Mannen die ingetogen ruziën

Museumbezoekers blijven gemiddeld negen seconden voor een schilderij staan. Als je langer wilt kijken, hoe moet dat dan? Filosofe Mieke Boon onderricht over de filosofie van het kijken. Deel 13: De Staalmeesters.

’Nu ik zo naar ’De Staalmeesters’ kijk’’, zegt Mieke Boon als we in het Amsterdamse Rijksmuseum een tijdje voor een van Rembrandts laatste meesterwerken staan, „moet ik denken aan een open brief die Piet Hein Donner, toen nog minister van Justitie, in Trouw publiceerde. De conservatief Bart Jan Spruyt had Donner verweten slachtoffer te zijn geworden van een naïef multiculturalisme omdat hij ruimte biedt aan een geloof van orthodoxe moslims dat zelf geen enkele ruimte laat voor andersdenkenden.’’

Rembrandt en Donner, staalmeesters en orthodoxe moslims – Mieke Boon schiet in de lach, ze moet de verbazing op mijn gezicht zien staan. Boon: „In die brief ontkent Donner voorstander te zijn van een naïef multiculturalisme. Maar hij gelooft wél in pluralisme. Donner zegt erbij dat die pluriformiteit in Nederland bestaat bij de gratie dat we ’vandaag’ nooit zo ruzie mogen maken over verschillen en politiek dat we ’morgen’ niet weer samen de dijk kunnen bewaken tegen het water dat ons bedreigt. Wat bindt moet altijd sterker zijn dan wat verdeelt en die binding moet berusten op onderliggende gemeenschappelijke waarden en normen.’’

Jij ziet die gemeenschappelijke waarden en normen in ’De Staalmeesters’?

„Ja. In het huidige normen- en waardendebat associeert men ethiek vaak met allerlei regels, die we al dan niet moeten opvolgen. Dat is een oninteressante manier om ethiek te bekijken.’’

Kan het anders?

„Het moet anders. Ik geloof dat ge- en verboden alleen aan de oppervlakte blijven. De vorming van onze moraliteit speelt zich op veel meer niveaus af, en is verknoopt met allerlei andere ontwikkelingen en overtuigingen.’’

Zoals?

„In de zestiende en zeventiende eeuw bepaalden absolute heersers en een absoluut katholiek geloof het doen en laten van de meeste inwoners in Europa. Onder invloed van Erasmus, Luther en Calvijn kwamen de Nederlanders tot de overtuiging dat zij zelf in staat waren de Bijbel te lezen, zelf in staat waren na te denken en verantwoordelijkheid te nemen.”

De burger werd belangrijk.

„Inderdaad. In zijn boek ’Sources of the Self’ stelt de Canadese filosoof Charles Taylor dat de Reformatie onze opvattingen over het gewone leven ingrijpend veranderde. Het dagelijks leven was niet langer onaanzienlijk en onbelangrijk, het vormde nu het hart van de samenleving. Taylor noemt deze omarming van het gewone leven de essentie van de moderne tijd.’’

Vraag is dan natuurlijk hoe dat gewone leven geleid moest worden.

„Precies. Vol vrees voor God of uitgaande van het eigen verstand? Als je op de eigen ratio vaart, zoals de zeventiende-eeuwers steeds meer geneigd waren te doen, ligt de moraliteit niet langer vast maar vormt ze zich in samenhang met maatschappelijke en culturele ontwikkelingen.

De zeventiende-eeuwse samenleving was dan ook doorspekt met morele ideeën, bijvoorbeeld hoe je met armen en minderbedeelden moest omgaan. Zoals we bij de regentessen van Frans Hals zagen, kwam de gegoede, calvinistische burgerij op het idee dat bij een beschaafde samenleving huizen horen voor behoeftige ouden van dagen. Er waren opvattingen over hoe je met elkaar om moest gaan, zowel in het persoonlijke leven, als in het beroep en in relatie tot de samenleving als geheel. Dat laatste is van toepassing op de staalmeesters.’’

Dragen deze mannen uit hoe je een samenleving moet vormgeven?

„Ja. Een samenleving gebaseerd op dit soort gedachten krijgt allerlei nieuwe samenwerkingsverbanden, waarin regels niet meer door een heerser van hogerhand maar onderling worden opgesteld. Er ontstaat een democratische bestuurscultuur.

Neem de gilden, in hun vroegste vorm bestonden ze al in de Middeleeuwen, verenigingen van beroepsgenoten. Ze streefden een eerlijke uitoefening na van hun ambacht, stelden regels op voor de beroepsgroep en zorgden voor de opleiding van leerlingen. En ze zagen erop toe dat de afzetmarkt niet verpest werd door beunhazen. Zo kwamen deze staalmeesters drie keer per week bij elkaar om de kwaliteit van het laken, een fijne wollen stof, te keuren dat in Amsterdam verhandeld werd.’’

De maffia van de Gouden Eeuw: zij bepaalden wie de markt op mocht.

,,Zien ze er zo uit?’’

Nee. Rembrandt heeft er deugdzame, verantwoordelijke mannen van gemaakt, bij wie ik zo mijn portemonnee op tafel zou laten liggen.

„Zou je bij een van hen ook je hart durven uitstorten?’’

Dat vind ik een onbelangrijke vraag. Het gaat mij om hun vak. Hoe ze als vader of grootvader zijn zal me nu een zorg zijn.

„Toch vroegen we ons bij de regentessen af of je bij een van hen over je verdriet zou kunnen vertellen.’’

Toen verbeeldde ik me dat ik later wellicht zelf in zo’n huis kwam te wonen.

„En nu?’’

Nu ben ik benieuwd hoe ik behandeld zou worden wanneer ik hun als Brugse lakenverkoper een staal zou overhandigen.

„Dat is een compliment voor Rembrandts kunstenaarsschap.”

Waarom?

„In hun boek ’Bevochten eendracht’ vertellen Willem Frijhoff en Marijke Spies dat we maar weinig weten over de belevingswereld van Nederlandse mannen en vrouwen rond 1650. Als een vrouw een dagboek bijhield, beschrijft ze naast huiselijke gebeurtenissen vooral recepten en middeltjes. In het mannendagboek kom je nauwelijks huiselijke gegevens tegen. Zo’n boek biedt bijna uitsluitend inzicht in de bijdrage die de schrijver leverde aan zijn maatschappelijke positie.

Dit komt overeen met het zelfbeeld dat deze mannen hadden. De staalmeesters zagen zichzelf als rationele wezens die beheersing hadden over de eigen wil. Daardoor kregen ze verantwoordelijkheid te dragen en ook verantwoordelijkheid toegeschreven. Dat laatste moet je niet onderschatten: net als de regentessen kregen de staalmeesters niet voor hun werk betaald. Het was een eer als je deze verantwoordelijke functie mocht uitoefenen.’’

Erebaantjes zijn vaak een dekmantel voor fraude en vriendjespolitiek.

„Vertrouw je ze toch niet?’’

Jawel, maar als Gods gebod niet meer maatgevend is, wie of wat vertelt je dan hoe te handelen?

„Ook bij het formuleren van expliciete regels begint men een beroep te doen op het eigen denken. Kijk naar de filosofie van die tijd. In de zeventiende eeuw woonde de Franse filosoof René Descartes in Nederland. Hij wordt gezien als de belangrijkste verdediger van de idee dat je door het eigen denken te onderzoeken heldere en duidelijke principes kunt vinden, waaruit je dan vervolgens allerlei andere waarheden kunt deduceren, afleiden.’’

Zoals een wiskundige doet.

„Ja. Dit eigen onderzoek betrof alleen geen formules maar regels voor het gehele persoonlijke en maatschappelijke leven. Je kunt je voorstellen dat daarover in de zeventiende eeuw eindeloos gediscussieerd werd.’’

Dat deden deze staalmeesters ook?

„Ongetwijfeld. Ze zullen ongetwijfeld flinke discussies hebben gevoerd over de stalen die ze ter beoordeling kregen, maar ook over afwijkingen die wellicht verbeteringen zijn, of over de vraag hoe je überhaupt moet beoordelen. Zij zullen net zo heftig polemieken gevoerd hebben over allerlei godsdienstige kwesties.’’

Verschilden ze daarover van mening dan?

„Enorm. We lopen ze even langs. Helemaal links zit een oudere man, hij heeft zijn ogen wat geloken. Dat is Jacob van Loon, een katholieke lakenverkoper met een winkel op de hoek van de Kalverstraat en de Dam en een schuilkerk in huis. Naast hem, de man van wie onduidelijk blijft of hij gaat zitten of staan, is de doopsgezinde lakenverkoper Volckert Jansz. De gereformeerde lakenverkoper Willem van Doeyenburg, vermoedelijk de voorzitter van het college, zit met zijn halfgeopende hand middenin. De staande man op de achtergrond was de knecht Frans Bel – zijn geloofsvoorkeur ken ik niet. Maar de man met de lange krullen en het sympathieke gezicht daar weer naast is de katholiek Aernout van der Mye. Ook hij had een schuilkerk in huis. Helemaal rechts ten slotte staat de lakenverkoper Jochem de Neeve, hij was de jongste van het gezelschap, kwam uit een zeer goede familie en koesterde remonstrantse sympathieën. Terwijl in Europa allerlei godsdienstoorlogen woedden, nemen hier vijf mannen van vier verschillende geloofsrichtingen zitting in één bestuur.’’

Dat leverde ongetwijfeld verbaal vuurwerk op. Ik begrijp alleen een ding nog niet: wie op zoek gaat naar allesbepalende principes loopt grote kans een Prinzipienreiter te worden, en vecht zichzelf liever de tent uit dan dat hij gaat poseren voor een schilder.

„Over dat dilemma gaat de open brief van Donner. Onze pluriformiteit, die we in Nederland in de zeventiende eeuw dus net zo goed kenden als in onze tijd, bestaat bij de gratie dat we ’vandaag’ nooit zo ruzie mogen maken over verschillen en politiek dat we ’morgen’ niet weer samen een nieuwe staal laken kunnen beoordelen.’’

Ingetogen ruziemaken, hoe doe je dat?

„Donner zegt: ’Door het debat over verschillen van opvatting en geloof en de maatschappelijke waarde daarvan niet uit de weg te gaan, zonder dit op kwetsende en betweterige toon te voeren. Door als overheid ontwikkelingen die de samenleving versterken en binden actief te stimuleren en te bevorderen, en andere af te remmen.’’

En wat zeg jij?

„Ingetogen ruzie maken is lastig. Daarom is het goed te kijken hoe Nederlanders dat in de loop der eeuwen hebben gedaan. Scherpslijperij was in ieder geval onmogelijk, dat zou tot onwerkbare situaties leiden. Maar binnen de kerk was discussie op het scherp van de snede wel mogelijk. Dat is dan ook een verklaring voor al die kerksplitsingen die binnen het protestantisme aan de orde van de dag waren. Daarom zeggen de Fransen ook: één Nederlander dat is een geloof, twee Nederlanders dat is een kerk, drie Nederlanders dat is een kerkscheuring.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden