Mannen met baarden

Wat zoeken salafistische moslims bij doopsgezinde protestanten, die bij uitstek bekendstaan als geweldloos, vrijzinnig en ruimdenkend? Dat zijn geen associaties die het woord salafist oproept.

In juni kreeg dominee Henk Leegte van de doopsgezinde gemeente in Amsterdam bezoek van salafisten, gekleed in witte djellaba's met een hoofdkapje en met baarden. Hij noemt die gebeurtenis pas als hij al urenlang enthousiast heeft verteld over de geschiedenis van zijn geloofsgemeenschap, die Nederlands verleden belicht vanuit het zicht van een heel bijzondere minderheid.

Net als katholieken hadden doopsgezinden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een gedoogstatus. Voor hun levensonderhoud waren ze aangewezen op vrije beroepen. Hun kerken mochten niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. De Amsterdamse dopsgezinden komen nog steeds bijeen in hun oude schuilkerk, verborgen achter eeuwenoude grachtengevels.

In het kader van 'interreligieuze gesprekken' ontvangt Leegte wel vaker bijzondere gasten. De salafisten wisten dat de doopsgezinden in Nederland een kleine minderheid zijn, net zoals zijzelf. Ze vroegen hoe Leegte en zijn geloofsgenoten omgaan met die situatie. Ze vertelden hoeveel weerstand hun klederdracht oproept: "Mensen zijn bang voor ons, schelden ons uit, het doet pijn." Leegte vertelde over de vroegere klederdracht van doopsgezinden, met een verbod op allerlei kleuren, vooral rood: "We ontdekten dat dat niet in de Bijbel stond. Waarom stoppen jullie er ook niet mee?" De salafisten hadden een wedervraag: "Hoeveel kerkgangers hebben jullie nog?" Strakke voorschriften over gedrag en kleding houden een groep bijeen, dat bedoelden ze. "We zijn er nog", antwoordde Leegte. Maar het aantal Nederlandse doopsgezinden is wel geslonken: tot ongeveer tienduizend.

Godsdienstig geweld
Historisch gezien zijn er parallellen tussen de salafisten en doopsgezinden. In de zestiende eeuw, in de periode van de protestantse reformatie, deden voorlopers van de doopsgezinden, dopersen of wederdopers, een diep traumatische ervaring op met een vraagstuk dat tegenwoordig de salafistische gemeenschap verdeelt: godsdienstig geïnspireerd geweld. Het gitzwarte gewelddadige dieptepunt was het 'doperse koninkrijk Munster' (1534-1536).

Een vergelijking dwars door de eeuwen en culturen heen lijdt aan mankementen, maar met enige fantasie zou je kunnen zeggen dat de zestiende-eeuwse dopersen de 'salafisten' van de reformatie waren. Evenmin als nu de salafisten kun je alle dopersen van toen over een kam scheren. De ideeën over geweld liepen uiteen, zoals nu bij salafisten. De meerderheid koos voor geweldloosheid, omdat je volgens Jezus bij een klap op de ene wang de andere wang moet toekeren naar je vijand. Maar een kleinere groep volgde een andere uitspraak van Jezus: dat hij was gekomen om het zwaard te brengen.

De zestiende eeuw nodigde uit tot extremisme. De wereld gistte van verandering, Amerika was ontdekt, de boekdrukkunst deed zijn werk, mensen gingen lezen, kerkelijk gezag verzwakte, de reformatie zette door. De dopersen waren radicaler dan de twee grootste reformators, Luther en Calvijn. Die wilden de kerk hervormen, de dopersen wilden haar afschaffen.

Diep leefde de overtuiging dat het einde van de tijden nabij was en dat Jezus zou terugkeren. Dat kon, zo wist men, in drie steden gebeuren: Amsterdam, Straatsburg en Munster. In Amsterdam bezetten begin 1535 naakte dopersen het stadhuis. Ingrijpender waren de gebeurtenissen in Munster.

Dopersen joegen daar in 1534 de katholieke bisschop de stad uit. Ruim twee jaar lang was er een dopers 'koninkrijk', onder leiding van Jan van Leiden. Leegte geeft een sfeerbeeld van die tijd: "Een groep dopersen uit Monnickendam ging op weg naar Munster. Ze voeren met de boot naar Harderwijk. Langzaam zagen ze Monnickendam achter de horizon verdwijnen. Dat kwam natuurlijk door de kromming van de aarde. Maar volgens de gelovigen was de eindtijd begonnen en zonk Monnickendam weg in de grond. Ze huilden om hun achtergebleven geliefden, die allen in de hel zouden eindigen."

Jan van Leiden, kleermaker, internationaal koopman en toneelspeler, riep zich uit tot profeet en de nieuwe bijbelse koning David. Van zijn zeventien vrouwen zou hij een hebben onthoofd. Na de ondergang van het doperse koninkrijk in 1536 deden gruwelijke verhalen de ronde, vooral verspreid door vijanden. Of ze wel of niet klopten, na het fiasco van Munster braken de dopersen radicaal met geweld. Leegte: "Ik hoop dat de salafisten dezelfde keuze zullen maken."

Hevige emoties
In Friesland werd Menno Simons voorman van de geweldloze dopersen. Velen noemden zich voortaan mennonieten. Volgens Menno Simons was het zinloos de terugkeer van Jezus te willen bespoedigen, zoals in Munster was geprobeerd. Prikkelende hedendaagse parallel: de afgelopen jaren woedde er in het islamitische Iran een felle discussie over de wederkomst van de 'verborgen imam' en Jezus.

De doopsgezinden hebben niet altijd en overal gelijk gedacht over oorlog en vrede. Een zeventiende-eeuwse koopman wilde zijn schepen voorzien van houten nepkanonnen, om kapers af te schrikken. Volgens zijn kerkeraad was zelfs dreigen met nepgeweld fout. Maar bij de onthulling van het standbeeld van Menno Simons, in 1830, zorgde een militaire kapel voor de muziek. Oorlog en vrede is wel, zegt Leegte, een kwestie die nog steeds bij doopsgezinden hevige emoties oproept. Geweldloze doopsgezinden van de oude stempel betogen elke woensdag bij de Amsterdamse beurs tegen de wapenindustrie.

Het Munsterse drama was het startsein voor een gruwelijke vervolging, die in Nederland ongeveer vijftig jaar duurde en elders langer. De vervolgers schoren alle dopersen, vreedzame en gewelddadige, over een kam, zoals dat nu wel met salafisten gebeurt. In Nederland zou de katholieke inquisitie vierduizend dopersen hebben gedood, veel meer dan het aantal calvinistische martelaren.

Amish in Groningen
In Zwitserland lieten nog in 1704 beulen dopersen van bergen afrollen in tonnen, waarin aan de binnenkant spijkers staken. Zwitserse dopersen, de amish, weken uit naar Amerika, en een veel kleinere groep naar de provincie Groningen. De Amerikaanse amish handhaafden de oude levensstijl. Ze lieten grote baarden groeien maar zonder snor, omdat huursoldaten destijds snorren hadden. De Groningse amish werden juist vrijzinnig.

Doopsgezinden hadden in de gedoogperiode de keuze uit twee strategieën: blijven en er het beste van maken, of emigreren. Talloos zijn de emigratieverhalen. Anderen bleven en leerden te leven met de gedoogstatus. Onder hen waren veel uitblinkers. De rij van doopsgezinde notabelen is indrukwekkend, zoals de Van Eeghens, aan wie Amsterdam het Vondelpark dankt, de Warendorps en de Van Lenneps. Ook onder de beroemde industriëlen van de Zaanstreek waren opvallend veel doopsgezinden.

Reden voor een vraag van Leegte aan zijn salafistische gasten, waar niet meteen een antwoord op kwam: "Waar kiezen jullie voor? Ga je je als groep in jezelf terugtrekken, of ga je uitblinken in de samenleving?"

Amerikaanse amish (foto) handhaafden de oude levensstijl. De Groningse amish werden juist vrijzinnig.

Salafistische parlementsleden in Egypte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden