Marco Kroon

Marco Kroon ('s Hertogenbosch, 1970) is kapitein bij de landmacht, drager van de Militaire Willems-Orde. Hij kreeg die onderscheiding in 2009 voor moedig optreden bij vuurgevechten in Afghanistan. In 2010 stond Kroon terecht op beschuldiging van wapen- en drugshandel, in 2011 werd hij vrijgesproken. Dit jaar verscheen zijn boek 'Leiderschap onder vuur'. 'Ik lijk een woesteling, maar ik heb een heel klein hartje.'

I Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten
"Ik geloof wel in iets, maar ik weet niet wat het is en dat wou ik graag zo laten."

II Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken
"Op zich kan ik mij goed beheersen - anders zou ik in gevechtssituaties geen leiding kunnen geven - maar ik heb wel een kort lontje. Tegelijkertijd heb ik een zachte, lieve kant die ik ook kan inzetten om mijn doel te bereiken. Ik lijk misschien een woesteling, maar ik heb een heel klein hartje."

III Gij zult de dag des heren heiligen
"Voor een militair bestaat de zondag in feite niet. Wij hebben gevechtspauzes. Als de munitie op is en er een herbevoorrading moet plaatsvinden, bijvoorbeeld - maar ook dan moet je scherp blijven. Oorlog voeren bestaat voor twee procent uit actie, de rest van de tijd moet je wachten. Als je ongeduldig bent, en niet over een innerlijke zelfdiscipline beschikt, is defensie niks voor jou. Er moet ergens een heilig vuur branden, je moet een hekel hebben aan verliezen, anders houd je het niet vol."

IV Eer uw vader en uw moeder
"Mijn ouders zijn mijn grootste fans. Ze hebben mij door dik en dun gesteund. Echt, al steek ik de wereld in brand: ze zullen altijd achter mij staan. Ik probeer hen bij zo veel mogelijk dingen te betrekken, als ik in Den Bosch ben ga ik altijd bij hen langs. Ik zal niet snel huilen van verdriet, maar de gedachte dat ik mijn ouders ooit zal moeten missen maakt me erg emotioneel. Mijn vader is nu 64, mijn moeder is 63, dus ik hóef er niet over na te denken, en ik wil het ook niet - zo erg vind ik het. Het ouderlijk huis is mijn basis; daar kan ik altijd terecht.

Mijn vader is, qua eigenwijsheid, vier keer zo erg als ik. Hij is ook iemand met een klein hartje, maar hij kan zich niet goed uiten. Als er ruzie was thuis, hield mijn vader zich heel lang afzijdig, tot het niet meer ging en de bom uiteindelijk barstte. Mijn moeder kon feller uit de hoek komen. Zeker als ik, na de zoveelste echtelijke ruzie, mijn huis weer eens was ontvlucht en bij hun op de stoep stond. Ze maakte zich zorgen, ze maakte zich kwaad, maar ze heeft altijd onvoorwaardelijk van mij gehouden. Mijn ouders leven voor hun kinderen, alles staat in het teken van mijn broer en mij. Nog steeds. Soms ben ik daar jaloers op... Ik houd ook ontzettend veel van mijn zoons en ik probeer er zo veel mogelijk voor hen te zijn, maar ik heb ook een eigen leven. Voor mij is dat huisje-boompje-beestje-bestaan niet weggelegd. Ik ben twee keer gescheiden en heb twee keer gezegd: hou alles maar. Ik begin wel weer opnieuw. Het maakt mij niet uit waar ik woon, of wat ik heb, ik kom er toch wel. In de ogen van de burgermaatschappij ziet het er misschien een beetje rommelig uit, maar ik ben als persoon juist heel stabiel. Ik weet precies wat ik wil: niet gekooid worden.

Ik weet niet waar het vandaan komt, dat verlangen naar onafhankelijkheid. Die dingen zitten er gewoon op een of andere manier ingebakken. Zo heb ik ook altijd, diep van binnen, geweten dat ik in het leger wilde. Ik speelde met tankjes en soldaatjes, bouwde hutten, verzon wachtwoorden zodat alleen vriendjes die erbij hoorden naar binnen mochten...

Misschien werd het vuurtje door mijn vader wel extra opgestookt. Hij had heel graag militair willen worden, maar werd afgekeurd. Ik weet nog hoe ontroerd hij was toen ik mijn eerste kistjes had opgehaald bij het Korps Mariniers, en tegen hem zei: 'Papa, deze zijn voor jou.'

En dan is er nog het verhaal van mijn Engelse opa, opa Charlie. Hij heeft mijn oma tijdens de bevrijding leren kennen. Ze kregen kinderen, hebben een tijdje in Engeland gewoond, maar toen mijn oma daar niet kon wennen zijn ze weer naar Nederland gekomen. Als opa Charlie gedronken had, vertelde hij over de oorlog - Afrika, Sicilië, Normandië; hij heeft overal gevochten - en moest dan meestal huilen. Het waren geen spannende jongensverhalen, maar die geschiedenis - over de band tussen die mannen, hoe ze met z'n allen de strijd aangaan, wat ze voor elkaar over hebben - vind ik nog steeds het mooist. Als ik naar 'Band of Brothers' (televisieserie over WO II uit 2001 - AV) kijk, krijg ik iedere keer weer tranen in mijn ogen. Zoiets heeft opa Charlie ook meegemaakt.

Hij stierf toen ik negentien was en ik voor de eerste keer in mijn militaire pak was thuisgekomen. Een paar dagen nadat ik de Willems-Orde had gekregen stond John, de oudste kleinzoon, bij mij op de stoep. Hij had opa's medailles al die tijd in huis gehad, maar hij vond dat ik ze nu moest overnemen. Ik heb de medailles van opa Charlie een mooi plekje gegeven. Ze zijn mij meer waard dan de onderscheidingen die ik zelf heb gekregen."

V Gij zult niet doden
"Het zou raar zijn als ik het hier, als militair, mee eens zou zijn. Als je ergens heengaat om ervoor te zorgen dat mensenrechten weer geeerbiedigd gaan worden, om rust en vrede te bewaren, en als je dan wordt tegengewerkt, bedreigd zelfs, dan zul je uit zelfverdediging de ander moeten uitschakelen. Nee, ik wil liever niet zeggen of ik mensen heb gedood. De jongens om mij heen weten precies wat er in die situaties is gebeurd, de rest kan zich er waarschijnlijk wel iets bij voorstellen... Laat ik het zo zeggen: iedere dode is er één te veel, maar als het dan toch niet anders kan, heb ik liever dat die slachtoffers bij de tegenpartij vallen. Ik lig niet wakker van de dingen die ik heb meegemaakt, maar ik denk er wel dagelijks aan. Het zijn gruwelijke beelden, maar uiteindelijk overheerst toch de gedachte dat het mij is gelukt om iedereen weer veilig thuis, bij vrouw en kinderen, terug te brengen. Dat verzacht de pijn van die herinneringen. En wat ook scheelt: oorlog is niet persoonlijk. Het is een zakelijk conflict dat je zo goed en zo snel mogelijk moet zien op te lossen. Als ik zou denken dat die vent aan de andere kant misschien óók thuis een paar kinderen heeft zitten, dan gaat het mis. Ik heb altijd respect voor mijn tegenstanders, maar van dat respect bleef niet veel over als ik die mannen hun vrouwen en kinderen zag gebruiken als menselijk schild. Op dat punt - als je gaat denken hoe ze zich gedragen, of wat ze ons in de strijd hebben aangedaan - moet je overigens wel goed op je tellen gaan passen. Ik herinner me nog goed dat we met ons Viper-peloton de Afghaanse Chora-vallei waren binnengetrokken om een freedom of movement voor de coalitiegenoten te creëren en dat we, na een paar nachten hevige strijd, het veld introkken om te zien of we ons doel hadden bereikt; ik wist dat we gewonde of gedode talibanstrijders zouden vinden en ik wist ook dat het adrenalinepeil niet bij al mijn mannen voldoende was gezakt. Die jongens liet ik achter, om normvervaging te voorkomen. Ik kan het me namelijk goed voorstellen dat je op die momenten door het lint kunt gaan. Die Amerikaanse soldaten die over hun dode vijanden heen pisten: ik keur het ten strengste af, maar ik snap het helemaal. Het is vooral hun leider die daar heeft gefaald. Een goede leider weet de woede en de haat van zijn mannen in goede banen te leiden.

Doden is een eigenschap die wij uit de oertijd hebben meegekregen en oorlog bestaat al zo lang er mensen zijn. Lees de geschiedenisboeken er maar op na."

VI Gij zult geen onkuisheid doen
"Tijdens de rechtszaak (Kroon stond in april 2011 terecht omdat hij werd verdacht van wapenhandel en cocaïnebezit. Voor het voorhanden hebben en het overdragen van stroomstootwapens werd hij veroordeeld tot het betalen van een geldboete en werd hem een voorwaardelijke taakstraf opgelegd - AV) moest ik uitleggen dat de sms'jes - meer dan een jaar oud! - tussen mijn vriendin en mij niet over cocaïne, maar over lachgas zouden hebben kunnen gaan. Dat was het 'lekkers' dat we gebruikten tijdens de seks. Toen kwamen ook de geisha-balletjes ter sprake. Wat je daarmee moet doen? Bij een vrouw inbrengen natuurlijk, zeg niet dat je dat niet wist. Seks is wereldwijd het product waar het meest in wordt gehandeld, tachtig procent van de bevolking is er dagelijks mee bezig, maar als je er rechtstreeks naar vraagt weet ineens niemand meer waar je het over hebt. Ik woon en werk in een mannenmaatschappij; voor mij is het absoluut niet moeilijk over seks te praten. Voor mijn vriendin was het gênant, dat begrijp ik wel, maar ik had ook geen zin om erover te liegen. We hadden een jaar de tijd gehad om daar een ander antwoord op te verzinnen, maar dat wilden wij per se niet. Ik heb niets te verbergen; de beschuldigingen waren vals. Die insinuaties moesten teniet worden gedaan.

Voor mij is het gebruik van speeltjes helemaal niet onkuis, sterker nog: ik heb nergens echt problemen mee zo lang je het maar met wederzijdse instemming doet. Een relatie wordt pas onkuis als je dingen achterhoudt voor elkaar; als je het vertrouwen van de ander beschaamt."

VII Gij zult niet stelen
"Nee, nog nooit... jawel, wacht: ik heb dertig jaar geleden samen met mijn broertje geprobeerd een pakje kauwgom bij de kassa te pikken, maar we werden betrapt. Ik schaam mij er nog voor! Ik was heel braaf. Mijn vader had gezegd: 'Als je een strafblad hebt, kom je er bij defensie nooit meer in.' Dat heb ik goed in mijn oren geknoopt. Tuurlijk, ik deed wel eens mee aan een knokpartijtje links of rechts, maar ik kwam nooit in de problemen, maakte netjes mijn huiswerk en gedroeg me voorbeeldig. Ik weet heel goed hoe ik mij moet gedragen als ik een doel voor ogen heb."

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen
"Het is een eenvoudig optelsommetje: ik had een kroeg, de kroeg stond slecht bekend, mensen die ik daar liever niet meer wilde zien, heb ik buiten de deur gehouden, die mensen werden pissig en daarna kreeg ik allerlei beschuldigingen naar mijn hoofd geslingerd.

Eerst dacht ik dat ik niet eens een advocaat nodig zou hebben, tot ik te horen kreeg wat de hoofdaanklacht was. Wapenhandel. Toen wist ik dat er meer achter zat; dat ze me erin probeerden te luizen. Ik heb in mijn optiek nooit een stroomstootwapen gehad, maar eerder een soort gadget dat toevallig binnen de categorie wapens bleek te vallen. Net zoals een honkbalknuppel - als je er geen handschoen bij hebt. Ik ga al vijfentwintig jaar met echte wapens om dus dit was voor mij een ding van niks. Een koeienprikker - die gewoon legaal verkrijgbaar is - heeft een hoger voltage. Ik kocht het ding voor mijn vriendin, omdat ze soms niet veilig voelde in de kroeg. Voor mijn broer had ik er ook een meegebracht. Dat was de 'handel' in de aanklacht.

Het ging natuurlijk helemaal niet over die 'wapens' - en de sporen van cocaïne, op werkkleding en borsthaar, waren nauwelijks waarneembaar - maar over de frustratie van mensen die ik de toegang tot mijn kroeg heb ontzegd. Er was geen mooier moment om mij zwart te maken: een 'oorlogsheld' die van zijn voetstuk valt. Voor sommige journalisten was het heel interessant om daar hun tanden in te zetten. Er is er één - ik zal geen namen noemen maar hij wilde zelfs, bij wijze van statement, tegen de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Uruzgan of zo, in de rechtszaal zijn Afghaanse hoedje niet afzetten - die nog eens met z'n voet tussen de deur van mijn kroeg heeft gestaan. Die vent wist echt van geen ophouden, het was bijna lachwekkend. Mijn broer wou hem met een paar vrienden naar buiten werken, maar ik zei: 'Dat is precies wat hij wil, hij zal niet eens terugslaan.'

Het is nu achter de rug, maar het was een pijnlijke toestand. Ik heb een tijdje willen weten wie er precies achter die valse getuigenissen zaten, maar ik laat het nu rusten. Ik heb er veel van geleerd. Toen ik net in de spotlights stond, wilde iedereen mijn vriend zijn, maar bij de eerste de beste beschuldiging werd ik door de meesten tot boven mijn enkels afgezaagd.

Inmiddels heb ik geleerd hoe ik met de status van ridder en de bijbehorende privileges moet omgaan, maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik wel eens heb gedacht dat ik die onderscheiding liever nooit had gehad. Dat ik zelf, door eenzijdige, verkeerde informatie, zo'n stempel heb gekregen is tot daar aan toe, daar kom ik echt wel overheen, maar voor de Willems-Orde, als instituut, is het schadelijk geweest. Ik heb steeds gezegd: als ik schuldig word bevonden aan dat drugsgedoe zal ik, zelfs als ik van mijn eigen onschuld overtuigd ben, de Willems-Orde weer inleveren. Dat is echt een erezaak. Zo'n onderscheiding krijg je niet zomaar. Als het niet zuiver blijft, is het niks meer waard."

IX Gij zult geen onkuisheid begeren
"Mijn eerste huwelijk duurde zes jaar. We kregen een zoon, Mitchel, die is nu zeventien. Met mijn tweede vrouw kreeg ik nog een zoon. Boyd is nu negen. Ons huwelijk duurde maar één jaar. Het ging steeds om dezelfde reden mis: ik was heel lang van huis en als ik thuis was dacht ik dat daar óók alles om mij draaide. Ik denk dat ik die twee vrouwen - met wie ik nu trouwens een heel goed contact heb - nooit voldoende heb kunnen uitleggen wat mijn werk voor mij betekent. Mijn werk is mijn leven. Ik denk dat Mirjam, mijn huidige vriendin, dat het best begrijpt. De rechtszaak heeft een zware wissel op onze relatie getrokken maar we zijn er samen sterker uitgekomen. Mirjam heeft mij altijd bijgestaan. Zij is de stille kracht, ze houdt de zaak thuis draaiende en zorgt ervoor dat ik de rust krijg die ik nodig heb om goed te kunnen functioneren. Zonder haar was ik nooit zo ver gekomen."

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort
"Ik zal niet zeggen dat ik jaloers was op mijn vriendjes, maar ik was wel een van de kleinsten en ik ben daardoor wel erg fel en bewijsdriftig geworden. Hoe heet zoiets, het little man syndrom. Wat mij vooral dwarszat was dat ik zo laat man werd. Op mijn zestiende speelde ik nog met tankjes, op mijn zeventiende kreeg ik eindelijk haar op mijn zak. Ik begreep wel wat de meisjes die toenadering zochten wilden, maar ik kon er gewoon helemaal niets mee. Dat tekort compenseerde ik door het vechtersbaasje uit te hangen, en door uit te blinken in sport. Ik was dan wel de kleinste, maar ik was ook de beste. Ja, je zou kunnen zeggen dat mijn gebrek aan lengte mij uiteindelijk op deze plek heeft gebracht.

Ik wilde niet per se zo hoog mogelijk komen. Toen ik voor het eerst een foto van de Willems-Orde zag, dacht ik nog dat je op z'n minst over water moest kunnen lopen om voor zo'n medaille in aanmerking te komen. Als we de groepsonderscheiding eerder hadden gekregen, was de Willems-Orde voor mij persoonlijk niet meer nodig geweest. Ik ben geen held; ik ben gewoon een van de jongens. Daar voel ik me ook het beste thuis: op de werkvloer. Ik moet nu leren coachen, me verder ontwikkelen. Het is niet makkelijk, maar het gaat mij lukken. Ook op een hoger niveau komt mijn ervaring van pas; ik weet als geen ander hoe het is om daar in het zand te liggen, om met je handen te moeten graven. Ik wéét wanneer welke beslissingen moeten worden genomen. Beter dan iemand die een blauwe maandag met zijn ballen in het veld heeft gelegen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden