Magisch koffertje als katalysator

interview | In de serie De Schepping vertellen kunstenaars hoe hun werk tot stand komt. Vandaag auteur Jaap Scholten. Hij maakte met zijn boek 'Horizon City' een literaire documentaire over opkomst en ondergang van de Twentse grootindustriëlen.

Waar nu de tafels zijn gedekt en het espressoapparaat slurpt, daar zwoegden vroeger de arbeiders van machinebouwer Stork. Het is geen toeval dat we juist in deze tot visrestaurant omgebouwde loods in Amsterdam-Noord, schrijver Jaap Scholten ontmoeten. Scholten (Enschede, 1963) publiceerde onlangs zijn boek 'Horizon City' waarin hij de familiegeschiedenis van onder meer Stork, zijn moeders familie, én zijn vaders familie, de textielfamilie Scholten, optekent. Twentse grootindustriëlen, maar met een wereldse blik. Pioniers waren het. Een boek waardig, uitgegeven door de kleine maar dappere uitgeverij AFdH. Uit Enschede, natuurlijk. Natuurlijk, want het is in Enschede en omgeving waar een belangwekkend deel van dit boek zich voltrekt. Eind 2012 kreeg de in Boedapest wonende schrijver (zijn vrouw is half Hongaars) een stewardessenkoffertje in handen gedrukt, met daarin een schat aan archiefmateriaal over zijn voorouders: brieven, dagboeken, foto's, glasnegatieven, testamenten. Hij móest ermee aan de slag, zoveel was duidelijk. Een helse klus, maar Scholten zette door. Ondanks hartproblemen. Nee: dankzij hartproblemen.

Toen u dat koffertje met archiefmateriaal onder ogen kreeg wist u onmiddellijk: hier móet ik over schrijven. Wat maakte dat u dat direct wist?

"Als ik heel eerlijk ben besefte ik niet meteen wat voor goudmijn het was. Ik kon nog zoveel dingen niet goed plaatsen. Ongeveer tegelijkertijd met het moment waarop ik het koffertje kreeg, vroeg museum Twentse Welle mij een tentoonstelling te maken over de Twentse fabrikantenfamilies Scholten en Stork. Mijn oorspronkelijke idee was om een klein boekje te maken met tien familieportretten. Dat is een stevig boek geworden. Ik wilde er eerst fictie van maken, ik was al begonnen om het als een roman op te schrijven, maar toen ik daarmee bezig was, dacht ik: nee, dit klopt niet. Voorvaders en -moeders hebben zulke goede brieven en dagboeken achtergelaten dat het als oplichterij voelde die te gebruiken zonder de naam van diegene die het schreef. Fictie is natuurlijk een rare fabrikage, een soort afspraak met de lezer. Aanvankelijk had ik de brieven van CT Stork gebruikt onder de naam Dupont, maar ik vond dat dat niet kon. Ik heb er een literaire documentaire van gemaakt. Dat bleek precies de juiste vorm. Vanaf dat moment heb ik als een razende gewerkt."

Uw uitgever verklapte dat het allemaal niet vanzelf ging. Waar stuitte u gedurende de rit op?

"Op mijn gezondheid vooral. Op 16 oktober 2013 heb ik in Nederland een hartoperatie ondergaan. Bij terugkomst in Boedapest ging ik een paar keer bijna tegen de vlakte. Ik wist direct dat het mis was, het voelde niet goed. Mijn vrouw merkte dat en zocht contact met een bevriende Hongaarse cardioloog. Die stuurde mij per ambulance met loeiende sirene en zwaailicht naar de intensive care. Het ging uiteindelijk goed, maar het werd me duidelijk dat ik werkelijk rustig aan moest gaan doen. Ik was een gewaarschuwd man. Ik mocht niet vliegen, ik mocht eigenlijk niks. Alleen stilzitten. Dus schrijven kon ik wel. Ik moest ook schrijven, ik zat zo met al die verhalen in mijn hoofd, dat moest op papier en wel meteen. Maandenlang heb ik mezelf opgesloten. Ik maakte dagen van vijf uur 's ochtends tot elf uur 's avonds. Ik heb nog nooit zó hard en geconcentreerd gewerkt als schrijver. Het gebeurde wel dat ik om drie uur 's nachts wakker werd, puur door het bewustzijn dat ik nog zoveel werk had te verzetten. Zoveel te vertellen. Dan stond ik om vier uur op, douchen en schrijven. In drie maanden tijd heb ik deze 480 pagina's geschreven, soms wel vijftien pagina's per dag. Als een krankzinnige heb ik gewerkt."

Dat is niet rustig aan doen.

"Als ik schrijf zit ik in een soort cockpit, op zo'n ergonomische stoel, dus dat was goed te doen. Ik mocht me fysiek niet belasten, daar heb ik mij aan gehouden. Ik vond de toon om hierover te schrijven, de toon en de vorm. Ik heb me volledig opgesloten in het boek, ik heb gedurende die hele periode twee keer iets sociaals gedaan."

Had u er wel plezier in?

"Als schrijver ben je, ik tenminste, ook vaak niét productief. Vaak zit je tegen iets aan te hikken, je zet nog eens een kop koffie, eet een boterham. Het schiet allemaal niet op. Maar als het lekker gaat, als je zó als een speer schrijft, is dat heerlijk. Als een wild paard ging ik voort, in vliegende galop. En tegelijkertijd kon ik er wel met enige afstand naar kijken. Dat was ook nodig, want ik moest ook schrappen. Ik was in staat tot rigoureus schrappen. De tijd tot de opening van de tentoonstelling zat me op de hielen. Ik verkeerde drie maanden lang in een intensieve lucide toestand. Volgens mij had ik vier ingrediënten nodig voor deze schepping: het magische koffertje, de opdracht van het museum en vooral de daaraan gekoppelde deadline van de openingsdatum, het ter beschikking stellen van researcher Chris Brand door datzelfde museum én die hartoperatie, die me een huisarrest oplegde, waarvan ik begreep dat ik me eraan te houden had wilde ik niet dood op de stoep vallen."

Dit portret van Twentse grootindustriëlen overstijgt het regionale. Waar zit hem dat in?

"Die hele geschiedenis van Twente hangt rechtstreeks samen met de wereldgeschiedenis. De opkomst van Twente dankte het aan de onafhankelijkheid van België, de ondergang van de industrie kwam door de onafhankelijkheid van Indonesië. Die industrie, zowel de textiel als de machinebouw was internationaal. De Enschedese stadsbrand van 1862, was het startpunt van de snelle opkomst van Enschede. De brand woedde precies ten tijde van de burgeroorlog in de VS. Daardoor kon er vanuit Amerika geen katoen geleverd worden aan de textielfabrieken. Dat kwam gek genoeg nog goed uit ook: doordat de boel stillag was dat een uitgelezen moment om te vernieuwen. Zo kon de regio uitgroeien tot een waar powerhouse en werd Twente, na Lancaster, de grootste textielproducent ter wereld. Vandaar werd met de hele wereld handel gedreven. Stork bouwde suikerfabrieken in Cuba, Iran, Indië en Ethiopië. In Ethiopië lopen nog hele reeksen afstammelingen van de Hengelose fabrieksjongens rond die daar eens per jaar de hele fabriek kwamen reviseren. In Iran staat en draait nog altijd de grootste suikerfabriek ter wereld. Gebouwd door mijn voorvaderen. Daar ben ik wel trots op, hoor."

Als niet-grootindustrieel...

"Nee, maar ik doe het wél in het klein. Naast het schrijven run ik een bedrijfje in textiel, waar nu indirect ongeveer honderd mensen hun dagelijks brood door verdienen."

Dus toch!

"Je moet je er niet zo heel veel bij voorstellen, hoor. We laten bijvoorbeeld handdoeken maken in Turkije en ik vind het wel grappig dat we nu ook met een bikinilijn komen. Pelso gaat die heten, de oude benaming van het Balatonmeer. Het opzetten van een bedrijf in textiel is uit idealisme geboren. Het scheppen van werkgelegenheid vind ik ongelooflijk belangrijk. En ja, die liefde voor textiel zit kennelijk diep geworteld bij mij."

Ontdekte u nog meer over uzelf tijdens het hele proces?

"Dat clangevoel dat ik in het boek beschrijf, dat zit ook in mij, dat vond ik echt een ontdekking. En die drang tot scheppen, dat bouwen. Die pioniersgeest, daar was ik me niet eens zo van bewust. In het klein herhaal ik wat mijn voorvaderen deden. Ik ben altijd wel ergens aan het bouwen. In Hongarije heb ik bijvoorbeeld bossen aangeplant. De liefde voor de natuur vond ik overal terug in het voorgeslacht. Mooi ook om te ontdekken dat er veel lui in mijn familie hebben gezeten met een hoop energie. Ik geloof dat ik dat ook wel heb, een soort rustige energie."

U ontdekte in uw boek nog iets, namelijk dat veel Nederlandse industriële pioniers dezelfde religieuze achtergrond hebben. Heeft u daar een verklaring voor?

"Ja, het is markant, en het was een ontdekking voor mij. Net als in de Zaanstreek, met Verkade, Heijn, Duyvis, Bruynzeel, en in Amsterdam met Van Eeghen, Van Lennep en Hope waren in Twente het leeuwendeel van de eerste grondleggers van de industrie menisten, doopsgezind. Dat waren vrijzinnige, onafhankelijke en creatieve denkers met tegelijkertijd een grote discipline. De VPRO is mede door menisten opgericht. Vergeet ook niet dat menisten in de zestiende eeuw zeventig jaar lang zijn vervolgd. Onthoofd, verbrand, opgehangen, levend begraven. Dat gevoel van: alleen met je eigen groep ben je zeker, zit er diep in. Die vervolging in de zestiende eeuw suist nog na, zit opgeslagen in de genen, daar ben ik van overtuigd. Ze konden als minderheid goed van elkaar op aan en dat is belangrijk in zaken. De grote eigen verantwoordelijkheid die bij het individu werd gelegd en de onafhankelijkheid van denken maakte de doopsgezinden tot goede ondernemers. Die pioniersgeest maakte het schrijven van dit boek ook romantisch. Die oude industrie, die grote hallen hier achter ons, dat trekt mij enorm."

Is het nu ook mogelijk dat in Nederland zich een dergelijke industriële revolutie voltrekt?

"Ik ben een groot voorstander van een nieuwe industriële revolutie in Nederland en denk ook dat dat mogelijk is. Rond Eindhoven zie je het al gebeuren met al die designbedrijven. Of neem de game-industrie in Amsterdam. Zelfs Enschede doet weer mee met het nanolab en alle start-ups daaromheen. Waar het vroeger ging om meters maken, gaat het nu om creativiteit. Je moet dus centra maken waar heel veel creatieve mensen samenkomen, centers of excellence. Dat is de taak van overheden: daar de beste omstandigheden en randvoorwaarden voor te scheppen. Maar dat er op een bepaalde plaats op een bepaald moment iets moois ontstaat is vaker het gevolg van een fout of vergissing. In Boedapest strijken nu veel internationale kunstenaars neer omdat de atelierruimtes tot de goedkoopste in Europa behoren. Puur doordat er zoveel onduidelijkheid is over eigendomsrechten. Een probleem leidt mysterieus genoeg vaak tot het ontstaan van iets moois en onverwachts."

'Horizon City', Jaap Scholten. Uitgeverij AFdH, Enschede. 480 bladzijden.euro 25,00

Tentoonstelling TwentseWelle

Naast het boek Horizon City is er ook een tentoonstelling met die naam, in het Museum TwentseWelle te Enschede. Daar is onder meer het stewardessenkoffertje te zien, waar het archiefmateriaal in zat dat Scholten verleidde tot dit project. De expositie, opgezet door Scholten zelf in samenwerking met kunstenaar Rommert Boonstra, loopt nog tot 22 maart 2015.

Wie is Jaap Scholten?

Jaap Scholten (Enschede, 1963) groeide op in een Twents fabrikantenmilieu. Zijn vaderskant runde de textiel, zijn moederskant zat in de machinebouw. Scholten studeerde Industriële Vormgeving aan de Technische Universiteit in Delft, Grafische Vormgeving aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam en sociale antropologie aan de Central European University in Boedapest, waar hij nu ruim tien jaar woont en werkt. Zijn eerste boek met verhalen verscheen bij uitgeverij Thomas Rap, waar Scholten nog enige tijd zelf werkzaam was. Zowel zijn romans 'Tachtig', als 'Morgenster' haalden de longlist voor de AKO Literatuur Prijs, respectievelijk in 1995 en in 2000. In 2011 won Scholten de Libris Geschiedenis Prijs voor 'Kameraad Baron', een boek dat ook op de shortlist stond voor de Bob den Uyl Prijs.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden