Review

MARCEL PROUST EN DE WEDLOOP TEGEN DE TIJD Een 's zondags in lindebloesemthee gedompelde madeleine

Elegant rijst de toren van St. Jacques uit boven de lage, leistenen daken van het dorp, met hier en daar een toefje rood. Met dit beeld op het netvlies, en de zojuist vertaalde biografie van Ghislain de Diesbach in de hand, is het enthousiasme van Proust voor Illiers beter te begrijpen. Ghislain de Diesbach, 'Proust, biografie', vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 738 blz. - f 79,50. Jacques Kruithof, 'Gezicht op Proust', Inleiding op Marcel Proust en 'Op zoek naar de verloren tijd'. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 102 blz. - f 14,90. Marcel Proust, 'De gevangene II' deel 13 uit 'Op zoek naar de verloren tijd', vertaald door Therese Cornips. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam. 245 blz. - f 35,-.

Sinds 1971, toen de honderdste geboortedag van de Franse schrijver werd gevierd, heet Illiers officieel Illiers-Combray. Voor wie niet weet waar die toevoeging vandaan komt, krijgt bij de grens van het dorp een handreiking: Illiers, le Combray de Marcel Proust, staat er op grote borden naast elke invalsweg te lezen. Illiers houdt kennelijk van Proust, denk je onwillekeurig, maar dat is een misverstand, blijkt spoedig.

De patron van Hotel de Guermantes, toch genoemd naar de adellijke familie die een overheersende rol speelt in de romancyclus van Proust, is geheel niet dol op bezoekers die vanuit de hele wereld afreizen naar de geboorteplaats van de familie Proust. We worden bijna de eetzaal uitgekeken. Een kamer is niet te krijgen, hij sluit elk weekend. Dat zijn hotel het enige onderkomen in het illustere dorp is, interesseert hem geen lor. Een echtpaar uit de Verenigde Staten, dat nota bene tevoren had betaald, werd vrijdagmiddag met koffer en al op straat geknikkerd. Zijn clientele moet in het weekend naar Brou, zo'n vijftien kilometer verderop in zuidelijke richting.

In Brou breekt de zon eindelijk door, de grijze mist maakt plaats voor een omfloerst licht, waardoor het kale landschap er direct een stuk vriendelijker uitziet. En ook Illiers, alias Combray, laat zich nu van zijn mooiste kant zien. Komend vanuit Brou is de beroemde kerktoren, met zijn potloodpuntige spits, veel beter te zien dan vanuit het noorden. Elegant rijst de toren van St. Jacques uit boven de lage, leistenen daken van het dorp, met hier en daar een toefje rood.

Met dit beeld op het netvlies is het enthousiasme van Proust voor Illiers beter te begrijpen. In 'De kant van Swann', het eerste boek uit de romancyclus 'Op zoek naar de verloren tijd' - waarin we kennis maken met Charles Swann - schetst hij in lyrische bewoordingen een welhaast paradijselijk beeld van Combray, in schoonheid alleen vergelijkbaar met een dorp op een schilderij van de Vlaamse Primitieven, volgens Proust.

Illiers is de geboorteplaats van zijn vader, de later zo vermaarde dokter Adrien Proust. (Zijn lijvige studie over de bestrijding van de pest inspireerde vele decennia nadien Albert Camus tot zijn roman 'De pest'.) Het geboortehuis staat er nog, in de Rue du Docteur Proust. Een bouwval bijna, alleen herkenbaar aan een stenen medaillon dat ter zijne ere aan de straatkant is bevestigd. Het huis loopt met een knik door tot aan de markt. Precies tegenover de ingang van de St. Jacques had grootvader Proust een kruidenierswinkel waar hij ook kaarsen verkocht aan kerkgangers. Van bijenwas schakelde hij met vooruitziende blik over op stearine, waardoor de kaarsen niet langer 'gesnoten' hoefden te worden en bovendien een langere brandtijd hadden. De winkel bestaat nog altijd, alleen worden er nu elektrische apparaten verkocht, de vooruitgang is ook tot Illiers doorgedrongen.

Marcel Proust zelf werd in Parijs geboren, op 10 juli 1871, in het weelderige huis van zijn oom Louis Weil in Auteuil. Een jaar eerder was Adrien Proust met de vijftien jaar jongere Jeanne-Clmence Weil getrouwd, de mooie en intelligente dochter uit een schatrijke joods geslacht van kooplieden.

Tussen de royale optrekken van de familie Weil en het bescheiden woonhuis annex winkel in Illiers gaapte een diepe kloof, die alleen overbrugd kon worden dank zij de schitterende carriere van dokter Adrien Proust, die het tot hoogleraar bracht en vanwege zijn vele verdiensten tot lid van de Academie de France werd benoemd. Toch bleef de echte aristocratie voor hem een gesloten boek, ook omdat Jeanne Weil van joodse komaf was.

Voor Marcel Proust betekende dat later een handicap. Ondanks alle gunstige antecedenten kreeg hij geen toegang tot de salons in Faubourg Saint Germain. Alleen door invloedrijke vrienden in te schakelen werd hij af en toe in de salons genood, waar hij iedereen charmeerde met zijn vleierijen en welsprekendheid, maar echt erbij horen deed hij nooit. Hij bleef een buitenstaander. In 'Op zoek naar de verloren tijd' rekende hij later ongenadig af met de aristocratie, een klasse vol perverselingen en leeghoofdigen, waar niemand wil deugen, aldus Proust, die er desondanks toch graag deel van had uitgemaakt.

Anders dan uit zijn gedetailleerde schildering van Combray lijkt, is Marcel Proust maar een paar keer in Illiers geweest. Als kind bracht hij er drie jaar achtereen de paasvakantie door, in gezelschap van zijn ouders en zijn twee jaar jongere broer Robert. Zij logeerden in het huis van Jules Amiot, die met Elisabeth Proust, een zuster van Adrien was getrouwd. De logeerpartijen hielden abrupt op in 1880, na de eerste astmaaanval van Marcel, die allergisch bleek te zijn voor stuifmeel. (De aanval vond plaats op de dag dat Robert voor het eerst een lange broek droeg. Door zijn astma dwong Marcel zijn moeder tot een levenslange symbiotische relatie, die zou voortduren tot aan haar overlijden in 1905.)

De laatste keer dat hij Illiers bezocht was in september 1886, na de dood van tante Elisabeth, een van de modellen voor tante Leonie in zijn roman. Proust, net vijftien jaar oud, maakte die dagen lange wandelingen in de omgeving. Veel van zijn observaties keren terug in 'Op zoek naar de verloren tijd', waarin hij Combray en omgeving verdeeld in 'De kant van Swann' en 'De kant van Guermantes'. Tegen Celeste Albaret, zijn latere huishoudster en vertrouwelinge, zei Proust ooit dat 'de waarheid over het leven verscholen ligt in de waarneming en de herinnering - zonder die gaat het alleen maar voorbij'.

In het huis van de Amiots, dat nu ook officieel 'Het Huis van tante Leonie' heet, hoewel het kleiner en vooral burgerlijker is dan het beeld dat Proust in 'De kant van Swann' ervan geeft, is sinds 1972 het museum Marcel Proust gevestigd. Door de 'Societe des Amis de Marcel Proust' is het voorbeeldig ingericht, met voorwerpen en meubels die grotendeels in de familie bewaard zijn gebleven of enigszins gelijken op het oorspronkelijke. Het museum drijft op giften en sponsorgelden, onder meer van de tassenfabrikant Louis Vuitton en modekoning Yves St. Laurent. Van de gemeente krijgt het museum geen rooie frank.

Twee keer per dag is er een rondleiding, gegeven door mevrouw Anjali Janakiraman. Zij voert de toeristen uit alle delen van de wereld, van Japan tot en met Nieuw-Zeeland, langs de kleine en de grote salon, de keuken, de slaapkamer van tante Leonie en de logeerkamer van Marcel Proust. Het toilet wordt overgeslagen in de rondleiding, hoewel het volgens Proust de enige, rustige plek in huis was 'voor lezen, fantaseren en wellust'. (Marcel Proust masturbeerde veel, tot groot verdriet van zijn vader die hem een keer betrapte. In een brief aan zijn grootvader vroeg de 17-jarige Marcel om geld voor de hoeren, zodat hij niet hoefde te masturberen.)

Proust is een groot aanhanger van de theorie van het onwillekeurige geheugen, herinneringen die niet door het verstand worden opgeroepen maar via zintuigelijke associaties. Op die manier, zegt Proust, worden allerlei vergeten lagen in het onderbewustzijn aangeboord, die als ze eenmaal naar boven worden gehaald bijna nog kleurrijker en indringender zijn dan de feitelijke gebeurtenis. In 'Op zoek naar de verloren tijd' speelt de madeleine een dergelijke associatieve rol, een koekje gemaakt van cakedeeg in de vorm van een venusschelp. Door het eten van een madeleine, gedompeld in een kopje lindebloesemthee, keert de Verteller in een klap terug naar Combray. Hij herinnert zich voorvallen uit zijn kindertijd met grote precisie en heftigheid. Het was tante Leonie die hem op een zondagochtend een madeleine offreerde, voordat hij naar de mis ging in de St. Hilaire, zoals de St. Jacques bij Proust heet, al is de kerk in werkelijkheid minder mooi en evenmin rood van kleur.

In het museum zijn zakjes met madeleines te koop, de befaamde cakejes van Proust. Het is de zoveelste poging van mevrouw Janakiraman om de toeristen ook op sluitingsdagen van de plaatselijke middenstand ter wille te zijn. Want al zijn de madeleines bij de banketbakkers in Illiers te verkrijgen - eentje adverteert trots dat tante Leonie in deze winkel haar madeleines kocht - erg happig zijn ze niet in Illiers op al die bedevaartgangers. Bij het stationnetje van Illiers, waar acht keer per dag een trein stopt, staat geen enkel bordje richting Proust. De plaatselijke VVV heeft weliswaar een prachtige folder gemaakt over alle plekken die de roman van Proust worden genoemd, maar de doorsnee inwoner van Illiers kijkt met argusogen naar al die Proustianen, want een andere reden om dit 3408 zielen tellende kerkdorp te bezoeken is er niet. Het is helaas maar al te waar: Illiers is nog even benepen en inzichzelf gekeerd als in de tijd van Proust, ondanks de toevoeging van Combray in 1971.

Mevrouw Anjali Janakiraman is van oorsprong Nederlandse. Sinds tweeenhalf jaar verzorgt ze zes dagen in de week de rondleidingen, tegen een minimale vergoeding. De gemeenteraad van IlliersCombray wil wel geld in het museum steken, op voorwaarde dat de plaatselijke VVV de leegstaande kamers mag meubileren. Maar dat wil de 'Societe des Amis de Marcel Proust' beslist niet, uit angst dat het een uitdragerij wordt, of een museum vol middelmatige kunst uit de omgeving. Liever bijt het museum dus op een houtje, al kan de situatie zoals die nu is ook niet voortduren.

Voor ze zich op Proust stortte, had Anjali Janakiraman lange tijd in India gewoond, in Madras, samen met haar ex-man, een diplomaat. Nog trekt ze elke avond een sari aan, waarin ze zich prettiger voelt dan in westerse kleding. Maar dank zij Proust heeft ze zich met haar afscheid van India verzoend. Ze is, zegt ze zelf, helemaal stapelgek van Proust.

“Een mens mag niet doodgaan, zonder Proust te kennen. Eerst Proust, en dan pas sterven. Want er staan zoveel waarheden in zijn boeken. 'Op zoek naar de verloren tijd' is een initiatie voor het leven. Of je Proust nu een of duizend maal leest, je leest nooit hetzelfde verhaal. Dat is het eindeloze van Proust. Tegelijkertijd is zijn romancyclus ook een wreed werk, ontluisterend voor hemzelf en zijn omgeving. Proust heeft al zijn slechte eigenschappen in zijn roman verwerkt. Alle zonden zitten erin: de hypocrisie, zijn perversiteit, de onmogelijkheid om een ander mens te kennen of zelfs maar te beminnen, de schijnwereld van de aristocratie. Alleen de scheppende kunstenaar brengt het er gunstig af, want de creatie is de enige zinvolle reden van het menselijke bestaan, zegt Proust.”

Aan het einde van haar rondleiding roemt mevrouw Janakiraman de biografie van Proust, geschreven door Ghislain de Diesbach, die vorige maand in een mooie vertaling in het Nederlands verscheen. Na de bijna heiligverklaring van Celeste Albaret zet Diesbach de schrijver weer met beide benen op de grond, vindt ze. (Al ligt in de winkel bij het museum de biografie van Diesbach niet te koop, wel die van Painter uit 1969.)

Diesbach putte voor zijn biografie veelvuldig uit de correspondentie van Proust, waarvan het eenentwintigste en laatste deel onlangs in Frankrijk verscheen. Diesbach rekent in zijn inleiding af met beeld van de luie nietsnut dat Proust van zichzelf had geschapen. Als er iemand als een bezetene heeft gewerkt, dan is het Marcel Proust, schrijft Diesbach bewonderend. Toen Proust op 18 november 1922 stierf, aan een verwaarloosde bronchitis, had hij zojuist het vijfde deel van zijn romancyclus gecorrigeerd. Zijn broer Robert, eveneens als vader Proust een beroemd medicus, die ogenschijnlijk geen rol heeft gespeeld in het leven en werk van Proust, heeft nadien de overige delen met grote zorgvuldigheid persklaar gemaakt.

Op zaterdagochtend is de mist teruggekeerd in Illiers. Het dorp zucht onder een loodgrijs wolkendek dat van geen wijken wil weten. Alleen de potten met veelkleurige chrysanten die voor Allerheiligen te koop worden aangeboden fleuren nog enigszins het straatbeeld op. We lopen naar de Pre Catalan, het park dat oom Jules Amiot even buiten het dorp liet aanleggen, in Engelse landschapsstijl. Marcel Proust, die er graag wandelde, verplaatste in zijn roman het park met al zijn grillige bouwsels naar Tansonville, het buiten van Charles Swann in Combray.

Ook op deze mistige herfstdag is de schoonheid van het park nog zichtbaar aanwezig. Weliswaar is de bloeitijd van de meidoorns al lang voorbij, maar er hangt toch een vreemde, aromatische geur die vanuit de laag geschoren heg onze neus binnendringt. Hoe die haag heet, is onbekend. Wel herkennen we de blaadjes van de palmpasenoptochten. Nooit geweten dat die naar Proust roken.

Terug naar Nederland rijden we via Cabourg, een badplaats aan de Normandische kust, waar Marcel Proust jarenlang de zomervakantie doorbracht. Aan zee had hij beduidend minder last van zijn astma. Vanuit alle straten is het Grand Hotel te zien, het majesteitelijke onderkomen waar Proust logeerde als hij in Cabourg verbleef. Op de Boulevard Marcel Proust, gelegen voor het Grand Hotel, waar De Verteller voor het eerst Albertine ziet wandelen in 'In de schaduw van de bloeidende meisjes', vindt die zondag een wedloop plaats. Het parcours waarop straks veel vakantievierende Parijzenaars zullen draven, is afgezet met roodwitte linten. Het evenement heet, met een knipoog naar Proust, 'La Course contre la montre', de Wedloop tegen de Tijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden