laat ik het zo zeggen: ik ben een manische kakelkip. Die verbale kant is mijn talent, maar hij staat tegelijkertijd mijn gemoedsrust in de weg. Ik moet ontspannen. Mijn innerlijke rust vinden. In mijn huis in Amsterdam staat een grote leunstoel. Daar zat Sinterklaas vroeger in. Soms ga ik even proefzitten, maar op een dag doe ik het echt; dan geef ik mij over aan mijn gemoedsrust, blijf zitten waar ik zit en ga lezen, lezen, lezen.''

5.Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn moeder ontmoette mijn vader op een gekostumeerd bal. Zij was de zon. Hij een indiaan. Mijn grootouders moesten eerst niks van hem hebben, maar hij kon vreselijk charmant zijn en tegen de tijd dat mijn moeder in de gaten had dat zij haar noodlot tegemoet ging, hadden haar ouders hem volledig geaccepteerd. Het huwelijk was vanaf het begin rampzalig. Ze huurden een huis in Zeist, dat ironisch genoeg 'Cheer up!' heette, en vochten er de hele dag als kat en hond. Ik werd vanwege die ruzies voortdurend naar mijn grootouders afgevoerd. Ik kan mij maar één moment uit die tijd herinneren. Mijn vader beheerde de Carl Denig-winkel in Den Haag. Hij had een tentje in de tuin opgezet waarin ik met mijn broertje speelde. Ik zie dat tentje zo weer voor me. Ik weet nog hoe het gefilterde licht naar binnenviel, hoe vredig het was, hoe gelukzalig. Op een gegeven moment moest mijn broertje poepen. Hij deed dat, heel braaf - hij was net bezig zindelijk te worden - in een schoenendoos die wij in de tent hadden staan. De volgende dag stond ik op en zag dat het tentje weg was. Mijn vader kwam op me afgestormd. Hij was ziedend over die drol, zei dat ik het had gedaan en heeft me verschrikkelijk geslagen. Ik kan er nog om janken, weet je dat? Die inbreuk, dat afpakken... ik weet nog dat ik op dat moment besloot grote omtrekkende bewegingen te gaan maken. Ik wist: die man raakt mij nooit meer aan. Ik was doodsbang voor mijn vader en ik ben het eigenlijk altijd gebleven. Er ging een enorme dreiging van hem uit. Hij kon vreselijke scènes maken. Hij bedroog mijn moeder tot op het bot. Na de echtscheiding, in 1938, moesten mijn broertje en ik om de zoveel tijd bij mijn vader op bezoek. Mijn broertje wilde wel iets langer blijven. Ik niet. Hij werd overladen met cadeautjes. Mijn vader zei dan: 'Als Marjannetje net zo lief is als Jan-Keesje, krijgt ze dit ook.' Ik was vreselijk loyaal aan mijn moeder. Als ik naar mijn vader ging, was er een hele waslijst van onderwerpen die ik niet kon bespreken. Mijn moeder kon van het kleine beetje alimentatie niet rondkomen. Ze nam een baantje, verhuurde kamers en kookte voor haar gasten. Mijn moeder was vaak ziek, maar tegelijkertijd maakte ze ervan wat ervan te maken viel. We waren hartstikke arm, maar ik heb me nooit arm gevoeld. Dat woord heeft later pas betekenis gekregen. Er werd veel gelezen, veel gemusiceerd. Mijn moeder had een prachtige mezzasopraan, maar toen ze eindelijk de kans kreeg om een recital voor de radio te houden moest ze lid worden van de Kultuurkamer, wat ze natuurlijk niet deed. Ons huis zat vol onderduikers. Mijn moeder doorstond razzia's lachend en flirtend voor de deur waarachter ze mensen verborgen hield. Ze was mijn heldin, onorthodox, onconventioneel... maar ik heb ook met grote innerlijke pijn moeten vaststellen dat ze geen moederlijke moeder was. Althans, niet voor mij. Ze was dol op mijn broertje. Dat was háár mannetje. Ik kon als kind niet bij haar terecht. Ik zorgde meer voor haar dan zij voor mij. In 1945 kreeg ze botkanker. Haar lichaam verteerde al toen ze nog in leven was. Er hing een vreselijke geur in haar kamertje. Ze gaven haar alleen nog morfine. De laatste keer dat ik bij haar was, heeft ze mijn naam in twee delen gezegd: marie... jannetje. Het was zo'n smartelijk ogenblik. Ik denk altijd aan haar. Altijd. Altijd. Tja... zo gaan die dingen... o God, daar ga ik weer... het spijt me. Ik had je moeten waarschuwen: begin nooit over mijn moeder want... Ander onderwerp. Ja, mijn vader! Mijn moeder had het altijd over Jan van Baaren als we over hem spraken. Dat zegt, denk ik, wel genoeg. Mijn vader is 75 geworden. Ik ben onmiddellijk na zijn dood begonnen met schrijven. Dit klinkt als een ouderwetse Freudiaanse psychoanalyse, maar het was alsof de laatste controlerende factor uit mijn leven was verdwenen. Niemand die mij tegenhoud, niemand die afwijst, afkeurt of in de steek laat. Schrijven heeft mij onbang gemaakt. Als ik schrijf, als ik formuleer wat er in mijn hoofd leeft, word ik overvallen door iets wat ik een appelwangengevoel noem. Het voltrekt zich in mij, volledig autonoom. Het is een gevoel van macht. Van beheersing. Ik ben niet meer te blokkeren.''

6.Gij zult niet doodslaan

,,Ik zou wel een harde mep uit kunnen delen, maar ik heb, a-priori, al te veel medelijden met mijn slachtoffers. Jaap van de Merwe zei altijd: 'Bij jou kun je onderduiken'. Dat is een gratuite opmerking, maar toch draait het daar allemaal om: bij wie kun je, als het er op aankomt, schuilen? Wie is te vertrouwen? Ach ja, het menselijk bedrijf... ik heb het iemand wel eens prachtig horen zeggen: de missing link tussen de aap en de mens, dat zijn wij.''

7.Gij zult niet echtbreken

,,Mijn eerste man was depressief. Bo was patiënt in het ziekenhuis waar ik werkte. Ik heb veel van hem gehouden. Hij was een erudiete, lieve man, maar zijn vitaliteit was verstoord. Er was geen passie. Op een of andere manier voelde ik mij, innerlijk, afgewezen. Ja, ik kreeg, snel achter elkaar, drie kinderen - dat wordt mij altijd nagedragen - maar vergis je niet: in die tijd waren de voorbehoedsmiddelen bijzonder slecht. We hadden één condoom dat na gebruik werd uitgesopt. En toen ik bij de NVSH zo'n ring, zo'n pessarium, ging ophalen, kreeg ik daar een enorme tube zaaddodende pasta en een klysma bij cadeau. Nou jongen, àls de lust dan toch nog over je kwam, dan ging je toch niet... Enfin, ik was gewoon heel erg vruchtbaar en het grappige is: ik heb altijd veel kinderen willen hebben. Toch kon ik niet bij Bo blijven. Om te kunnen overleven, moest ik hem verlaten. Toen kwam Ruud. We kregen twee kinderen samen, die kwamen volgens afspraak. Ik ben bij Ruud echt gelukkig geworden - dat kan hij me niet meer afpakken. Ik was zo van hem vervuld, zo seksueel aan hem verslaafd, dat ik er uiteindelijk aan ten onder ben gegaan. Maar ik wil die tijd, die mooie tijd, niet teniet doen door de wetenschap dat hij een dubbelleven heeft geleid. Met een jonge blom? Nou, dat is een understatement, hij was zo polygaam als de pest. Maar laat ik daar niet verder op ingaan, dat is zo vingerwijzend... Ja, ik ben bedrogen, dat is waar, maar ik praat niet over hem. Dat kan ik niet. Dat wil ik niet.''

,,Weet je wat het gekke is? Ik heb altijd een man zoals mijn opa gewild. Mijn grootvader nam mij serieus. Hij vond mijn voorstellingen tussen de schuifdeuren prachtig. Toen hij naar Afrika ging, vergat hij me niet. Ik kreeg antwoord op alle brieven die ik hem schreef. Als hij in Nederland was, ging ik met hem wandelen over de pier van Scheveningen. Een grote man. Een leuke man. Met een gat in zijn hand. Ik ben mijn leven lang naar mijn opa op zoek geweest, maar sloeg, tot twee keer toe, mijn vader aan de haak.''

8.Gij zult niet stelen

,,Ik was een dievegge met normbesef. De bakker liet ik met rust, maar van die rotmoffen mocht je, vond ik, alles jatten. Edammer kazen, Kuchen - van die zure Duitse broden - en briketten: alles wat ik met mijn drietand, zo'n klauw voor in de tuin, te pakken kon krijgen, ging in de kleine juten zak. Ik heb ook eens zo'n wit, gevlochten brood van de bevoorradingskar gepikt, maar de koetsier had het in de gaten en heeft me net zo lang met de zweep over mijn handen geslagen tot ik het weer losliet. Die hongerwinter was verschrikkelijk... we stookten boeken in onze noodkachel en aten de meest verschrikkelijke dingen om in leven te blijven. Mijn benen zaten vol zweren. Ik herinner nog dat mijn moeder, nadat we drie dagen niet te eten hadden gehad, met een klef roggebroodje thuis kwam. Daar had ze 35 gulden voor betaald. Het was een feestmaal.''

9.Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Ik kan discreet zijn. Als mensen mij een geheim toevertrouwen, ga ik dat niet op straat gooien. Zelf ben ik een open boek. Ik beschrijf alles - binnen het betamelijke. Zal ik je, in dit verband, iets leuks vertellen? Ik lag in bed met... nou dat hoeft er eigenlijk niet bij, met wie ik in dat bed lag... en ik was buitengewoon prettig klaargekomen. En dan moet je weten: er zijn jaren van getob voorbij gegaan voor er een man langskwam die het sleuteltje naar de hemel had meegenomen. De telefoon ging en ik kreeg te horen dat iets wat ik had geschreven gepubliceerd zou gaan worden. Ik was zo blij, zó ontzettend blij! Sinds dat moment weet ik niet meer wat prettiger is: schrijven of klaarkomen.''

10.Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Afgunst ken ik niet. Eigenschappen van anderen benijd ik niet. Wat heeft dat voor zin? Het is zoals het is. Maar ik heb wel mijn verlangens. Zo heb ik ooit, in Londen, een decor gezien dat model stond voor hoe ik zou willen leven. Het was in 'Old Times' een eenakter van Pinter. Op een schuinoplopend toneelvlak stond een enorm bed waarop een sprei lag met zo'n prachtige meanderende rand. Dat was alles. De rest was leeg. Ik wist onmiddellijk: zo wil ik leven, zonder ballast, in zo'n ruimte... en als je dan weet dat ik iemand ben die een toffeepapiertje uit '47 bewaart en in een dichtgeslibde boekenkast woon, dan weet je hoe ver ik nog van die ideale toestand verwijderd ben. Maar ik ga door, ik geef niet op. Er is in mijn leven nogal wat pech voorbij getrokken, maar ik ben wakker gebleven. En ik ben een taaie hoor! Natuurlijk, er zijn momenten geweest waarop ik dacht: ik ga aan de sherry! Maar uiteindelijk heb ik toch steeds voor brandnetelthee gekozen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden