Marie was ijverig, Pierre briljant

In de rijke herinneringscultuur van de wetenschap zijn vrouwen nog steeds onzichtbaar. En anders is het juist de nadruk op hun sekse die het zicht op hun werk belemmert. Volgens Mineke Bosch spelen deze verwrongen biografische overleveringen een sleutelrol als het gaat om de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap.

Mineke Bosch

De vraag waarom het zo langzaam gaat met de doorstroom van vrouwen naar topposities in de wetenschap valt op basis van historisch onderzoek inmiddels heel goed te beantwoorden. Interessant blijft waarom deze kennis niet in brede kringen van wetenschappers doordringt. Waarom wordt de wetenschap maar niet wijzer, terwijl die toch geacht wordt rationeel te zijn en de waarheid hoog in het vaandel te dragen?

Het antwoord wil ik zoeken in de last van de overlevering. Daarmee bedoel ik alle vormen waarin wetenschappers elkaar herdenken en portretteren. De term ’overlevering’ past in de context van het hedendaagse debat over het belang van memory: door collectief te herdenken, jubilea te vieren, monumenten op te richten wordt een gemeenschap gecreëerd. Iedere groep heeft behoefte aan reflectie op gemeenschappelijkheid en eigenheid, oftewel: de groepsidentiteit. Het creëren van een gemeenschappelijk verleden is daarbij sinds de Verlichting een standaardprocedure. Vandaar ook dat nieuwe naties, maar ook emanciperende groepen enthousiaste voortbrengers zijn van historische verhalen.

Mijn Maastrichtse collega-historicus Jos Perry heeft in een gedenkwaardig boekje, verschenen ter gelegenheid van het tweede lustrum van onze faculteit, een heldere en ontnuchterende beschouwing gewijd aan dit debat, en vervolgens de rijkdom laten zien van diverse vormen en functies van het hedendaagse herdenken. Interessant is dat hij daarin de wetenschap of het wetenschappelijke bedrijf wel een paar keer noemt als voorbeeld voor andere bedrijfstakken om zich aan het herdenken over te geven, maar dat hij zich niet afvraagt waarom de wetenschap zo hartstochtelijk herdenkt. Is het een erfenis van de klerikale traditie? Heeft het herdenken met de daarmee gepaard gaande rituelen te maken met het creëren van een academische gemeenschap en de bevestiging van macht?

De wetenschap kent een rijke herinneringscultuur met jaarlijkse diesvieringen, met lustra, jubilea van instituten en ontdekkingen, personen en boeken. De vroegste gebouwen van de academie worden vaak gekoesterd en tot centrum gemaakt van officiële plechtigheden. De oudste universiteiten pronken met adembenemende portrettengalerijen van voorgangers. Vaak gaan de feesten en jubilea gepaard met het uitbrengen van soms ontilbare geschriften, die meestal historisch zijn, een heel enkele keer ook niet, zoals het fraaie lustrumboek-met-een-knipoog dat de fotograaf Margriet Smulders maakte bij gelegenheid van het vijfenzeventigjarig bestaan van de Radboud Universiteit te Nijmegen.

Een belangrijk genre binnen die herinneringscultuur in de wetenschap zijn biografische teksten, zoals wetenschappelijke monografieën, In Memoriams, lofredes, feestredes voor de jubilaris, populaire biografieën, autobiografieën en interviews in allerlei soorten en maten. Dat is op zichzelf al paradoxaal, gegeven de dominante opvatting waarin de wetenschapper het onpersoonlijke doorgeefluik zou zijn voor kennis. Waarom dan die onophoudelijke aandacht voor de individuele wetenschapper?

Daar komt nog bij dat het dit genre vrijwel geheel ontbreekt aan een kritische beschouwing vanuit de professionele wetenschapsgeschiedenis en de wetenschapsfilosofie. Wat is de culturele impact van die lawine aan biografische teksten in de wetenschap en over wetenschappers? Hoeveel wetenschappers hebben zich daardoor laten rekruteren of juist laten afschrikken? Wat is de received wisdom die door de wetenschappelijke biografie wordt doorgegeven, en hoe belangrijk is die voor het dagelijkse reilen en zeilen van het wetenschappelijke bedrijf?

Voor vrouwelijke wetenschappers zijn deze vragen uiterst relevant. Want biografieën vormen op zichzelf al een problematisch genre voor vrouwen. Dat komt door de nadruk op ’historische grootheid’ en ’historisch belang’ die verbonden zijn met publieke handelingen en functies in de openbare sfeer. De meeste vrouwen bereiken niet die mate van zichtbaarheid, en als zij dat wel doen, dan is hun vrouwelijkheid steevast een zo overweldigend gegeven dat vrijwel alle teksten over vrouwen erdoor gestempeld worden. Voor biografieën van wetenschappers geldt dat om bovengenoemde redenen misschien nog wel des te meer, zodat hier de last begint van de overlevering.

Maaike Meijer heeft in haar inspirerende boek ’In tekst gevat’ het begrip ’cultuurtekst’ geïntroduceerd. Zij doelt daarmee op „het conglomeraat van geaccepteerde, steeds weer terugkerende motieven en wijzen van representatie rond een bepaald thema [*], dat zich steeds weer organiseert in nieuwe culturele teksten, ongeacht of deze literair, journalistiek, wetenschappelijk of van andere herkomst zijn”.

Het lijkt mij dat we de biografische overlevering in de wetenschap als zo’n cultuurtekst kunnen zien, die vaak draait om vormen van mannelijkheid. Die beelden van wetenschap en de wetenschapper zijn zo hecht verankerd in ons cultureel systeem dat de bonte veelkleurigheid van de werkelijkheid in biografische herinneringsteksten steeds wordt teruggebracht tot een beperkt aantal stereotiepe verschijningen van de ’mannen van wetenschap’. Dat verklaart waarom vrouwelijke wetenschappers, ondanks het feit dat zij al lang en op beduidende wijze wetenschappelijk werkzaam zijn, in de wetenschappelijke overlevering haast niet eens in beeld komen. En als zij in beeld komen, is hun sekse voortdurend in het geding.

Een voorbeeld van de manier waarop de overlevering de historische werkelijkheid verdringt (’overschrijft’), is de herinneringsarbeid rond Marie Curie. Iedereen kent Marie Curie en je zou denken dat haar wetenschappelijke reputatie onkreukbaar is. Zij ontving twee Nobelprijzen, waarvan één lang nadat haar echtgenoot Pierre gestorven was. Als hoogleraar en directrice van het laboratorium dat aan Pierres leerstoel verbonden was zette zij in haar eentje nog decennialang het werk voort waaraan zij samen met haar man begonnen was.

Dat zij trouwens erkenning kreeg voor haar werk is het resultaat van een consequent volgehouden publicatiestrategie, én van Pierres onderhandse mededeling aan een lid van het Nobelprijscomité dat hij niet bereid was de Nobelprijs te aanvaarden als die niet ook aan zijn vrouw zou worden toegekend.

Maar de herinnering aan Marie Curie in de populaire en wetenschappelijke literatuur is niet onproblematisch. In de eerste plaats is ondanks haar beroemdheid en de overweldigende hoeveelheid publicaties over haar persoon nog weinig echt goed onderzoek gedaan naar haar werk. In veel populaire boeken, maar ook in wetenschappelijke biografieën, verschijnt zij bovendien steeds als de ’werkezel’ of de hardzwoegende scheikundige die het handwerk deed naast Pierre, de natuurkundige, die het hoofdwerk verrichtte. Marie was degene die volgens de populaire overlevering hardnekkig volhield, ’ijverig als een mier’, terwijl Pierre de briljante ideeën had.

De originele foto’s die van hen beiden in hun laboratorium bestaan, zouden deze zienswijze kunnen bevestigen, al zou je net zo goed kunnen zeggen dat hij wat passief (hand in de zak) toekijkt, terwijl zij de werksituatie actief beheerst en domineert. In de tekeningen, dat wil zeggen: de overlevering die verder afstaat van de (natuurlijk ook altijd gemanipuleerde) historische werkelijkheid op de foto, is de dubbelzinnigheid al veel minder aanwezig.

Er is een tekening van Marie en Pierre in het lab, waarop Pierre een witte jas draagt, die hem herkenbaar maakt als de expert van hen beiden. Op een ander is hij de actief leidende persoon en kijkt Marie over zijn schouder mee naar wat zijn ontdekking lijkt te verbeelden. Deze verschillen in waardering en toeschrijvingen van wie welke rol vervulde, speelden dus niet zozeer tijdens haar leven met Pierre een rol, als wel in de herinneringsarbeid die pas na haar dood volop op gang kwam.

Een tweede voorbeeld is Rosalind Franklin, of eigenlijk niet zozeer zijzelf, als wel de wijze waarop zij werd vereeuwigd in de grote bestseller over een van de belangrijkste ontdekkingen van de vorige eeuw: James Watsons ’The double helix’ uit 1968. Ik heb dat boek waarschijnlijk voor het eerst gelezen tijdens mijn kortstondige studie scheikunde, of vlak daarna, toen ik net was omgezwaaid naar geschiedenis.

De aantrekkingskracht van deze tekst ligt nog altijd in de verbluffende eerlijkheid waarmee Watson het dagelijks leven in een gerenommeerd lab zou hebben beschreven. Maar nu vind ik ’The double helix’ vooral verbluffend omdat de tekst laat zien hoezeer ’vrouwelijkheid’ een rol speelde in de waarneming van de wetenschapper Rosalind Franklin door Watson en zijn collega’s.

Om te beginnen wordt zij in de hele tekst slechts één keer bij haar werkelijke naam genoemd. Dat is in de zin: „Moreover, it was increasingly difficult to take Maurice’s mind off his assistant, Rosalind Franklin”, waarmee zij wordt geïntroduceerd in het verhaal. Met Maurice wordt Maurice Wilkins bedoeld, die net als Franklin aan DNA werkte in hetzelfde laboratorium. Watson haast zich te verklaren dat er geen verliefdheid in het spel was, maar ’Rosy’ weigerde zich te gedragen als de ondergeschikte assistente van Maurice Wilkins die zij volgens Watson wel degelijk was. In de rest van het verhaal wordt zij consequent aangeduid als ’Rosy’, „as we called her from a distance”, zoals hij schrijft. ’Achter haar rug’, bedoelt hij eigenlijk. Niemand die haar van nabij kende noemde haar zo.

Door het boek heen komt zij humeurig, kort aangebonden, rigide en onpersoonlijk over. Een van de observaties van Watson luidt: „Er was geen spoortje van warmte of frivoliteit in haar woorden. En toch kon ik haar niet als helemaal oninteressant beschouwen. Zelfs vroeg ik mij op een gegeven moment af hoe ze eruit zou zien als ze haar bril zou afzetten en iets nieuws deed met haar haar.” De zinsnede waarmee hij zich ten slotte onsterfelijk maakte onder feministische critici was: ’The real problem then, was Rosy. The thought could not be avoided that the best home for a feminist was in another lab.”

Ik citeer hier niet zo uitgebreid enkel en alleen om te shockeren, al is de tekst behalve ontluisterend ook nog eens misleidend. Franklin was helemaal niet Wilkins’ assistent, maar zij beheerste een techniek waarvan zij, en heel langzaamaan ook Watson en Crick, begrepen dat die de doorslag zou geven bij de bepaling van de structuur van DNA. En volgens Anne Sayre hád zij helemaal geen bril.

Waar ik nu de nadruk op wil leggen, is dat dit weliswaar vijftig jaar geleden is gebeurd, maar dat de tekst en het daarin vervatte plot van heroïsche jonge mannen of ’boys’ en een hardwerkende, onaantrekkelijke blauwkous nog steeds zijn werk doet. Het boek circuleert en inspireert nog dagelijks een publiek dat misschien wetenschappelijk is gevormd, maar dat vaak niet getraind is in het herkennen van stereotypen, autobiografische heldenplots of standaardrepertoires voor de vestiging van wetenschappelijke autoriteit. Watson heeft duidelijk geput uit een beschikbaar repertoire van beelden en verhalen over vrouwelijke wetenschappers. Daarin komen heel veel ’juffrouwen’ voor en onelegant geklede vrouwen met brillen. Maar hij heeft ook geput uit heldenverhalen over ongebonden, arrogante, enigszins excentrieke, maar ook weer niet al te afwijkende ’mannen der wetenschap’.

Rosalind Franklin heeft inmiddels vele bewijzen van erkenning gekregen. Niettemin is de cultuurtekst over vrouwelijke wetenschappers in de academische herinneringscultuur zo sterk dat Franklin nog steeds niet per definitie voorkomt in historische studies over of jubileumvieringen van de ontdekking van de dubbele helix. Bovendien doen zelfs in het geval van de al gerehabiliteerde Franklin aloude stereotypen steeds opnieuw hun marginaliserende werk.

Zo werd er in 1989 een film over Franklin gemaakt waarin zij volgens haar latere biograaf Brenda Maddox verschijnt als een onwereldse en zelfs mismoedige vrouw. Een ’werkezel’, net als Marie Curie, die urenlang over haar berekeningen gebogen zat zonder dat er een klacht over haar lippen kwam. Het strookt met de gedachte dat zij weliswaar al heel ver was in de ontraadseling van het probleem van de dubbele helix, maar dat het belang van haar ontdekkingen haar vooralsnog ontging. IJver verloor het, met andere woorden, van echte scherpzinnigheid. Het is een heel ander beeld dan mensen uit haar omgeving zich herinneren, namelijk dat van een bevlogen wetenschapper, die inderdaad urenlang, maar wel met passie en vol enthousiasme doelgericht aan het rekenen kon zijn.

Tegen deze onophoudelijke stroom biografische beelden van vrouwelijke wetenschappers is vooralsnog bijna niet op te roeien, al zijn er veel voorbeelden van vrouwelijke wetenschappers die de herinnering aan hun collega’s en voorgangers hebben opgetekend. Die dringen helaas vooralsnog vrijwel niet door tot de mainstream.

Herinneringscultuur en biografische overlevering spelen in mijn ogen een sleutelrol in de kwestie van de ’ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap’. Juist omdat de wetenschap zich geen rekenschap geeft van haar onophoudelijke productie van biografische herinnering of de constante staat van herdenking waarin zij verkeert, is er een voortdurende stroom van betekenissen die vrouwelijke wetenschappers tot een wandelende contradictie maakt.

Ik ben ervan overtuigd dat wie echt werk wil maken van het aanboren van vrouwelijk talent op z’n minst aandacht moet besteden aan verkalkte beelden waarin wetenschap als een typisch mannelijke aangelegenheid naar voren komt, waarin mannen onveranderlijk een hoofdrol vervullen terwijl vrouwen alleen bij uitzondering of in een bijrol op het toneel verschijnen, waarbij dan ook vooral aan hun sekse wordt gerefereerd, in positieve of negatieve zin. Die beelden belemmeren het zicht op een werkelijkheid waarin allang heel veel aan het veranderen is.

Beelden uit het verleden doen er toe, ook of eigenlijk juist in het heden. De ’memory wave’ heeft ons de actieve bemoeienis van vrouwen laten zien met het straatnamenbeleid in gemeenten of met het aanbrengen van plaquettes, zoals dat van de eerste vrouw in de Maastrichtse gemeenteraad Anna Wijnandts-Louis, heel binnenkort in het nieuwe raadhuis. Monumenten kunnen inderdaad een goede manier zijn om correcties aan te brengen op ons beeld van het verleden, en tevens de mensen te eren die daarin een rol speelden.

Ik pleit niet voor een tastbaar monument voor de miskende vrouwelijke geleerde, maar wel voor een kritische en systematische reflectie op de herinneringscultuur in de wetenschap. Dat scherpt het besef dat het niet zozeer mannen zijn die geschiedenis maken, maar dat juist de geschiedenis mannen maakt.

Prof. dr. Mineke Bosch is historica en bijzonder hoogleraar Gender en wetenschap aan de Universiteit Maastricht. Dit is een bewerkt fragment van de rede die zij donderdag uitsprak bij de aanvaarding van haar ambt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden