Maria van Hongarije en de glorie van een dynastie

'Maria van Hongarije, koningin tussen keizers en kunstenaars', t/m 28 nov. in het Noordbrabants Museum in Den Bosch en Museum Het Catharijneconvent in Utrecht, di-vr 10-17 uur, za en zo 11-17 uur. Cat. : uitg. Waanders, F 49,50 en (geb. ) F 79,50.

Knap noch mooi was Maria van Hongarije. Ze blikt op vrijwel al die portretten doorgaans wat sipjes, de bolle dopogen kijken zelden de beschouwer aan, alsof ze zich wil afzonderen van aardse contacten. Ze heeft het trekje dat meer Habsburgers hebben, onder wie haar broer Karel V: de breed beginnende kin die flink geprononceerd vooruitsteekt. De melancholieke blik is zelfs terug te vinden op de schilderijen die zijn ontstaan voor haar weduweschap; als jonge meid moet ze het leven al zwaar hebben genomen, zo laten de schilders steevast weten.

Ernstig was ze zeker, wat ook terug te vinden is in veel van haar handelen. Anders dan haar regerende tijdgenoten die een stevige veldslag niet uit de weg wilden gaan, koos zij, in haar rol van landvoogdes in de Nederlanden meestal voor diplomatieke onderhandelingen.

Onder de regering van Maria van Hongarije, daartoe aangesteld door haar broer Karel, beleefden de Nederlanden tussen 1531 en haar abdicatie in 1555 (tegelijkertijd met haar broer, met wie ze bovendien in hetzelfde jaar stierf, in 1558) een tijd van grote economische en kunstzinnige opbloei. Brussel, waarnaartoe Maria het hof vanuit Mechelen overbracht, werd een cultureel centrum van formaat. De landvoogdes omringde zich met een aanzienlijke groep van hofschilders die haar portretteerden, die ontwerpen voor wandtapijten en zilverwerk maakten en die ze op pad kon sturen om her en der in Europa de omvangrijke familie van de Habsburgers te vereeuwigen.

Ze had in haar paleis op de Coudenberg (wat kijkers naar de uitvaart van de onlangs overleden koning Boudewijn - overigens geen nazaat van Maria - in een glimp hebben gezien) een galerij van portretten van de dynastie die heel Europa, van Gibraltar tot Hamburg, bestierde.

IJdelheid was haar vreemd als ze zichzelf liet afbeelden, het ging haar er om de Habsburgse familie de roem te geven die ze toekwam, om de rijkdom van de dynastie te benadrukken.

Dat voor haar een belangrijke rol was weggelegd op het podium van de Europese politiek, was door haar geboorte eigenlijk al lang tevoren bepaald, maar aanvankelijk zag het daar niet naar uit. Als vijfde kind uit het huwelijk van Philips de Schone en Johanna de 'Waanzinnige' moest ze haar broers Karel en Ferdinand voor laten gaan in het vorstelijk leiderschap.

Al op zeer jonge leeftijd beroofd van een huiselijk gezinsleven (haar vader stierf toen ze een jaar oud was, haar moeder, ziek van verdriet om het overlijden, werd opgesloten in een klooster) kreeg Maria haar opvoeding in Mechelen. Zeventien jaar was ze toen ze werd gekoppeld aan Lodewijk II, een jaartje jonger dan zijn echtgenote. Met dit verstandshuwelijk werd een voor de Habsburgse dynastie uiterst voordelige zaak doorgedreven: Oostenrijk en Hongarije werden in een monarchie verenigd - een situatie die tot in deze eeuw heeft bestaan.

Ze volgde haar man die als vorst in Boeda hof hield. Daar bleek van meet af aan haar grote belangstelling voor kunst en cultuur. Omringd door filosofen (onder wie Erasmus van Rotterdam voor wiens werk ze grote belangstelling had, hij op zijn beurt droeg een boek aan haar op), door musici, beeldend kunstenaars en kunstenmakers voerde ze een Bourgondische levensstijl, die het armlastige hof maar ternauwernood kon fourneren.

Er zijn uit die tijd nog opmerkelijke voorwerpen bewaard gebleven. Zo is op de dubbelexpositie in het Noordbrabants Museum Den Bosch en Het Catharijneconvent Utrecht over haar leven en mecenaat nog haar trouwjurk en bruidskist te zien, afkomstig uit het Hongaars Nationaal Museum in Boedapest. Het zijn niet de enige, hoogst waardevolle stukken uit Maria's bezit: de tentoonstellingen zijn er rijk mee opgetuigd. Beide musea zijn sprookjesachtig ingericht, waar de bezoeker zijn eigen verhaal kan maken, lopend van schat naar schat.

Er kwam aan dit alles een abrupt einde toen Lodewijk in 1526 ten strijde moest trekken tegen de binnenvallende troepen onder aanvoering van de Turkse sultan Suleyman II. Lodewijk II, pas twintig jaar oud en al helemaal grijs, ging de slag bij Mohacs, in het zuiden van zijn land, met zijn troepen, 25 000 man sterk. Hij moest het, voorspelbaar, afleggen tegen het Turkse leger dat vier keer groter was. Op de vlucht voor Suleyman struikelde het paard van Lodewijk in een modderpoel, waarop de vorst onder het dier geraakte en werd doodgedrukt. Van toen af stond het Midden-Europese land onder islamitische heerschappij. Maria, die wegvluchtte voor de Turkse bezetting, bleef zich na de dood van haar gemaal koningin van Hongarije noemen, ook toen ze vijf jaar later (1531) door Karel V werd gevraagd om haar tante Margaretha van Savooie op te volgen als landvoogdes van de Nederlanden. Maria had haar taak niet van harte aangenomen. Een van haar voorwaarden was dat ze het tijdelijk zou doen, waar het evenwel niet van zou komen. Ook maakte ze kenbaar dat ze nimmer zou hertrouwen. Zewerd in Brussel als regentes genstalleerd, tegen het decor van het voormalige hof van de hertogen van Brabant. Van Brussel maakte ze voortaan de hoofdstad van de Nederlanden.

Politiek gezien hanteerde ze de wil van de keizer als richtsnoer, maar in bedekte termen bleef ze eigen sympathieen koesteren. Was Karel V bij voorbeeld streng katholiek, van Maria is bekend dat ze, zij het in het geheim, sympathie voor de Lutherse hervormingsbeweging koesterde. In het publiek liet ze zich daar niet over uit, liet zien dat ze anti-katholieke opvattingen vaak op grimmige wijze wilde bestrijden, maar anderzijds onderhield ze met Luther zelf vrij trouwe contacten. Direct na de dood van Lodewijk II had Maria van Luther vier door hem geschreven psalmen gekregen, waarbij hij aantekende 'dat Gods bezoeking niet uit toorn of ongenade was voortgekomen, maar was geschied om Maria te beproeven en te tuchtigen, opdat ze haar vertrouwen alleen in de hemelse Vader zou stellen, zich zou troosten met de ware bruidegom, Christus, en met de engelen, onze ware vrienden, die er zijn omwille van ons en voor ons zorgen.' Maria op haar beurt liet bij de aanvaarding van de psalmen weten: 'Ich sehe das mich D. M(artin) L(uther) lib hatt'.

Dit antwoord is op de expositie (in Utrecht, waar de politieke en historische rol van Maria wordt getoond) niet te zien, maar wel de handgeschreven tekst van de vijf vragen die Maria aan Luther in 1530 schreef. Deze vragen kwamen er in de kern op neer dat Maria aan Luther vroeg of het haar was toegestaan in haar prive-leven de nieuwe leer te volgen en tegelijkertijd in haar openbare leven katholiek te blijven. Luther antwoordde haar dat ze moest kiezen en dacht in haar een voorvechter van de Reformatie te vinden.

Maria evenwel bleef de Habsburgse politiek trouw, waarop Luther zich hevig teleurgesteld van haar afwendde. Over haar latere religieuze opvattingen is helaas weinig bekend, ze heeft daar in geschrifte althans nooit mededeling over gedaan. Feit is dat ze de lutherse leer op zijn minst met sympathie bleef volgen, wat onder meer mag blijken uit het bevoordelen van lutheranen op belangrijke posten en het helpen van met arrestatie bedreigde ketters.

Wie het religieuze aspect van Maria's leven nader verbeeld wil zien, wacht in Utrecht een interessante en heel mooie collectie teksten, brieven, verluchte boeken en enkele portretten, waaronder schilderijen van Luther en Erasmus, respectievelijk gemaakt door een schilder uit het atelier van Lucas Cranach de Oudere en een kopiist van Quinten Matsijs. De voorstelling van Erasmus, eigen bezit van Het Catharijneconvent, kan als een geleerdenportret worden beschouwd, maar plaatst de theoloog en humanist evenwel in een volstrekt kaal kader, zonder enige verwijzing naar zijn werk in de vorm van boeken, zoals op andere schilderijen van Erasmus vaak wel het geval is.

In Brussel voerde Maria hof in grote staat. Dagelijks werkten er meer dan honderdvijftig mensen voor haar, van aalmoezeniers, priesters en zangers in wat de 'kapel' heette tot lakeien aan haar tafel en boogschutters voor haar bescherming. Geen personeel, maar wel voor haar werkend, waren de talloze kunstenaars die ze uitkoos op grond van naam en kunde. Om haar huis van wandtapijten te voorzien (deels om de kilheid te verjagen, deels om er indruk mee te maken) vroeg ze haar hofschilders ontwerpen te maken, die wonder boven wonder tot op vandaag bewaard zijn gebleven. Anders dan wat van haar verwacht kon worden, bedacht ze geen heroche gebeurtenissen, die er in haar familie plaatshadden, maar koos ze voor allegorische, mythologische en religieuze scenes. Vroege renaissancisten als Bernard van Orley, Pieter van Coecke van Aelst en Michiel Coxcie werkten voor Maria.

Hun grote voorbeeld was de renaissancist Titiaan, voor de Habsburgers geen onbekende, want de Italiaan werkte sinds de jaren dertig van de zestiende eeuw al voor Karel V, voordat hij in 1548 naar Brussel werd gevraagd. Titiaan, die met zijn schilderkunst (net als met de beeldhouwkunst zijn landgenoot Leone Leoni) directe invloed op de schilders van de Nederlanden heeft gehad, maakte voor Maria een kwartet enorme voorstellingen (253 x 217 cm) die de vier 'Verdoemden' voorstellen, te weten Tantalus, Sisyfus, Ixion en Tityus. Van die vier doeken, bestemd voor Maria's paleis in het Zuid-Belgische Binche, zijn twee doeken bewaard gebleven, een er van kan het Noordbrabants Museum tonen.

Het is een huzarenstukje geweest om dit doek, met een voorstelling van Tityus die door een gier de lever wordt uitgepikt, van het Prado in Madrid los te krijgen. Het Madrileense museum, trouwens toch al genereus waar het bruiklenen voor deze expositie betreft, leent nooit werk uit, beantwoordt verzoeken daartoe niet eens. Tussenkomst van oud-directeur van het Rijksmuseum Simon Levie vermocht dit wonder voor elkaar te krijgen: een zeldzame keer dat hier een 'Spaanse' Titiaan is te zien. Van, beter gezegd naar Titiaan zijn verder de portretten van Karel V in harnas dat werd afgestaan door Huis Bergh in 's-Heerenbergh (tamelijk onbekend, maar van een prachtige kwaliteit) en het uit het bezit van het Prado afkomstige portret van Karels broer Ferdinand I, eveneens in harnas. Diverse objecten die op dergelijke schilderijen voorkomen, zijn dan weer in het Utrechtse Catharijneconvent te zien (zoals het bevallig geplooide harnas van Karel V dat een modieuze induk achterlaat), zodat de twee tentoonstellingen elkaar mooi aanvullen en ook beide gezien moeten worden.

Het is die combinatie die er toe leidt dat Maria van Hongarije als een vrouw van vlees en bloed voor ons staat. Haar denken, haar handelen, haar smaak, het komt allemaal uitvoerig in beeld. En hoewel er veel valt te lezen, in het bijzonder in Utrecht, waar de historische informatie (in vaak wonderschoon verluchte teksten) de bovenhand krijgt, wordt toch nergens onrecht gedaan aan het feit dat de museumbezoeker in de eerste plaats wil kijken, zich met het beeld de ogen wil behagen. Het brengt een vorstin naderbij uit een tijd die in feite nauwelijks bekend is (overruled als ze wordt door de direct daarop volgende Gouden Eeuw), maar vol interessante wetenswaardigheden is. Juist vanwege deze onbekendheid met een cultuur die weliswaar van pracht en praal is doortrokken maar nog niet de barokke overdaad kent die haar opvolgt, is deze dubbelpresentatie er een van groot belang.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden