Magritte # Brussel # Surrealisme

Dichters staan er niet om bekend dat ze graag een wapen hanteren om elkaar vervolgens neer te schieten. Ze schrijven hun afkeer liever van zich af, eerder dan de daad bij het woord te voegen. Die mening is ook het Brusselse stadsbestuur toegedaan. In wat ooit de hoofdstad van het surrealisme was - althans dat is de dubieuze claim van de stad - maakt een grote bronzen plaquette op de hoek van Karel Bulsstraat en de Brouwersstraat melding van de gewelddadige botsing tussen Arthur Rimbaud en Paul Verlaine op 10 juli 1873.

De spraakmakende voorlopers van het surrealisme waren Parijs ontvlucht en tijdelijk in België neergestreken. Wat de precieze oorzaak ook geweest moge zijn, op zeker moment trok Verlaine zijn revolver en schoot zijn beste vriend neer. Niet dodelijk - uiteindelijk bleken de verwondingen mee te vallen - maar het leidde er wel toe dat de dader door zijn vriend werd aangegeven en voor twee jaar in de cel verdween.

Dit macabere feit is één van de hoogtepunten op een door de Brusselse VVV uitgezette wandeling langs allerlei plekken waar de surrealisten hun stempel op de stad hebben gezet. Wanneer je deze feiten als zoete koek slikt, lijkt het alsof het surrealisme in de Belgische hoofdstad een echte beweging was. Maar de geschiedenis bewijst iets anders. Immers, niet in Brussel maar in Parijs schreef Breton zijn drie manifesten en daar ook legde hij de theoretische basis voor de beweging die in Brussel beperkt zou blijven tot een lokaal verschijnsel.

De opzet van de surrealisme-wandeling is vooral bedoeld om een achtergrond te bieden voor de net geopende Magritte-tentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, die met vele honderden werken ook de nodige toeristen naar België zal trekken. Wie wat met Magritte denkt te hebben, wil ook graag zien waar hij zijn pintje dronk - in 'Le petit Rouge', thans de GoGo-bar geheten, een zaak waar niets meer aan de jaren vijftig doet denken, net zoals het schaakcafé de Greenwich zijn artistieke karakter heeft verloren - waar hij woonde en werkte, zo is de gedachtegang.

Het is jammer dat Magritte met Brussel als zodanig niet veel had. Zoals omgekeerd ook de stad met haar beroemdste schilder al even weinig lijkt te hebben. Magritte, in 1898 in het Henegouwse Lessen geboren, heeft sinds 1917 in Brussel gewoond. Zij het met onderbrekingen; zo zat hij geruime tijd in Londen, een periode die nogal onderbelicht is gebleven. In 1930 woonde Magritte in de voorstad Jette (in het uiterste noorden, in de schaduw van het koninklijk paleis in Laken), waar hij in de Essegemstraat op no. 135 schilderde. Zevenentwintig jaar later toog hij naar Schaarbeek, waar hij in de Mimosastraat 97 terechtkwam. De stad, die pas laat het belang van dergelijke woonhuizen voor de cultuurgeschiedenis besefte, is onlangs begonnen met de restauratie van het huis in de Essegemstraat - wat op den duur tot openstelling van een klein museum moet leiden. De voltooiing van de restauratie laat voorlopig nog op zich wachten. Officieel heet het nu dat het huis op 1 januari van het volgend jaar open moet gaan. Dan is 'het jaar van het surrealisme' al lang en breed afgelopen.

Dat surrealisme-jaar mag dan weliswaar met de tentoonstelling worden ingeluid, het uitgebreide randprogramma komt pas in de loop van de maanden maart en april echt op gang. Veel valt er nu nog niet te zien, al hebben winkels hier en daar wel een object uit Magritte's schilderijen of een reproductie in de etalage gezet. Brussel heeft, zoals gezegd, kennelijk niet veel op met Magritte. Dat is vooral spijtig voor de organisatoren van de tentoonstelling die met een monsterpresentatie hoog inzetten. De catalogus telt niet minder dan 500 nummers, waarbij nog een fikse stapel gedrukte documenten komt, die een beetje liefhebber natuurlijk allemaal wil doornemen.

Maar ook hier schaadt de overdaad: het is een tentoonstelling geworden waar je door de enorme berg aan werken en stukken niet doorkomt. Een presentatie ook waar je na afloop van moet zeggen dat ze de kunstenaar au fond geen goed doet. Magritte zal zelf nimmer zo'n groot overzicht van zijn werk hebben gezien, anders was hij wel tot de conclusie gekomen dat hij sommige onderwerpen wel erg vaak afgekloven heeft. Het is dezelfde monotonie die vorig jaar optrad bij de grote overzichtstentoonstelling van Paul Delvaux: het streven zo compleet mogelijk te zijn, brengt tekortkomingen schrijnend aan het licht. En dan te bedenken dat er sprake zal zijn van een drieluik, na Delvaux en Magritte staat James Ensor voor 1999 op het programma, met alweer een allesomvattend overzicht.

Net als Delvaux werkte Magritte met een groot aantal terugkerende thema's. Is Delvaux de schilder van de nachtelijke stadsgezichten, de naakte jongevrouwen koel als een zeemeermin, de levende en acterende skeletten, de trams die langs een nachtelijk kustlandschap rijden - bij Magritte loopt een man met bolhoed rond, zie je sappige appels als kamervullend beeld, stijgen duiven op in steen of wolk, vliegen vissen als sigaar rond, poseren levend geworden meubels in bevallige houdingen, zeilen rotsblokken als ballons door het uitspansel. En dat alles heel getrouw naar de natuur geschilderd, ofwel 'veristisch' zoals ze in België zeggen - wat weer verwarrend is, omdat het verisme een stroming voor de Tweede Wereldoorlog in Italië was, niet verwant aan het surrealisme.

Juist die realistische benadering heeft ervoor gezorgd dat Magritte eindeloos geïnterpreteerd is. In elke biografie, in elke catalogus wordt een poging ondernomen om het verschijnsel van de bolhoed, de appel, de vogels en de vissen, de rotsmuren en de belletjes, de torsen en de maanlandschappen te verklaren. Omdat Magritte zich niet hield aan de officiële symbolentaal van de surrealisten - Bretons opvattingen reikten immers niet tot Brussel - maar zijn eigen taal uitvond, is de verwarring nog altijd groot.

Magritte wordt in één adem genoemd met Salvador Dali, maar de schilders hebben natuurlijk niets met elkaar gemeen. Dali hanteerde geheel andere symbolen (het wegsmeltende horloge bijvoorbeeld, paarden op eng dunne beentjes, doodshoofden) die een literaire pendant hebben - zie zijn gebruik van de beelden uit de Tuin van Bomarzo.

Bij Magritte is geen sprake van literaire referenties; wie hem wil interpreteren moet wel zijn biografie goed kennen. Neem een beroemd schilderij als 'De minnaars', duidelijk een echtpaar waarvan de hoofden door een doek versluierd zijn. Het doek lijkt uit te nodigen tot een symbolische duiding, maar de werkelijkheid is anders. Niets geen droombeelden of visioenen, maar de harde werkelijkheid gaf Magritte inspiratie tot het steeds laten terugkeren van dit onderwerp. In dit schilderij verwerkte hij een persoonlijk drama dat hem op jonge leeftijd overkwam: de zelfmoord van zijn moeder, die zich in de Samber verdronk. Dat gebeurde in 1912, toen hij nog geen veertien jaar oud was. De vrouw werd pas na drie weken gevonden. Om het ergste onzichtbaar te maken werd haar gezicht met een doek bedekt. Desondanks gaf de aanblik van het omsluierde hoofd de jonge Magritte een shock die hem zijn hele leven zou bijblijven.

Het schilderij 'De minnaar' dateert uit 1928 toen Magritte al een aantal jaren schilderde, maar nog maar kort in surrealistische stijl. Hij maakte binnen een jaar twee versies van de voorstelling: één in een omlijsting van een theater, waarbij de achtergrond een abstract-groene vorm aanneemt, de tweede gesitueerd in een (arcadisch) landschap. In de eerste versie kussen de man en vrouw elkaar onder hun gelaatsdoeken, in de tweede staan ze schouder aan schouder.

Het is tekenend dat Magritte dit onderwerp zo snel in zijn surrealistische stijl koos. Tot 1924-'25 had hij net als Willink in 'moderne' stijl geschilderd. Invloed van het kubisme, of, zoals bij Magritte vaker voorkwam, van totale abstractie is onmiskenbaar. In de kubistische stijl werd het beeld keer op keer gefragmenteerd, of à la Léger uit losse elementen opgebouwd. Ook kon Magritte met de kleur de vorm bepalen, zoals dat onder andere bij de Russische en de Franse abstracten (Larionov, Delauney) het geval was. De overgang naar het realisme kwam vrij abrupt: opeens zweven de belletjes door de vrije ruimte, poseren de als schaakstukken opgebouwde torsen in een woestijnachtige ruimte. In 1926 verschijnt de eerste bolhoedman, op de rug gezien, zoals hij dat zo vaak zou doen: het eerste zelfportret.

Zelf heeft Magritte aan de eindeloze duiding van zijn werk weinig waarde gehecht. Hij deed ook niet veel moeite om tekst en uitleg te geven. Typerend is de verklaring die hij in 1966, dus kort voor zijn dood, gaf: “Men vraagt zich vaak af wat in mijn schilderkunst verborgen ligt. Niets! Ik schilder zichtbare beelden die iets onbegrijpelijks oproepen. . . Maar natuurlijk kan ik de mensen niet verhinderen mijn doeken te interpreteren. Als ze liever proberen door de muren te lopen in plaats van door de deur, wat wilt u dat ik daaraan doe ?”

Wanneer je Magritte losweekt van alle symbolische interpretaties, dan zie je in zijn werk een schilder die intensief over het leven nadenkt. Hij schildert zaken die levensbepalend zijn. Opvallend is zijn sterke preoccupatie met de dood. Dat gegeven wordt altijd in verband gebracht met de aanwezigheid van marmer en rotsgesteente in zijn voorstellingen, zoals hij op het einde van zijn leven de landschappen van een marmeren, dat wil zeggen harde en ongenaakbare balkonrand ging voorzien. Het afscheid van het leven wordt daarmee een algemeen thema, voortdurend tijdens het leven aanwezig, zoals hij zelf al op jonge leeftijd had moeten ervaren.

Deze benadering is kenmerkend voor Magritte. Hij verwerkte zijn persoonlijke ervaringen in beelden die het persoonlijke overstijgen, beelden met een algemenere geldingskracht. Hij beschouwde zijn schilderijen “als materiële tekens van de vrijheid van denken”. De kunst van het schilderen maakte het hem naar eigen zeggen mogelijk om “tot zichtbare poëtische beelden te komen”.

Magritte was in de eerste plaats een denker en bedenker. Eerder een conceptueel schilder dan een surrealist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden