Mag Peter Handke een steen gooien ?

Dit katern is gewijd aan reacties op het verslag van de Oostenrijkse schrijver Peter Handke van zijn winterse reis door Servië: 'Gerechtigheid voor Servië'. (Letter & Geest 3 en 10 februari) Op de volgende pagina's een gesprek met een Nenad Fiser ('Joegoslaaf')en Predrag Dojcinovië ('post-Joegoslaaf'): 'Hoe kun je gerechtigheid bereiken met een verhaal dat argumenten en feiten mist?' En een gesprek met Handke-vertaler Hans Hom: 'Daarom dus die lange zinnen'. Op deze pagina een overzicht van de felle, de hatelijke, de welgezinde en de niksige reacties op Handke's winterreis, van Frankfurter Allgemeine Zeitung en Le Monde tot NRC Handelsblad, van Der Spiegel tot De Groene.

WIM BOEVINK

De grondtoon van die reacties was afwijzend tot vijandig, want het reisverslag oversteeg de gebruikelijke grenzen van het genre, klom van achter de schutting van de literatuur vandaan en belandde in de tuin van de journalistiek, waar men op zulke indringers niet zit te wachten.

In de commentaren komt dat tot uiting, in de trant van: had Handke zich maar tot zijn reisbeschrijving beperkt, dan zou er geen haan naar hebben gekraaid. De Neue Zürcher Zeitung schreef op 20 januari dat Handke zich had moeten concentreren op de schildering van alledag van de Servische burgers, van hun zorgen en behoeften. “Ach, had onze dichter dat maar gedaan. Niemand zou verontwaardigd geweest zijn, geen lezer zou een bezwaar hebben gemaakt.” En de Volkskrant schreef op 9 februari: “Het best is Handke als hij zich beweegt op zijn oude terrein.”

Maar Handke hield zich niet aan de regels. En dus kwam er geloei en hoon. Zeer zelden honoreerde men Handke's verzoek om bedenkelijkheid. Handke mocht dan de hem toegemeten literaire ruimte hebben verlaten, van zijn critici waren maar weinigen bereid de jarenoude, door de media vastgehamerde cliché's te laten varen en zich open te stellen voor een tekst die zich aanbood als een weldadige ogenwassing.

Wat had Peter Handke eigenlijk misdaan? Hij had het gewaagd zich als niet-deskundige (dat wil zeggen als tamelijk gemiddelde krantelezer en televisiekijker) kritisch uit te laten over de eenzijdige weergave van de oorlog op de Balkan en over het even eenzijdige militante engagement van nogal wat vooraanstaande intellectuelen. Niet alleen was hem daarbij opgevallen dat al sinds het begin van het conflict viereneenhalf jaar geleden de kaarten geschud waren en de rollen verdeeld. Ook had hij zich toenemend gestoord aan de welhaast drammerige herhaling van de vastgelegde vertelpatronen, waarbij de Serviërs onveranderlijk de booswichten speelden en de Kroaten de slachtoffers. Men zou kunnen zeggen dat Handke rebelleerde tegen die systematische ontwrichting van onze waarneming - niet alleen door luid tegen de protagonisten ervan te protesteren, maar bovenal door zijn poëtische denken dat de blik van vooroordelen wilde bevrijden.

Maar Handke oogstte iets heel anders dan wat hij zaaide. In Italië (Corriere della Sera), in Frankrijk (Le Monde, Libération), in Spanje (El Mundo) en in talloze kranten in Duitsland registreerde men de schokgolven die van Handke's tekst uitgingen. In Nederland, waar de Balkan-berichtgeving altijd in evenwichtigheid had uitgeblonken, werd het stuk nauwelijks waargenomen, zelfs niet nadat Trouw het Handke-verslag op drie en tien februari integraal over in totaal acht pagina's publiceerde (hetgeen elders in Europa alleen in een Sloveense krant in Ljubljana was gebeurd).

In de Volkskrant (22 januari) selekteerde Wil Hansen een enkel citaat van Handke om de zwakte van diens bewijsvoering aan te tonen. Later (9 februari) besprak Hansen het inmiddels als boek verschenen verslag en noemde het een 'onevenwichtig geschrift'. Het Parool (6 februari) liet het bij een oppervlakkige weergave van de controverse om Handke en het weekblad De Groene (7 februari - Aart Brouwer) deed de tekst in een vijf-minuten-columnpje af als een 'litanie van nonsens'. Aan de zich op een wel erg eenzaam niveau bewegende kwaliteitskrant NRC Handelsblad ging het hele debat compleet voorbij. Bij de verschijning van de boekvorm beperkte de krant zich (9 februari) tot een ondermaatse bespreking van Anneriek de Jong, die meer iets van een haat-artikel dan van een faire beoordeling had. Handke werd er smalend 'de goeroe van de Nieuwe Gevoeligheid' genoemd en zelfs diens afkomst werd gebruikt om hem te discrediteren: '...Handke die verstand van Joegoslavië meent te hebben omdat hij een Sloveense grootvader had...'

Zulke haatartikelen waren eerder ook al in Duitsland verschenen - vooral in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ), die niet toevallig door Anneriek de Jong werd aangehaald. De FAZ was één van de bladen (naast het weekblad Der Spiegel en het dagblad Le Monde) die het bij Handke moest ontgelden als 'het centrale Europese Serviërsvretersblad'.

In de FAZ was daarop literatuurchef Gustav Seibt tegen Handke van leer getrokken. Seibt presteerde het om Handke's verslag een zweem van nationaal-socialistisch denken mee te geven. De oorlog, zo insinueerde Seibt, en het isolement waarin Servië is beland, levert voor Handke een werkelijkheid op waarin de dingen nog echte dingen zijn, in een bucolisch landschap dat aan de poëtische verlangens van de schrijver voldoet. Zoiets, aldus Seibt, had men ook in het Duitsland van 1941 aan kunnen treffen. Uit de kitsch van Handke spreekt 'een waan van oorlog en Blut und Boden'. Om aan te geven op welk niveau de FAZ zich begaf, zij opgemerkt dat naast het artikel van Seibt een foto van Handke was geplaatst, zittend aan zijn werktafel met daarop een tafellamp. Het snerende onderschrift luidde: “Waar lampen lampen zijn: Peter Handke in de werkelijkheid.”

Even infaam en onder de gordel was de reactie van de filmmaker Marcel Ophüls, die in 1988 een Oscar kreeg voor 'Hotel Terminus', een portret van nazi-misdadiger Klaus Barbie. In een interview met alweer de FAZ (31 januari) wees Ophüls er fijntjes op dat de door Handke aangevallen 'nieuwe' filosofen (Alain Finkielkraut, Bernard-Henry Lévy en André Glucksmann) en andere Franse intellectuelen die zich voor Sarajewo hebben ingezet, overwegend joden zijn en dat Handke zijn Servië-vriendschap deelt met wijlen François Mitterrand, die in de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met het Vichy-bewind. Het stond er niet, maar de suggestie was gemaakt: Handke en het antisemitisme, liggen die twee wel zo ver uiteen?

Ook in Der Spiegel (15 januari) dook de gelijkstelling Servië = Nazi-Duitsland op, allereerst in een artikel van de Berlijnse schrijver Peter Schneider, een generatiegenoot van Handke, die zich al jaren verbolgen getoond heeft over de agressie van de Serviërs en had opgeroepen tot militaire wraakacties van de Navo. De door Handke opgeroepen twijfel over de aanstichter van de Balkan-oorlog ('Was degene die een oorlog provoceerde dezelfde als hij die hem begon?'), pareerde Schneider met de opmerking: “Zoals bekend hebben bijna alle agressors in de geschiedenis, Hitler niet in de laatste plaats, zogenaamd slechts op een provocatie gereageerd.”

De parallel verscheen opnieuw in Der Spiegel van 5 februari, waarin nogmaals met Handke werd afgerekend. Handke's Servië-reis werd hier gelegd naast het verslag van een reis die de Zwitserse schrijver Max Frisch in 1935 door Duitsland maakte. Dat verslag verscheen destijds in vier delen in de Neue Zürcher Zeitung en was uitdrukking van Frisch' “dankbare liefde voor het Duitse land.” Vrienden wisten Frisch er toen nog van te overtuigen dat de Duitsers de stille literatuur prefereerden boven de propaganda, maar - aldus Der Spiegel - zo argeloos als Handke was Frisch toch niet. In één moeite door werd Handke ook in de traditie geplaatst van al die Europese intellectuelen die zich in de jaren dertig in Stalins Sovjet-Unie wilden laten overweldigen door de verworvenheden van het communisme.

Er bestaat ook nog een andere wijze om het gevaar-Handke te neutraliseren. In Le Monde van 19 januari liet Luc Rosenzweig onder de titel 'Handke, pro-servisch advocaat' een soort psycho-analytische duiding op Handke's tekst los. Ook hij voerde eerst de riskante avonturen van een André Gide in de Sovjet-Unie en een Roland Barthes in China op en talloze anderen die “zich lieten fascineren door de exotische charme van dictaturen” maar stelde dat “Handke, die zijn klassiekers kende, die valstrik heeft willen vermijden”. Rosenzweig herkende iets heel anders: “Over de tekst van Handke ligt het parfum van een 'Bildungsreise' op z'n Duits, waarin de auteur meer op zoek is naar zichzelf dan dat hij de moeite neemt de uiterlijke werkelijkheid te beschrijven.” En toen Rosenzweig vervolgens las dat Handke Servië als een reusachtige kamer voor weeskinderen onderging, lag zijn conclusie klaar: “Aan de oever van de Drina, die Servië van Bosnië scheidt en die hij niet zou kunnen oversteken, zoekt Handke vergeefs naar een platte steen om hem tot aan de overkant over het water te laten ketsen. Het gebaar van een weeskind, niet van een advocaat.”

Handke op zoek naar zijn verloren moeder, zijn verloren Sloveense grootvader wellicht? Elders resteerde voor Handke enkel nog hoon. Voor zijn aanval op de media beloonde Der Spiegel hem met de titel 'De wreker van Chaville' (Chaville heet het voorstadje van Parijs waar Handke woont) en ook Peter Schneider spande zich in om Handke belachelijk te maken: “Eindelijk iemand die opstaat uit zijn televisiefauteuil en zich met niets anders dan het blote oog gewapend tegen de reusachtige overmacht van elektronisch uitgeruste camera-ogen op weg begeeft en enkel op zijn eigen ooggetuigeschap vertrouwend - één man tegen de rest van de wereld!”

Handke - men zou het bijna niet meer geloven - heeft ook nog een paar verdedigers. Bijval kreeg hij uit eigen land, van het Oostenrijkse tijdschrift Profil. Daarin schreef Christian Seiler op 15 januari: “Handke sorteert mogelijkheden, bekent zich tot zijn onzekerheid, en toont zich verontwaardigd over de verontwaardiging van al diegenen die zich niet de tijd nemen zelf onzeker te zijn.”

Steun kwam ook van Andreas Kilb in het weekblad Die Zeit van 19 januari. Hij schreef: “Handke schrijft noch een oorlogsverslag noch een anti-oorlogsverslag, maar hij beschrijft beelden, die er óók nog zijn, voorbij aan de oorlog en aan de beelden in ons hoofd. En zo krijgt hij zelfs daar waar hij zich vergist nog gelijk tegenover de troosteloze gelijkhebberij van een Peter Schneider, die van een tekst alleen wil weten wat iedereen al weet.”

Op dezelfde dag (19 januari) noteerde de publicist Willi Winkler in de Berlijnse Tageszeitung: “Uit louter onthullings- en brandmerkingsijver ontgaat Schneider en de zijnen dat Handke in het geheel niet de vraag naar de schuld van de oorlog opnieuw opwerpt en bijvoorbeeld de Serviërs vrijpleit. Hij vraagt uitsluitend en alleen om de genade van het precieze kijken.”

Tegenover deze Willi Winkler kwam Peter Handke, beduusd door de heftigheid van de reacties, in Die Zeit (2 februari) nogmaals aan het woord. Op de uitval van André Glucksmann dat “Handke een gekwelde geest is die als zodanig anderen moet bijten”, antwoordde Handke: “Ik weet niet wat hem bezield heeft. Mij kwam het debiel voor zoals hij reageerde en zo snel als hij gereageerd heeft. Hij moet het werk eerst eens lezen. In de Corriere della Sera verscheen al een dag na de publicatie van het eerste deel in de Süddeutsche Zeitung zijn koortsachtige weerwoord.” En Handke vervolgde: “Mijn tekst is woord voor woord een vredestekst. Wie dat niet ziet, kan niet lezen. Het valt te begrijpen dat de mensen in Bosnië elkaar haten. Maar het is absoluut onnodig dat onze intellectuelen zich daartussen storten en mee-haten. Ik ben absoluut niet op weg gegaan om mee te haten.”

Glucksmann had Handke in de Corriere della Sera van 6 januari een 'monomane terrorist' genoemd: “In zijn leven als schrijver heeft hij altijd de positie ingenomen van verzet tegen het in Oostenrijk heersende denken. Vaak heeft hij gelijk gehad, vooral toen hij zijn land verweet dat het niet met het eigen nazisme had afgerekend. Maar Handke is langzaam aan versteend in zijn positie en zo kan het gebeuren dat hij in de verkeerde richting marcheert. Dat is een dwaling zoals die van de breinen van de Baader-Meinhof- terroristen.”

De vijandschap die zijn verslag oogstte bracht Handke in het gesprek met Winkler tot de uitroep: “Hoe is het mogelijk dat men het zo leest? Ik heb bij mijzelf gedacht, ik moet het voorlezen.” Dus gaat Handke met zijn verslag de boer op, op lezingenreis die hem via Hamburg, Frankfurt en München naar Wenen, Klagenfurt en Ljubljana zal voeren. In het weekblad Die Wochenpost van 8 februari schreef hoofdredacteur Jürgen Busche daarop: “Daar speelt de schrijver met de hoop van de vertwijfelde dat men bij het luisteren een tekst minder snel kan ontwijken als bij het lezen, dat eerder een selektieve waarneming toelaat.” Busche schoot Handke te hulp, verdedigde diens poëtische denken tegenover het alomheersende politieke denken. “Hij (Handke) is niet overgelopen naar het vak van de hoofdredactionele commentaarschrijver of naar dat van buitenlandverslaggever. Is het verkeerd ook eens van een poëtische - en polemische - en altijd weer poëtische tekst te hopen dat ze werkt als een vredestekst?”

Of in de woorden van de eerder genoemde Andreas Kilb:

“En wat ziet een dichter? Details. Bijzaken. Randbeelden. Die hebben we nodig: voor de tijd na de oorlog.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden