Interview

Marcel Möring: Ik huiver als mensen zeggen ‘dat nooit meer’

Marcel Möring: Ik sta soms op vanachter mijn schrijftafel om te acteren wat ik aan het schrijven ben. Dat gaat vanzelf. Als ik het gevoeld heb, kan ik het opschrijven. Beeld Koos Breukel

Geschiedenis is een kooi waarin je zit opgesloten, is een kerngedachte in Marcel Mörings werk. Zijn Joodse achtergrond is 'onontkoombaar'.

Plezier en begrip zijn onafhankelijk van elkaar, kun je merken bij het lezen van Mörings werk. Ook als je twijfelt of je van zijn laatste roman Eden ooit iets zal begrijpen, kun je genieten van waar het verhaal, of beter de verhalen, je mee naartoe nemen. Het boek bevat twee verhalen, elk in een ander lettertype gezet, die totaal van elkaar verschillen.

Tijdens het lezen had ik de indruk dat het ene verhaal ongeveer dubbel zoveel ruimte in beslag nam als het andere, maar toen ik de pagina’s telde, merkte ik dat ze gelijk opgingen. Hoe komt dat, denkt u?

“In het ene verhaal, over de psychiater Adenauer, vindt de handeling plaats in het hier en nu. De stijl is direct, er is bijna sprake van een dialoog tussen het verhaal en de lezer. Het andere verhaal, over de zwerver Niekas, komt tot je als een overlevering. Het begint in een bos ‘dat zo oud is als de wereld zelf’, het heeft geen naam. Net als in een sprookje dat begint met ‘er was eens, lang geleden, in een land ver weg’. Zo zijn er allerlei elementen in dat verhaal waardoor je direct ver terug in de tijd wordt gestuurd. Dat geeft een gewicht aan de tijd, dat groter lijkt dan in het andere verhaal. En dat ervaart u als u denkt dat het ene verhaal langer duurt dan het andere. Voor mij is literatuur in eerste instantie het manipuleren van de tijd. Ik wil de tijd masseren, om u ergens te brengen waar u niet bent.”

Hoe los staat u als schrijver van het heden?

“Ik sta er niet los van, maar ik vind dat het heden te vaak wordt beschouwd als iets unieks.

“Ik zit niet te wachten op een roman die me vertelt hoe we het huidige tijdsgewricht moeten beleven. Dat lezen we wel in de krant. Ik wil dat een roman probeert diep af te dalen in de tijd, in alles wat aan het nu is vooraf gegaan, om iets te kunnen zeggen over onze positie in de wereld. Om te laten zien dat een handeling nooit alleen maar de handeling is. Alles heeft een wortel. Daarbij keer ik altijd terug naar de Joodse geschiedenis, omdat die in mij werkt.”

Hoe bedoelt u dat?

“Ik ben niet in staat om de actualiteit anders te bekijken dan door de bril van iemand die nazaat is van een Joods geslacht.

“Na de Tweede Wereldoorlog is het bon ton geworden om te zeggen dat we ‘moeten leren van de geschiedenis’. Ik vind dat een gotspe. Want je kunt niet anders dan leren van de geschiedenis. Ik huiver als mensen zeggen ‘dat nooit meer’ of ‘het is nu heel anders dan toen’. Het is nóóit anders dan toen. Het is altijd hetzelfde. Dat geldt niet alleen voor de Joden. Voor Joden kun je ook Armeniërs invullen, of Cambodjanen of Noord-Amerikaanse Indianen.”

Heeft het zin om te spreken over een Joods schrijverschap, ziet u zich in een dergelijke traditie staan?

“Literatuur moet niet aan denominaties doen. Dus iets in mij wil hard nee zeggen tegen die vraag, maar het is onontkoombaar. Al was het maar omdat ik eens een bundel heb samengesteld, ‘Het derde Testament’, vanuit het idee dat er bij het Oude en het Nieuwe Testament een aanvulling nodig was, met datgene wat Joodse schrijvers en wetenschappers hebben bijgedragen aan ons beeld van de wereld. Dat leek mij net zo waardevol als die eerste twee testamenten. Dus ik kan wel roepen dat ik een schrijver ben, en dat het feit dat ik Joods ben maar een bijkomstigheid is, maar sinds ik die bundel heb gemaakt…”

Ik denk toch ook aan uw romans. Marcus Kolpa in ‘Louteringsberg’ - het tweede deel in de trilogie waarvan ‘Eden’ het sluitstuk is - die zich ‘een hopeloos als Hollander verklede Jood’ noemt. Uw werk is doortrokken van de dias- pora, het onzegbare leed, de Aaliyah, en de filosofie van Isaiah Berlin. Zien we daar niet de Joodse pen? Hoe ongemakkelijk die vraag ook is.

“Waarom is dat ongemakkelijk? Je zou toch zonder problemen hetzelfde aan Maarten ’t Hart vragen, mutatis mutandis. Een Joodse schrijver schrijft niet alleen over de praktische cultuur in de zin van boterkoek met maanzaad en kippensoep, maar vooral over iets wat eeuwenlang is doorgegeven: het besef dat de status-quo waarin jij een plaats hebt, nimmer een zekerheid is.

“Het is een zeer waardevolle manier om naar de geschiedenis en de samenleving te kijken, omdat het je vrijmaakt van het idee dat deze tijden uniek zijn. Dat brengt je in een ambivalente positie ten opzichte van het heden. En als je een roman schrijft, kun je je wapenen met die ambivalentie, en die tijden betreden.” 

“Maar de geschiedenis van het Jodendom is niet alleen wat er allemaal is misgelopen. Het zijn ook de midrash [Torahcommentaren] en de zohar [oerboek van de Kaballa, pvdb] waar ik zeer van kan genieten. Het heeft me een soort ernst bijgebracht waar ik zelf heel blij mee ben. Ik vind het fijn dat ik met het gewicht van die geschiedenis, zowel het negatieve als het positieve, kan kijken naar de wereld om me heen.

“History is a nightmare of which I’m trying to free myself, luidt het aan James Joyce ontleende motto van ‘Eden’. Het idee dat geschiedenis niet alleen is wat je meedraagt, maar ook een kooi waarin je zit opgesloten, beheerst al mijn werk. In hun extreme vorm wil zowel rechts als links de geschiedenis vernietigen om haar te kunnen herschrijven volgens de eigen ideologie. In ‘Eden’ vertel ik het verhaal van het bos waar eerst de communisten en toen de fascisten hebben geprobeerd de natuur in de mal van hun ideologie te dwingen. Zodra een beweging het woord ‘puur’ of ‘zuiver’ in de mond neemt, weet je dat het mis is.”

Bent u behalve een Joodse, ook een Nederlandse schrijver?

“Mijn buitenlandse uitgevers zeggen allemaal ‘nee’. En ik eigenlijk ook. Mijn romans passen nergens bij. Ik kan in de Nederlandse literatuur geen geestverwant aanwijzen. Er zijn wel schrijvers die ik bewonder, zoals Gerrit Krol en Hugo Claus. In het slot van ‘Eden’ gebruik ik de techniek waar Krol de meester in was. Krols teksten, dat zijn maar zulke stukjes, hè. Als je het muzikaal aangeeft, begint het steeds hoog en eindigt het met een codaatje in mineur. Zo knap om dat in zo’n kort stukje te doen. Je glijdt eruit, en weer het volgende stukje in.

“Hugo Claus is de meest avontuurlijke schrijver van zijn generatie geweest. Elke schrijver zou moeten streven naar de vrijheid van Claus. Hij heeft gedaan wat hij wilde doen, zonder te haken naar het grote publiek. Dat hij vervolgens wel heeft bereikt.

“Dat ik schrijver wilde worden, wist ik al op mijn dertiende. Het betekent alles voor mij, het is de enige zinvolle invulling van mijn bestaan. God weet dat ik een betere vader, echtgenoot, vriend zou kunnen zijn als niet alles wat ik doe in het teken stond van het schrijven. Maar ik ben slechts heel weinig persoon en heel veel schrijver.”

Hoe ervaart u dat leven in dienst van het schrijven?

“Schrijven is voor mij een soort mijnbouw. Een verkenningstocht in het duister. Ik moet iets werkelijk doorvoelen en beleven, voordat ik het kan opschrijven. Het gaat om de arbeid.

“Ik ben geen aanhanger van de Hermansiaanse theorie van de roman als een gesloten geheel waarin alles in elkaar grijpt als in een uurwerk. Dat is een trucje, vooral iets voor critici. Vakmanschap is meesterschap, weet je wel. Ik wil de patronen hebben van de bovenkant van het tapijt, maar ik wil ook de onderkant. Er moet een zekere onafheid in zitten, rafels, tentakels. Mijn roman ‘In Babylon’ is een bestseller geweest in Australië. Maar de kop boven een van de recensies luidde ‘Smooth as clockwork’. Ik dacht ‘wel verdomme, die heeft er echt niks van begrepen’.”

Net als uw gebruik van het begrip arbeid, getuigt het verhaal in ‘Eden’ van de psychiater Adenauer van een grote affiniteit met de Freudiaanse sofa, klopt dat?

“Ik ben zelf meer dan vijf jaar in psychoanalyse geweest, en ik heb er veel onderzoek naar gedaan. Dat het bij mij altijd zo lang duurt voordat ik een roman af heb, is omdat ik me helemaal moet verplaatsen in een persoon, een tijd, een omgeving. Ik sta soms op vanachter mijn schrijftafel om te acteren wat ik aan het schrijven ben. Dat gaat vanzelf. Als ik het gevoeld heb, kan ik het opschrijven.

“Het narratief voor een nieuw boek, dat heb ik zo. Ik kan hier ter plekke een verhaal verzinnen dat een boek kan worden. Maar waar gaat het werkelijk over? Dat moet ik eerst doorgronden. Blootleggen. En daarna weer toedekken. In het zenboeddhisme heet dat Wabi-sabi. Dat wil zeggen dat als je iets wilt raken, je er eigenlijk net naast moet gaan zitten. Dan krijgt het context en diepte.”

We hadden het al over Isaiah Berlin. Kunt u uitleggen wat hij voor uw schrijverschap betekent?

“Iedereen hoopt dat hij een mentor vindt, iemand die je vertelt niet hoe de wereld in elkaar zit maar hoe ze in elkaar zou kunnen zitten, zonder dat je dat klakkeloos hoeft aan te nemen. Als ik over Berlin begin, ben ik bang dat ik idolaat word. Hij is voor mij datgene waar het hele ideaal van burgerlijke ontwikkeling, een kritische geest en scholing toe kan leiden. Hij vertrekt vanuit de Russische literatuur en komt uit bij zijn eigen gedachten over de liberale samenleving. De schellen vielen me van de ogen. Ik ben opgevoed met de idealen van de Franse Revolutie, vrijheid, gelijkheid en broederschap. Pas bij Berlin zag ik welke gevaren daar ook in besloten liggen. Elk totalitair regime, links of rechts, altijd een doorgeschoten vorm van wat zich in die tijd ontwikkeld heeft. Dat kan ik begrijpen, maar als ik Berlin lees en zijn persoonlijke geschiedenis ken, begrijp ik het nog dieper.

“Berlin, dat is voor mij havermout. Op filosofisch niveau kan ik er niet veel zinnigs over beweren, maar het voedt mij als schrijver. Ik neem dat letterlijk voor mijn ontbijt, want dat eet ik altijd lezend. Ook Karl Popper heeft die functie voor mij. Bij het schrijven pas ik zijn falsificatie-methode toe. Ik kan een prachtige alinea of zin schrijven, maar waarom staat hij daar? Als het alleen maar is omdat ik het mooi vind, is dat niet goed. Het moet een functie hebben voor het onderliggende.

“Er gaat veel ego zitten in het maken van een boek. Dat is prima. Maar soms moet je tegen jezelf zeggen: nu ben ik alleen nog bezig om te laten zien hoe hoog ik kan pissen.”

Marcel Möring (1957) debuteerde in 1990 met ‘Mendels erfenis’. Zijn jongste roman ‘Eden’ is een moralistisch, bont en boeiend slotstuk van zijn drieluik, oordeelde Jaap Goedegebuure in Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden