Marijke Helwegen / Ach, het is maar een spel

Marijke Helwegen (Heerlen, 1948) is presentatrice, performer en ‘icoon voor de cosmetische chirurgie’.

Ze doet, onder andere, marketing voor Medisch Centrum Scheveningen en voert, als Bekende Nederlander, regelmatig strijd voor de rechten van het dier. In 2005 werd ze uitgeroepen tot de Societyvrouw van het Jaar.

I Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

,,God is een goede vader, Hij geeft mij het leven dat ik verdien. Daar geloof ik heilig in: wat je zaait, zul je oogsten. Wie goed doet, goed ontmoet. Ik hoop maar dat God het mij straks, als ik bij Hem kom, zal vergeven dat ik mijn ouders, tijdens hun leven, niet genoeg heb geëerd. Mijn moeder was een - o, daar komen we zo op? Goed. Maar ik zal je dit vertellen: als ik terugdenk aan die tijd, aan die moeilijke jaren, ben ik blij dat God toch zo mild voor mij wil zijn. Ik ben nu 58 en het lijkt wel alsof ik almaar sterker en gelukkiger word. Daar wil ik Hem iedere dag voor danken.”

II Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

,,Dominee Hörchner is mijn beste vriend. Wij hebben een grote seelenverwantschaft. Hij is negentig en zit in een rolstoel. We zien elkaar iedere week. Hij leert mij veel over de Bijbel en hij probeert mij ook, op zijn manier, een beetje in de touwen te houden. Laatst zei ik, tijdens een televisieprogramma, heel geïrriteerd tegen de presentator: ’Moet u eens luisteren, ik heb niet alleen ballen aan de bovenkant hoor!’ Toen ik een paar dagen later bij dominee Hörchner kwam, zei hij, in een poging streng over te komen: ‘Je moet niet iedere keer over die ballen praten Marijke, dat is niet stichtelijk.’ Ach, weet je, ik geloof niet dat God zich snel door mij beledigd zal voelen. Ik denk eerder dat Hij wel om mij kan lachen.”

III Gij zult de dag des heren heiligen

,,Ik ga bijna elke zondag naar de kerk. Ik ben dol op kerken, dol op kloosters. Ik had een heeroom, ome Teng, de broer van mijn vader, die het hoofd was van de Redemptoristen van het klooster in Wittem. Eens per twee maanden gingen we bij hem op bezoek. Ik weet nog goed hoe ik samen met mijn broertje Richard, die anderhalf jaar jonger is, op mijn sokken door de lange, brede, zwart-wit gemarmerde gangen gleed. En in een grote, statige bezoekerskamer zaten ome Teng, mijn moeder – altijd in een mooi pakje, handschoentjes aan – en mijn vader te oreren. Daar gebruikten we dan gezamenlijk de lunch: broodjes met rookvlees en rosbief, geserveerd op grote, zilveren schalen. Tegenwoordig heeft iedereen wel een zilveren schaal, maar in die tijd‿ nou, ik was deeply impressed. Ik herinner me ook dat er een bisschop begraven lag en dat je, door het glas, naar z’n relikwieën – z’n enorme ringen, z’n kroon en z’n grote, gouden kruis – kon kijken. Ja, die uitstapjes naar Wittem vond ik mooier dan de mooiste vakantie. Ach, die heeroom Teng! Wat heb ik lang niet aan die man gedacht! Hij had last van astma en ging, op kosten van het klooster, twee maanden per jaar kuren in de duurste hotels van Arosa. Moet je je voorstellen! Daar kwam hij op een keer een Zwitserse tegen - chique dame, geen eh‿ dinges, nee, beschaafd en intelligent, een chique dame – met wie hij bevriend raakte. Af en toe kwam ze ook bij hem op bezoek, dan logeerde ze in het kasteeltje tegenover het klooster. Later is zij nog getrouwd met een ándere broer van mijn vader, ome Sjeng. Tante Bertie ging dood en toen kwam ineens de vriendin van heeroom Teng op de proppen! Ome Sjeng had een verzekeringsbedrijf en kwam bij ons altijd de assurantiën doen. Ja, nee, je hebt gelijk, ik dwaal af‿ wat wou ik ook alweer zeggen? Ja! Kerken. Preken. Ik zou zo dolgraag willen gaan preken en dan per pausmobiel van kerk naar kerk gereden worden. Lijkt me geweldig! Ik zie het helemaal voor me: in een mooi, kanten jurkje, op de preekstoel. Wacht, ik ga er even bij staan: Gelovigen! Waarom zij wij hier bij elkaar? Zijn wij hier om vanuit die kerkbanken naar mij te staren en te denken: wat moet die Marijke Helwegen met haar opgespoten lippen ons nou vertellen? Of zijn wij hier bijeen om onze Here Jezus, die op deze wereld is gekomen en zijn leven voor ons geofferd heeft, te dienen? Zijn we hier om in boosheid en met vooroordelen naar elkaar te kijken of zijn we hier om ons af te vragen: hoe kunnen we het gebod dat de Here Jezus ons heeft geleerd, namelijk hem te aanbidden en te dienen en elkander lief te hebben als onszelf, uitdragen? Hoor je? Daar hoef ik helemaal niet over na te denken. Misschien zal de conservatieve kerk moeite hebben met mijn aanpak, geheel vanuit mijn hart, maar ik ben ervan overtuigd – en ik weet dat het hoogmoedig klinkt, maar ik zeg het toch – dat ik de kerken van Nederland weer vol zou kunnen krijgen.”

IV Eer uw vader en uw moeder

,,Ja‿ nu wordt het lastig. Mijn moeder‿ Mijn moeder was vroeger, in de oorlogsjaren, gouvernante bij een adellijke familie, de Van Nispen tot Sevenaers. Na de oorlog is ze getrouwd, in 1948 werd ik geboren. Mijn moeder was een mooie, slanke vrouw, zeer ambitieus, zeer gedreven. Vaak met schoonheid bezig en op zoek naar erkenning. Ze liep, poepchique, samen met mijn vader – die haar adoreerde – vele recepties af, ontving geregeld voorname gasten bij ons thuis. Sociaal een topper, verbaal een topper. Maar, hoe moet ik dat nou toch zeggen, op een of andere manier had ik geen goed contact met haar. Ze had nooit tijd voor mij – zo heb ik dat als kind tenminste ervaren. Als ik haar iets vroeg, was het vaak: ‘Toe, laat me nou, ik moet eerst mijn nagels even doen.’ Ze deed het niet met opzet, ze was ook maar een product van haar opvoeding, maar toch‿ soms verlangde ik er zo naar om gewoon, net zoals vriendinnetjes deden, met mijn moeder naar de markt te lopen. Ik denk dat op een goed moment, onbewust, mijn hoop is omgeslagen in verzet. Van mijn twaalfde tot mijn dertigste – ongeveer tot aan haar dood – is onze communicatie zeer verstoord geweest. Wat er op mijn twaalfde gebeurde? Mijn beste vriendinnen gingen naar de HBS en zagen mij, een Mulo A-klant, van de ene op de andere dag niet meer staan. Ik werd gewoon uit hun leven geschrapt. Het enige wat ik kon bedenken was: ik pak jullie allemaal terug, al kost het me twintig jaar. Had ik het maar met mijn moeder kunnen bespreken, had ik haar maar kunnen vertellen hoe eenzaam, hoe verstoten ik me voelde. Maar nee, ik was recalcitrant, ik werd een cocon, er viel geen woord meer met mij te wisselen. Ik heb het nooit uitgepraat, of bijgelegd. Daar heb ik zo’n spijt van. Ik weet zeker dat mijn moeder nu heel trots op mij zou zijn. Haar Limburgse meisje, wonend in het Gooi, in een alleenstaande villa met een stuk grond van drieduizend vierkante meter, met een BMW sport, avondjurken, gala’s – ze zou me geweldig vinden. Ik zou het haar zo graag vertellen: kijk, mama, dit heb ik allemaal aan jou te danken. Jij hebt me geleerd door te zetten, niet op te geven. Zie je hoe mooi ik ben? Het spijt me zo dat ik toen niet heb gezien dat je voor hebt willen doen hoe ik moest leven‿ Zij was zoals ik nu ben, met dit verschil: ik heb er bewust voor gekozen geen kinderen te nemen. Als je zo met jezelf bezig bent, moet je geen kinderen nemen. Nee, ik neem haar niets kwalijk, echt niet. Ik begrijp het wel. Het doet pijn, nu we er zo over praten, maar ik geloof toch wel dat ik het grootste verdriet heb verwerkt. Toen mijn moeder stierf voelde ik niets. Toen mijn vader vijf jaar later - verdrietig, eenzaam – ook overleed, voelde ik nog steeds niets. Nee, ik moet zeggen: ik wílde niets voelen. Ik zat nog middenin mijn gevecht, mijn boosheid. Langzaam maar zeker is daar verandering in gekomen. Ik kreeg een eigen bedrijf, een goed huwelijk, ik wist mijn lichaam mooi te houden; ik kreeg de erkenning, ik kreeg uitbetaald waar ik al die jaren zo voor had geknokt. Pas toen ik mij beter ging voelen, toen er een bodem was gelegd, kon ik het verdriet toelaten. Ik geloof dat lijden zin heeft. Die eenzaamheid heeft me hier gebracht, bij een beter begrip, bij een vaster geloof. Ik heb mij nog nooit zo dicht bij God gevoeld.”

V Gij zult niet doden

,,Ik ben een opgewekt mens, maar als ik even moet doemdenken: ik geloof dat we bezig zijn de wereld helemaal naar de verdommenis te helpen. We vervuilen de grond, de lucht en het water. Gekke koeienziekte, varkenspest, vogelpest, tsunami’s, smeltende ijskappen, noem maar op! Alles wat zo’n beetje in de bijbel wordt voorspeld, begint nu uit te komen. De mens is zo dom. Hij denkt ongestraft alles kapot te kunnen maken. God geeft steeds weer nieuwe vingerwijzingen; Hij laat ons zien hoe kwetsbaar we zijn. Het enige wat wij moeten doen is Zijn almacht erkennen, maar ik begin eerlijk gezegd wel een beetje aan de bereidwilligheid van de mensen te twijfelen.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

,,Vroeger, als klein meisje, stopte ik twee appels onder mijn truitje omdat ik graag borsten wilde hebben. Als ik dat ging opbiechten, hoorde ik meneer pastoor altijd een lachje onderdrukken. Ik denk niet dat hij het echt onkuis vond, wat ik deed. Inmiddels heb ik, waar ooit goudrenetten zaten, borstimplantaten en daar is natuurlijk helemaal niks mis mee. Ik kom heel af ten toe wel eens iemand tegen die denkt dat zoiets niet mag van God. In zo’n geval citeer ik graag uit Hooglied waarin de man letterlijk tegen de vrouw zegt: ’Niets ontsiert uw schoonheid, vriendin van mij. Uw mond is als ene granaatappel, uw ogen zijn als witte duiven, uw haar is als ene kudde geiten die van Gileads bergen afdalen, uw tanden zijn als witte schaapjes, uw borsten zijn als torens!’ Nou, daar moet je nú eens mee aankomen. Als je je vandaag de dag met schoonheid bezighoudt, wordt je oppervlakkig gevonden. Ik vind die bezwaren tegen de cosmetische chirurgie ook zo calvinistisch! Je blijft toch ook niet met rotte tanden rondlopen? Waarom zou je jezelf niet mogen verfraaien? Waar staat dat? Het enige wat God wil is dat wij Hem dienen en gelukkig zijn.”

VII Gij zult niet stelen

,,Mijn vader was voorzitter van Fortuna ’54 – dat heet nu Fortuna Sittardia geloof ik – en iedere zondag ging ik met hem mee naar het stadion. Het voetballen interesseerde me geen fluit, maar de aandacht die ik daar kreeg, vond ik heerlijk: ’Daar kump Huubke met z’n kindje!’ Ik had nog een reden om mee te gaan: op de heuveltjes rond het veld bloeiden narcissen die ik, met bossen tegelijk, stal en onder mijn jurkje verstopte. Ook de tuinen van de buren moesten het ontgelden; hier stal ik een roos, daar knapte ik een paar mooie tulpen af. Al die bloemen waren bedoeld voor Maria. Ik had een prachtig beeldje op mijn kamer waarvoor ik elke avond op de knieën ging. ‘Lieve Maria,’ bad ik dan, ‘hier heb ik weer een paar mooie bloemen voor je. Nu moet jij mij gelukkig maken.’”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

,,Ik háát vooroordelen. Ik ben vechtlustig, emotioneel en op alle terreinen een haast ziekelijke doorzetter. Ik laat niet los. Mijn man zegt dat ik moet leren te relativeren, maar ik kan het gewoon niet verdragen als mensen zo ongenuanceerd, zo ongefundeerd, hun mening over van alles en nog wat verkondigen. Het gaat echt niet alleen om mij hoor, ik heb het ook over de vooroordelen die mensen hebben ten aanzien van Marokkanen of homo’s. Etiketje erop en klaar. Zo ben ik ’de wandelende Barbiepop’ of ’de vrouw die zich heeft laten verbouwen’ en daar is dan kennelijk alles mee gezegd. Dat pik ik niet. Dat kán ik niet over mijn kant laten gaan. Ik ben trots op mezelf en dat laat ik zien ook.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

,,Harry is mijn eerste vriendje. We zijn al 35 jaar getrouwd. Voor een huwelijk moet je vechten; je moet naar elkaar toe zien te groeien. Ik heb een man die al vroeg in balans was. Rustig, vriendelijk en intelligent. Het is vooral zijn kwaliteit dat ons huwelijk nog bestaat want ik was, vooral in het begin, te veel met mijzelf bezig. Ambitieus, ijdel, heel gedreven, noem maar op. Harry en ik hebben het heel goed samen, ook op het seksuele vlak – al moet ik daar meteen bij zeggen dat seks niet het belangrijkst is; ik zou geen enkele moeite hebben met het celibaat. Ik houd wel erg van flirten, van teasen. Ik vind mannen interessant, ik vind ze grappig. Mannen zijn‿ hoe zal ik dat zeggen? Niet dom in de breedste zin van het woord, maar ze zijn wel wat dommer dan vrouwen. Ik weet precies hoe ik ze moet bespelen. Ik zie er leuk uit – ja, nu misschien niet in mijn truitje en mijn dingetje, maar als de fotograaf straks komt, jáá‿ - ik ben amusant en ik geef de mannen met wie ik zakelijk dineer stuk voor stuk een fantastisch gevoel. Als ze tijdens het eten te opdringerig worden zeg ik, midden in het gesprek: ’Weet u dat ik heel goed een duif na kan doen?’ Eerst lachen ze nog beleefd. Ik zeg dan: ‘Een gewone duif doet zo: roekoekoe!’ Meestal beginnen ze op zo’n moment een beetje zenuwachtig rond te kijken en beleefd te knikken naar de gasten die mij aanstaren. Vervolgens zeg ik: ’En zo klinkt een postduif: roekoekoekoeeeeeee!’ Dan vóel je ze haast denken: die vrouw is helemaal van de matteklap. ’En dan nu,’ ga ik door, ’een duif in de paartijd! Die doet: roekoe roekoekoe!’ Nou, je zou ze moeten zien! Met stomheid zijn geslagen! Er gaat iets ongelooflijk mis, het leek toch zo’n leuke vrouw‿ Het eindigt er meestal mee dat ze, driftig met een opgerolde servet op de tafelrand tikkend, ineens heel zakelijk gaan doen – ’Goed, mevrouw Helwegen, wat die presentatie voor ons bedrijf betreft‿’ – en om de rekening vragen. Gemeen? Eh‿ ja, dat realiseer ik mij nu ook ineens. Ach, het is maar een spel, meer niet. Mannen zijn muizen en ik ben de poes die af en toe een tikje uitdeelt.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

,,Nu ik alles heb, ben ik ook bereid alles af te staan. Begrijp je dat? Ik heb in materieel opzicht veel begeerd. Als ik, bij wijze van spreken, in een oude Toyota rond zou rijden of in een kotje moest wonen, had ik het niet echt gemaakt, niet zoals mijn moeder het voor ogen had. Ik heb eerst die put moeten vullen. Zo is het goed. Of in ieder geval: beter. Ik heb natuurlijk mijn fouten. Ik doe niet voor niets iedere dag, tijdens mijn dagelijkse wandeling door het bos, nog een oefening van berouw: ’Barmhartige God, ik heb spijt over mijn zonden, omdat ik Uw straffen heb verdiend, maar vooral, omdat ik U, mijn grootste weldoener en het hoogste goed heb beledigd. Ik verfoei al mijn zonden en beloof, met de hulp van Uw genade, mijn leven te beteren en niet meer te zondigen. Heer, wees mij zondaar genadig.’ Ja, natuurlijk ben ik een zondaar. Ik leef toch niet zoals Christus? Hoe graag ik het ook zou willen: mijn liefde naar mensen toe is niet altijd onvoorwaardelijk. Ik geloof wel dat ik iets minder wantrouwend ben geworden, maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik mij nog altijd beter op mijn gemak voel bij de dieren. Als eenzaam kind droomde ik ervan om later net als de heilige Franciscus van Assisi te worden. Mijn moeder heeft wel eens verteld dat er, als ze ’s zomers mijn box buiten zette, altijd dieren op mij afkwamen. Vogels, poezen, zelfs een eekhoorntje kwam kijken. Ik heb een zielscontact met dieren. Een koe komt helemaal van achter uit het weiland naar mij toe gelopen, de meest valse papagaai komt vrolijk op mijn hand zitten. Een dier kijkt niet naar de buitenkant. Een dier heeft geen vooroordeel. Een dier voelt gewoon: dit is goed.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden