Mam, waarom heeft Jezus twee vaders?

Na het filosoferen met kinderen, is er nu ook theologiseren met kinderen. De truc is dat het kind de ruimte krijgt om zijn eigen beeld van God en geloof te ontwikkelen. „Volwassenen hebben zich te lang als alwetend gedragen.’’

Er is zojuist iemand overleden. Een driejarig jongetje vraagt aan zijn vader: ’Was het meneer Vogel?’

’Ja’, zegt zijn vader.

’Wás hij ook een vogel?’, vraagt zijn zoontje en hij lacht.

Kijk, zegt Evert Jonker, hoogleraar praktische theologie. „Als de vader hier nu zou zeggen: ’Nee, natuurlijk niet’, dan stopt het gesprek, maar dan lopen beiden verrassingen mis.’’ In dit geval gaat het gesprek verder.

De vader: ’Zag hij eruit als een vogel dan?’

Het zoontje lacht: ’Nee, want hij heeft geen veren, hij heeft kleren aan. Maar vogels hebben vleugels en kunnen ook sterven. Net als mensen.’

Vader zwijgt even: ’Wat betekent sterven?’

Zoontje: ’Dat je naar God gaat.’

Vader: ’Waar is God?’

Zoontje: ’In de hemel. Als je steeds hoger en hoger en hoger gaat, totdat er geen wolken meer zijn, dan kom je in een klein huisje. Daar woont God.’

In dit gesprekje krijgt de vader zomaar inzicht in het godsbeeld van zijn zoon. Ze spreken met humor en openheid over de dood en putten hier misschien troost uit. Voor Jonker is dit een goed voorbeeld van kindertheologie: „Het is na jaren theologiseren met kinderen steeds mijn ervaring dat het wederkerig is, dat zowel volwassene als kind iets ontvangt. Theologie komt van theos (geheimenis) en logos (inzicht). Kortom: het geeft inzicht in geheimenissen. Voor volwassene en kind.’’

Kindertheologie is in Nederland nog zeer onbekend. Op de zoeksite Google scoort de term slechts acht Nederlandse hits. Dat gaat langzaam veranderen. Het meest recente nummer van Praktische Theologie, tijdschrift voor pastorale wetenschappen, staat in het teken van kindertheologie. In Nederland verschijnt binnenkort het eerste studieboek over theologiseren voor pabo en basisonderwijs, ’Verwonderen en ontdekken’ van Henk Kuindersma, docent godsdienstpedagogiek aan de hbo-opleiding theologie van de Noordelijke Hogeschool in Leeuwarden. Kuindersma beschrijft in Praktische Theologie dat kindertheologie vanuit het oosten is komen overwaaien. In Duitsland is het uitermate populair. Daar geeft het ’Netzwerk Kindertheologie’ al sinds 2002 een jaarboek uit over hun themabijeenkomsten en activiteiten. Het netwerk is volgens Kuindersma een ’bont gezelschap’ van onderwijskundigen, onderzoekers, theologen, godsdienstwetenschappers, filosofen, lerarenopleiders en practici.

De Duitsers werden op hun beurt geïnspireerd door de Britse theoloog en godsdienstpedagoog John Hull. Hij schreef in 1991 het eerste boek over theologiseren door en met kinderen, met handvatten voor ouders en docenten om met kinderen over God te spreken.

Qua opzet en methodiek is theologiseren vergelijkbaar met filosoferen met kinderen. Kinderfilosofie, ontwikkeld door Matthew Lipman en Gareth Metthews, staat daarentegen al jaren in de aandacht en is aardig ingeburgerd geraakt in het Nederlandse onderwijssysteem.

Het Centrum Kinderfilosofie Nederland bestaat bijvoorbeeld al sinds 1989. Het grote verschil met filosoferen is dat het bij theologiseren ’expliciet gaat om de wisselwerking met godsdienstige thema’s met als kern de omgang en verbondenheid van God en mensen’, schrijft Kuindersma.

Geloofsoverdracht is van alle tijden. Wat is het verschil met kindertheologie?

„De kunst bij kindertheologie is om zo geduldig te zijn dat het wederkerig wordt”, zegt hoofdredacteur van Praktische Theologie Evert Jonker. „Volwassenen hebben zich in de geloofsoverdracht te lang als alwetend opgesteld. Terwijl het geloven voor iedereen een learning thing is. Religie wordt, zoals Kierkegaard dat zegt, gedetermineerd en bepaald door het leven. Het is geen vaste voorraad die je kunt overhevelen naar een kind. In een volwassene die zegt: zo is het en niet anders, schuilt ook veel onzekerheid en angst. Terwijl kinderen volwassenen zoveel kunnen leren. Ouders zijn vaak verkrampt in hun geloofsoverdracht. Ze twijfelen of ze genoeg bagage hebben. Kinderen kunnen hen uit die kramp halen. Kinderen hebben een gretigheid om te horen wat mensen zeggen en denken. Door kinderen zie je dingen vaak alsof je ze voor het eerst ziet. Ze kunnen zelfs door hun onbevangen blik een bijdrage leveren aan de theologie als wetenschap.”

De Zwitserse godsdienstpedagoog Anton Bucher zei ongeveer hetzelfde. Hij ontdekte in 1992 dat kinderen niet alleen indringende vragen kunnen stellen over God, dood, recht en onrecht, maar dat ze ook graag zelf over die vragen willen nadenken en in gesprek gaan, schrijft Kuindersma over Bucher in Praktische Theologie. Kinderen komen volgens Bucher vaak tot zinnige redenaties en mogen daarom best theologen worden genoemd. Lekentheologen.

Kuindersma: „Jonge kinderen verkeren, zoals de Franse filosoof Ricoeur dat noemt, in de fase van de eerste naïviteit.” Dat wil zeggen dat kinderen onbevangen omgaan met de godsdienstige werkelijkheid en de godsdienstige verhalen en symbolen letterlijk nemen. Daarna groeien kinderen in de fase van tweede naïviteit. Daarin worden verhalen en symbolen steeds figuurlijker genomen.

Bucher vindt dat kinderen die eerste naïviteit gewoon moeten doorleven, dat ze dat nodig hebben om een eigen, godsdienstig denken te kunnen creëren. Met goede begeleiding is dat mogelijk. Je moet er als ouder niet meteen teveel kennis in willen pompen. Vele godsdienstpedagogen waren dat aanvankelijk niet met Bucher eens en vonden dat kinderen daarmee opzettelijk onwetend en in een primitieve gedachtenwereld worden vastgehouden.

Maar ook Jonker stelt dat volwassenen juist veel van kinderen en hun eerste naïviteit kunnen ontvangen. „Jezus zegt in de Bijbel dat we moeten geloven als een kind. Dat betekent niet dat je naïef moet zijn of dat je een offer moet doen voor je verstand, maar dat je het geloof onbevangen tegemoet moet treden, zoals kinderen dat doen.”

Theologiegesprekjes met kinderen zijn meestal maar kort en ontstaan vaak op onverwachte momenten, vertelt Jonker. Volgens de hoogleraar is een bedding van geloofsriten zoals het (voor-)lezen van verhalen, zingen van liederen en het vieren van geloofsfeesten daarvoor essentieel. Die geven vaak aanleiding voor vragen. Dan vraagt een kind ineens: Mam, waarom heeft Jezus twee vaders: Jozef en God? Of: Hoe zien engelen eruit? En: waarom kon Jona ademhalen in de vis? Er zijn ook de zogeheten trage vragen, over dood, onrecht, dank en verwondering, zegt Jonker. „Die vragen om een time-out. Daar moet je even voor gaan zitten.’’

Maar wat doe je dan als volwassene? Wat zeg je zonder te snel te antwoorden, maar toch wat mee wil geven van de eigen geloofsbeleving?

Volgens Jonker is die worsteling van ouders zeer herkenbaar in de huidige cultuur. In Praktische Theologie schrijft hij hierover: „Theologiseren komt op in een cultuur, waarin religie is losgeraakt van de vaste kaders en de vanzelfsprekende geldigheid van de overkoepelende verhalen. Thema en functie van religie zijn weliswaar gericht op de menswording van de enkeling, maar individualisering, de-traditionalisering en de-institutionalisering brengen vaak vanwege het pluralisme juist zwijgen over levensvragen met zich mee. In deze cultuuranalyse past het christelijke opvoeders om samen met een kind al theologiserend te zoeken naar wat coram deo (voor Gods aangezicht) in de veelstemmige wirwar van posities van betekenis kan zijn voor hun beider leven.’’

Kindertheologie is dus niet alleen een vraag stellen en kinderen laten antwoorden. Jonker: „Je moet als volwassene ook bereid zijn om met een eigen antwoord te komen. Al zeg je maar dat je het een moeilijke vraag vindt. Dan is het pas wederkerig. Tijdens het lezen van een bijbelverhaal kun je even stoppen en kinderen vragen hoe zij zelf denken dat het afloopt. Daarna lees je de afloop voor en vraag je wat ze daarvan vinden, of ze het een goede afloop vinden. Zo wek je hun verbeelding op, maar vertelt tegelijk de afloop en wat jij daar zelf van vindt.”

Maakt kindertheologie je tot een andere gelovige?

„Ik had als kind heel mooie gedachten over God, vond ikzelf, maar daar werd mij nooit naar gevraagd’’, herinnert Jonker zich. „Ik hoorde eens het verhaal over Jezus die een bezetene opzoekt die op het kerkhof woont. Als kind in het vooroorlogse Friesland stelde ik me voor dat de bezetene woonde in de schijtfabriek, een fabriek waar vroeger wc-tonnetjes werden geleegd, een smerige plek. Maar het intrigeerde me dat Jezus er blijkbaar niet vies van was. Ik kan nog steeds terugvoelen hoe ik toen was. Ik was een blij gelovig kind. Ik denk weleens dat ik toen geloviger was dan nu. Ik weet niet of ik anders was gaan geloven als me wel naar mijn geloofsbeelden was gevraagd, maar ik had wel meer het gevoel gehad dat mijn mening en gevoel gehonoreerd werden.’’

Bovendien, zegt Jonker, breng je door een kind daarin te erkennen, een essentieel godsbeeld over, namelijk dat ’de enkeling in haar of zijn unieke situatie genadig aanvaard wordt door God’.

iMeer informatie over kindertheologie op www.praktische-theologie.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden