Mailen met Arnon Grunberg

„Een schrijver heeft het recht en misschien zelfs de plicht zich te uiten over het werk van een collega, zeker als hij meent dat er gezien de ontvangst iets recht te zetten is.”

Voor Arnon Yasha Yves Grunberg was 2007 een krankzinnig jaar. Niet dat de voorgaande jaren niet krankzinnig waren, maar dit was wellicht krankzinniger dan andere. Het leek wel of Grunberg alom aanwezig was. Hij schreef zijn talrijke columns in kranten en weekbladen, reisde vanuit zijn woonplaats New York de wereld rond, werkte als kamerjongen in een Beiers hotel, zocht de vaderlandse troepen op in Afghanistan en publiceerde ’Omdat ik u begeer’, een bundel brieven aan bekende en onbekende adressanten die om die brieven geenszins gevraagd hadden – en van wie een aantal prompt in woede ontstak. Bovendien regende het nominaties en prijzen voor zijn roman ’Tirza’.

„Ik heb weinig tijd”, vatte hij zijn situatie monter samen, toen ik een afspraak met hem wilde maken voor een interview. Daarom werd afgesproken om het interview via de mail te laten plaatsvinden. Die digitale correspondentie – we kennen elkaar al lang, er wordt getutoyeerd – begon op de ochtend van maandag 5 november, de dag dat de AKO Literatuurprijs werd uitgereikt na afloop van een diner op Paleis ’t Loo. Kort tevoren had Grunberg een polemiek gevoerd met A.F.Th. van der Heijden over diens roman ’MIM’ en optreden in de televisietalkshow ’Pauw & Witteman’. Die pennenstrijd was zo hoog opgelopen, dat Van der Heijden weigerde om te dineren in dezelfde ruimte als Grunberg. Toen ik hem vroeg of hij zich verantwoordelijk achtte voor de ontstane situatie, flitste de mail:

„Een schrijver heeft het recht en misschien zelfs de plicht zich te uiten over het werk van een collega, zeker als hij meent dat er gezien de ontvangst iets recht te zetten is.”

Je staat daarmee in de oer-Hollandse traditie van Multatuli, Du Perron, Hermans en Komrij. Het is vooral je stijl die als choquerend wordt ervaren. Vind jij dat je in een polemiek een bepaalde beschaving in acht moet nemen?

„Als men niet op de inhoud wil ingaan, is er altijd nog wel de stijl of de vorm om de aandacht van de inhoud af te leiden. Ik vind sommige boeken choquerend. Mijn antwoorden op sommige van die boeken zijn, hoewel gericht aan de schrijver zelf, zakelijk. Ik beperk me tot het boek zelf, citeer uitvoerig en voer argumenten aan waarom iets niets deugt. Niemand wordt voor NSB’er uitgemaakt, bevolkingsgroepen worden niet gedegradeerd tot ’geitenneukers’, geen enkele persoon wordt bedreigd. Ik roep niet dat collega’s in concentratiekampen dienen te worden doodgeknuppeld, zoals de grote Reve deed. In een enkel geval heb ik me om de geestelijke gezondheid van een collega zorgen gemaakt. Niet geheel ten onrechte, zoals later is gebleken.”

„In het debat om de vreemdeling in Nederland, ook wel het islamdebat genaamd, is onder de strijdkreet van vrijheid van meningsuiting alles geoorloofd. Ook kreten die zelfs het Vlaams Belang te ver zouden gaan. Maar in de literatuur dien je over het werk van collega’s beschaafd te zwijgen. Althans in het openbaar. In het café mag je natuurlijk alles zeggen.

Dat noem ik provinciaalse decadentie, een waarlijk teken van verval.”

Van der Heijden vond dat jij ’pure gier als drukinkt leverde’ en hem tegenover zijn zoon typeerde als paranoïde gek die rijp is voor dwangbehandeling in de Valerius Kliniek. ’Door mijn gezin in zijn filippica’s te betrekken’, schreef Van der Heijden, ’overschrijdt Grunberg een grens, waar voorbij ik hem niet wens te volgen. Met literaire polemiek heeft zulke reutelende gierspuiterij niets te maken – wel alles met epistolaire huisvredebreuk van de meest achterbakse soort.’

„In zijn stuk noemt de heer Van der Heijden zijn zoon met naam en toenaam, over huisvredebreuk gesproken. Als we zijn definitie serieus nemen, dan zou een negatieve recensie over zijn autobiografische boek over zijn vader als huisvredebreuk kunnen worden uitgelicht. Ook zou elke recensie die hem niet aanstaat als hufterig kunnen worden bestempeld.”

„Een verantwoordelijke burger kan en moet een medeburger in nood dwangbehandeling adviseren. Dat die medeburger toevallig een collega is, doet daar weinig aan af. Ik heb enkele van mijn vriendinnen psychiatrische behandeling aangeraden, zij hebben die raad veelal opgevolgd en er veel baat bij gehad. Iemand die paranoïde is zal elk advies, hoe goedbedoeld ook, als een vernietigende aanval uitleggen. Dit is tragisch.”

In een brief aan je moeder in ’Omdat ik u begeer’ typeer je jezelf als een engel der wrake: ’Ik kan me verweren, en als ik val, zal ik velen meesleuren. Ik ben er beter aan toe dan menigeen, want ik heb om me heen gekeken en me aangepast aan de omstandigheden. Mensen hebben geen recht op geluk. Mensen hebben recht op pijn. Ik zie mezelf als een engel die de mensen dat moet geven waar ze recht op hebben. Een witte engel, mama.’ Je houdt je aan geen enkele andere afspraak ’dan de deadline’ en gebruikt intieme details over je ex-vriendinnen voor je openbare brieven. Vind je dat geen moreel probleem?

„Ik denk dat iedereen inderdaad recht op pijn heeft. Maar laat me dit toelichten. De ervaring niet naar het leven te worden gestaan kan mentaal gezien levensbedreigend zijn. Dit is een van mijn conclusies na twee keer in Afghanistan te zijn geweest en na diverse gesprekken met militairen daar.”

„Ik denk dat het tornen aan afspraken in literair opzicht uitstekend is. En vaak ook zeer noodzakelijk. In het dagelijks leven hecht ik aan voorkomendheid en beleefdheid. Maar ook daar geldt dat je bedacht moet zijn op de noodtoestand. En daar gelden dan weer heel andere regels. Wie dan vasthoudt aan bestaande afspraken handelt misschien wel immoreel.”

„Mijn brieven zijn niet voor niets openbaar. Dus of de betrokkenen ze willen ontvangen, ik weet het niet. Onderschat de menselijke ijdelheid niet. Een brief is vaak toch beter dan geen brief. Met de meeste van mijn ex-vriendinnen heb ik nog wel contact, zij het niet altijd even intensief. Slechts een enkeling is geheel uit mijn leven verbannen, dat is voor de betrokkene eerder een zegen dan een straf. Laat ik volstaan te zeggen dat een van de werktitels van mijn brievenboek luidde: Eigenlijk ben ik een warm en lief mens.”

Kort na deze mail – in de week nadat de AKO Literatuurprijs was toegekend aan ’Het schervengericht’ van A.F.Th. van der Heijden – publiceerde Grunberg een artikel in De Morgen waarin hij aankondigde voortaan te zwijgen over zijn collega’s. ’Aangezien ik voor assimilatie ben, zal ik mij aanpassen aan de zeden van de Nederlandse literatuur.’ Tot slot schreef hij: ’Ik trek een cordon sanitaire om de Nederlandse literatuur, opdat het nog lang gezellig kan blijven in de literatuur.’

Waarom ben je nu voorstander van assimilatie? Toch niet omdat zoveel rumoer ontstond over je brieven aan en over Van der Heijden?

„De discussie is geen moment over ’MIM’ gegaan maar voornamelijk over de vraag of je wel mocht zeggen wat ik had gezegd. Het antwoord was ontkennend. Bovendien zijn mijn motieven in twijfel getrokken. Ik weet niet hoe ik nog een opinie zou kunnen geven over een boek van een collega die niet bij voorbaat verdacht is, omdat mijn naam eronder staat. Ik ben voor assimilatie omdat assimilatie een effectieve overlevingsstrategie is. Zwijgen en afwezigheid zijn beide symptomen van beleefdheid. Ik ben ook voor beleefdheid.”

Maar je hebt je toch nooit iets aangetrokken van wat je ’mag’ zeggen?

„Ik trek me niets aan van wat ik zou mogen zeggen, hoewel ik me evenmin op het standpunt stel dat alles gezegd zou mogen worden onder het mom van vrijheid van meningsuiting. Ik trek me wel iets aan van de effectiviteit van wat ik zeg.”

„In een land waar romankunst wordt afgehandeld in een programma als van ’Pauw & Witteman’ en waar zulk weinig historisch besef heerst en dedain voor de feiten is innere Emigration een respectabele oplossing. Ik schrijf liever over Afghanistan. Die stukken worden tenminste met ernst en aandacht op het ministerie van defensie gelezen.”

Je romans lijken ook steeds minder autobiografisch te worden. De wereld treedt erin binnen. Heeft dat te maken met de ’ondraaglijke gezelligheid’ die je voelt in je vaderland?

„Op een gegeven moment ben je uitgeschreven over jezelf, zoals je op een gegeven moment bent uitgeschreven over Renate Dorrestein, A.F.Th. van der Heijden en Marcel Möring. Dat het ondraaglijk gezellig zal worden in die literatuur is alleen een afspiegeling van Nederland zelf, waar georganiseerde gezelligheid fungeert als glazuurlaagje op het ressentiment, de rancune en ordinaire vreemdelingenhaat.”

Zijn je romans ook steeds beter geworden?

„Als ik zou denken dat mijn romans minder worden, zou ik ermee ophouden en iets anders gaan doen.”

Zoek je de vooruitgang ook in nieuwe ervaringen? Afgelopen jaar werkte je undercover in een Beiers hotel en ging je op reis naar Afghanistan. Acht je het je taak om het publiek wakker te schudden en te laten zien hoe het werkelijk is gesteld met ’Salam Aleikum’, Neerlands missie van Vrede & Veiligheid in Afghanistan?

„Die missies behoren vaak tot de gelukkigste momenten in mijn leven. En mensen wakker schudden? Nee, dat lukt toch niet. Maar laten zien hoe het werkelijk is, ja, dat is een belangrijke ambitie van me.”

Wil je met je boeken een steen in de vijver werpen, óók in de Hofvijver?

„De Hofvijver interesseert me niet. Ik heb niet het idee dat ik met mijn romans of met een stuk over Afghanistan in de wereld iets wezenlijks kan veranderen. Als je dat denkt, gaat het ten koste van je werk. Wie gelooft in verandering is ook minder geïnteresseerd in hoe het werkelijk is.”

„Maar ik sluit niet uit dat mijn woorden meer impact hebben dan ik nu denk. Dat is dan een gedachte die mij bij het schrijven alleen maar hinderlijk lijkt.”

Je mailde eerder dat je boeken steeds beter worden. Speelt originaliteit daarbij een grote rol? Zoals je weet hebben we het zogenaamde postmodernisme al weer achter ons, waarin werd beweerd dat alle verhalen in feite al zijn verteld.

„Originaliteit is een breed en vaag begrip. Ik geloof niet dat je van jezelf kunt beweren dat je origineel bent. Het idee dat alle verhalen verteld zouden zijn, lijkt me volledige onzin. Zodra een maatschappij begint te desintegreren, kun je zo’n bewering niet langer volhouden. Het is een gratuite bewering, gedaan door iemand die zich niet kan voorstellen dat een ander hem ooit naar het leven zal staan.”

Ik begrijp dat er voor jou dus altijd veel te vertellen zal blijven – dat verklaart ten dele je ongekende productiviteit. Leg jij een ijzeren discipline aan de dag, of schrijf je sneller dan God kan denken?

„Productiviteit? Discipline. Dat heb je ook nodig als je Wimbledon wilt winnen of in het leger acties moet volbrengen. Toen ik de tweede keer naar Afghanistan ging, mailde iemand me: ’Live to write another day’. Ik dacht: waarom anders? Maar vervolgens dacht ik hoe ik het mijn petekind zou moeten uitleggen dat hij me nooit meer ging zien. Omdat ik dacht dat ik voor mijn werk naar Afghanistan moest. Dat gaat niet. Aan militairen daar die kinderen hebben heb ik gevraagd: ’Als je doodgaat, zou je het dan erger vinden dat je je vrouw nooit meer ziet of dat je je kinderen nooit meer ziet?’ Daarop kwam geen antwoord. Misschien was het een stomme vraag, maar toch had ik een antwoord verwacht.”

Eerder had je het over gelezen worden, en de invloed die daarvan uit kan gaan. Hoe onderga je je groeiende status als dé schrijver van je generatie? We weten hoe Harry Mulisch omgaat met zijn benoeming tot ’De Grote Eén’ – heeft status invloed op jouw schrijverschap?

„Een gedeelte van mijn werk, en zeker ook een gedeelte van mijn leven, gaat over de weerzin samen te vallen met het beeld dat je omgeving op je geprojecteerd heeft. Ik vond dat al benauwend toen ik 13 was en dat vind ik nog steeds. Als ik zeg dat ik in zo’n hotel in Beieren gelukkig was, dan is dat zeer gemeend. Wat een bevrijding even een andere rol te kunnen vervullen. Het verworden tot Publieke Schrijver is een directe bedreiging voor het werk. Ik ben bezig te ontsnappen en vooralsnog lig ik voor op mijn achtervolgers.”

„De keuze die Harry Mulisch heeft gemaakt, zou ik niet maken. Maar daar voeg ik aan toe dat im Nachhinein alles een doordachte keuze lijkt, terwijl omstandigheden ook een rol spelen. Sommige mensen voelen zich oprecht vereerd en spelen gaarne een publieke rol. Het is niet dat ik niet ijdel zou zijn, integendeel. Wat voorlezen en vraagjes beantwoorden in een zaaltje is, mits het niet te vaak gebeurt, goed te doen. Maar de rest?”

Ja, de rest, hoe onderga je die? Wil je daaraan voorgoed ontsnappen?

„Ik onderga, de zeldzame malen dat ik aan den lijve ondervond hoe een publieke figuur zich moet voelen, die behandeling als een ont-menselijking. Als iets zeer onaangenaams. En beschamends. Ik herinner me dat ik me tijdens de Librisprijs 2007 vooral geschaamd heb. En die won ik, dus dat heeft niets met verliezen en winnen te maken.”

„Zodra openbaarheid niet is gebaseerd op werkelijke interesse en nieuwsgierigheid, is die iets smerigs. Smeriger dan een bordeel, hoewel een bordeel niet eens smerig hoeft te zijn. Dus, om je vraag te beantwoorden: ik hoop te ontsnappen aan de ideeën van anderen over mij, positief of negatief, en misschien ook wel aan mijn eigen ideeën over mezelf.

Dat was het aardige van Afghanistan. Je denkt: dit en dit ben ik, dit en dit kan ik, dit en dit wil ik en dit niet. En dan kom je daar en dan blijkt er maar weinig van te kloppen. Dat noem ik verfrissend.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden