Made in China komt vaak uit Toscane

Een Chinese immigrant wordt tijdens een politie-inval in haar naaiatelier in Prato ondervraagd. De stad telt ruimt tweeduizend van deze ateliers. (FOTO NADIA SHIRA COHEN, NYT/HH)Beeld NADIA SHIRA COHEN / New York Tim

In Prato, een middelgrote stad in Toscane, werken zo’n 50.000 Chinezen in de kledingindustrie. Veel van dit ’Made in Italy’ is illegaal, maar de burgemeester kan er niet veel tegen ondernemen. „De situatie is uit de hand gelopen. We hebben het zwaar onderschat.”

Industrieterrein Marcolotto heeft een Italiaanse naam en ligt aan de rand van het Toscaanse Prato, maar er is niets Italiaans aan. In bedrijfspand na bedrijfspand zitten Chinese groothandels. Borden wijzen er de weg naar ’Hengli Moda’ en ’Style Fashion’.

Honderden Chinese ondernemers doen hier allemaal hetzelfde: ze maken en verkopen goedkope kleren. En dat doen ze op enorme schaal: de Chinezen van Prato zijn in staat om per dag een miljoen kledingstukken te produceren. Legaal is dat allemaal niet. Om Marcolotto hangt een zweem van zwart werk, uitbuiting van illegalen en belastingontduiking.

De ene na de andere Italiaanse, Franse en Duitse kledinghandelaar rijdt het industrieterrein op. Ze parkeren hun busjes voor de groothandels en laden hun voertuigen vol grijze winterjassen, wollen gilets met bont en zwarte broeken – alles supermodieus.

In de verte rijdt een busje met Nederlands nummerbord voorbij. Een Hongaar rolt een kledingrek met groene rokken naar buiten en legt die in zijn kleine vrachtwagen. Zijn naam wil hij niet zeggen, wel waarom hij helemaal uit Hongarije hierheen is komen rijden. „De kleren zijn goed en goedkoop. Voor een rok betaal je 3 euro, voor een spijkerbroek 5. Facturen? Soms wel, soms niet”, glimlacht hij, terwijl hij de deuren van zijn vrachtwagen sluit. De Hongaar rekent erop ongestoord de landsgrenzen over te komen en rijdt weg.

Binnen wikkelt zijn leverancier een dik pak bankbiljetten van vijftig euro in een krant. Vriendelijk ontwijkt hij een gesprek: No Italiano.

Prato – een charmante middeleeuwse stad met 187.000 inwoners – is binnen Europa uniek: in het hart van Toscane zit de grootste concentratie Chinese bedrijven van het continent.

De Aziaten hebben een eigen industrie op weten te zetten. De zeshonderd groothandels importeren hun stoffen voornamelijk uit China; het naaien van de kleren wordt uitbesteed aan de ruim tweeduizend naaiateliers in de stad. Daar werken duizenden illegale landgenoten zestien uur per dag, zeven dagen per week. Het zijn ook de Chinezen die stoffen verven en ritsen en knopen maken. De winterjassen, truien en rokjes gaan wel de deur uit met het prestigieuze label ’Made in Italy’ erin genaaid.

„We hebben het over slavernij en over een illegaliteit die zich steeds verder verspreidt. De situatie is uit de hand gelopen”, zegt burgemeester Roberto Cenni.

De eerste Chinezen streken hier begin jaren negentig neer. De lokale fabrikanten van stoffen en garen, die de stad haar faam van hoogstaand textielcentrum gaven, konden de goedkope buitenlandse mankracht best gebruiken. Maar de immigranten vonden snel een niche in de markt en begonnen zich toe te leggen op de zogenoemde pronto moda, de ’kant-en-klare mode’. Silvia Pieraccini, een lokale journaliste, heeft het boek ’De Chinese belegering’ over de immigranten in haar stad geschreven. Zij weet wat de sleutel tot hun succes is geweest. „De Chinezen hier zijn snel. Een fabriek in China heeft een paar maanden nodig om modieuze, goedkope kleding te maken en op de Europese markt te brengen. In Prato doen ze daar een paar weken over. Hier produceren ze ’Made in Italy’ voor Chinese prijzen, mede dankzij zwart werk en belastingontduiking. Prato bevindt zich bovendien midden in hun afzetgebied: Europa, Noord-Afrika, het Midden-Oosten.”

Niemand weet precies hoeveel Chinezen er tegenwoordig in Prato wonen, maar de politie schat hun aantal op 50.000. Zo’n 18.000 immigranten leven er legaal, de rest heeft geen verblijfsvergunning. De laatste jaren komen de illegalen naar Italië gevlogen op een toeristenvisum voor drie maanden en gaan vervolgens niet meer weg. Wanneer ze worden opgepakt door de politie krijgen ze te horen dat ze het land moeten verlaten, wat vervolgens slechts één op de tien daadwerkelijk doet.

Sinds 2001 is het aantal in Prato geregistreerde Italiaanse textielbedrijven met de helft gedaald, tot net onder de 3.000. Volgens Silvia Pieraccini zijn er nu circa 3.400 bedrijven met Chinese eigenaren. Terwijl de Italiaanse fabrikanten van stoffen en garen het zwaar hebben vanwege de moordende concurrentie uit China, breidt de industrie van Chinese makelij in eigen huis – met al haar zwarte kanten – gestaag verder uit.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Burgemeester Cenni zucht. „We hebben het fenomeen zwaar onderschat. We zagen in het begin wel dat veel Chinezen zich niet aan de regels hielden, maar we dachten ’Dat gaat wel over, ze begrijpen nog niet precies wat je in Italië wel en niet mag doen’.” De tolerantie werd ook in de hand gewerkt door het feit dat Italianen zelf over het algemeen niet al te veel ontzag voor de wet hebben, en bovendien niet uitblinken in het controleren of iedereen zich aan de wet houdt. Veel inwoners van Prato deden en doen bovendien zaken met de Chinezen door aan hen bedrijfspanden, magazijnen en woonruimte te verhuren. „Het is ongelooflijk, maar alle instanties hebben vele, vele, vele jaren de andere kant op gekeken. Die deden net alsof er niets aan de hand was”, zegt Silvia Pieraccini. „En de booming business kwam velen goed van pas.” Veelzeggend is het juridische onderzoek dat nu naar elf politiemensen loopt. Ze worden verdacht van corruptie: in ruil voor geld zorgden ze voor verblijfsvergunningen en tipten ze Chinezen over ophanden zijnde controles.

De tolerantie en onverschilligheid is inmiddels veranderd in verzet tegen de Aziatische immigranten en in een groeiend besef dat de situatie te zeer uit de hand is gelopen.

In Prato balen ze ervan dat de Chinezen het imago van het ’Made in Italy’ aantasten, en zich massaal in de stadswijk rondom de Via Pistoiese hebben gevestigd. In de anderhalve kilometer lange straat met lage pastelkleurige huizen, vlak buiten de middeleeuwse stadsmuur, is bijna geen Italiaan te zien. Chinezen rijden er rond op hun fietsen, doen boodschappen bij de Chinese supermarkten, laten zich knippen door Chinese kappers. Rond lunchtijd stijgt er een kruidige geur op uit de eettentjes. In de zijstraten zitten de naaiateliers, in garage-achtige ruimten, verscholen achter dichtgeplakte ramen en deuren.

Bruno Gualtieri woont sinds 1980 in de Via Pistoiese. „Dit is geen Chinatown, dit is alsof je in China zelf bent”, verzucht Gualtieri in een van de weinige cafés die nog in Italiaanse handen zijn. Hij is de voorzitter van een buurtcomité dat probeert te vechten tegen wat Gualtieri ’de invasie van barbaren’ noemt. „Chinezen spugen op straat. En dan de herrie ’s nachts! Wij Italianen, die wel op normale tijden werken, kunnen niet meer slapen. De Chinezen laden en lossen hun waar ’s nachts, hun bars zijn open.”

Sommige Chinezen erkennen dat er problemen zijn. Ze hebben het over de gebrekkige kennis van het Italiaans van veel landgenoten, en over het gebrek aan integratie. Zo is bijvoorbeeld maar één Chinese ondernemer lid van de plaatselijke Vereniging van Industriëlen.

Kejian Jiang is een jonge zakenman die in een zwarte Mercedes door de Via Pistoiese rijdt. Hij blijft vaag over zijn werk, maar spreekt goed Italiaans. „Er zou veel meer dialoog en vriendschap tussen hen en ons moeten zijn”, vindt hij. Jiang vindt ook dat de illegale kanten van de pronto moda ontoelaatbaar zijn, maar haalt zijn schouders op over andere kritiek. „Er zijn veel Italiaanse modebedrijven die Chinese stoffen importeren en labels met ’Made in Italy’ in hun kleren naaien. Wat is dan het verschil met wat onze ondernemers doen? Ik zie het verschil niet.” De immigranten uit de Aziatische volksrepubliek doen Prato ook goed. „Wij laten de economie draaien. Wij geven veel geld uit. We huren huizen, we kopen panden. Kijk eens in een willekeurige supermarkt hoeveel Chinezen daar wel niet boodschappen doen. Wij zijn een economisch voordeel”, meent Jiang.

Burgemeester Cenni is het daar niet helemaal mee eens. Hij heeft niets tegen Chinese bedrijvigheid – sterker nog: hij is zelf een ondernemer uit de modesector met commerciële banden met China. Een van de modebedrijven van de holding waarin hij aandelen heeft, Sasch genaamd, produceert gedeeltelijk in China. Roberto Cenni is vorig jaar gekozen om orde op zaken te stellen. Want de onvrede onder de kiezers heeft voor een politieke aardverschuiving gezorgd. Toscane en deze stad zijn traditioneel links, maar voor het eerst in zes decennia huist er nu een centrum-rechtse burgemeester in het Palazzo comunale.

Cenni heeft een prachtig kantoor, met antieke fresco’s op het plafond, en zit zich daar zorgen te maken over de criminaliteit waarmee de pronto moda gepaard gaat. Hij heeft het zelfs over georganiseerde misdaad. „De wijdverbreide illegaliteit is helaas niet de som van afzonderlijke illegale activiteiten, maar van een georganiseerd, illegaal systeem. De problematiek hier is net als die van andere criminele organisaties. De pronto moda wordt gebruikt om geld in te investeren en wit te wassen. De mode is in dit geval een middel, zoals in andere steden drugs of prostitutie dat zijn.” De burgemeester heeft toestemming van Rome gekregen om twintig extra politiemensen aan te trekken (hij had er om vijftig gevraagd) en heeft het aantal bedrijfscontroles opgevoerd.

Niet zo lang geleden, op een zonnige ochtend stapt een taskforce – bestaande uit politie, brandweer, Guardia di Finanza en gezondheidsdienst – een naaiatelier binnen. In de magazijnachtige ruimte staan een paar Chinese vrouwen te strijken, omgeven door stapels kleren in plastic zakken. Een politieagente maakt een zak open, trekt er een wollen trui uit en bekijkt die aan alle kanten. ’Made in P.R.C.’, gemaakt in de Chinese Volksrepubliek, staat er op het label. Haar collega vindt een rol labels met ’Made in Italy’ erop. „Het ziet er naar uit dat de labels werden omgewisseld. Dat is tegen de wet”, zegt politiecommandante Lina Iervisa. „Verzegel de boel maar.” Ze wijst op de strijkbouten en twee naaimachines. Het hele pand wordt onderzocht. Overal liggen grote stapels kleding, in een hoek staan rekken met wollen jurken en vesten. Dan staat de commandante peinzend stil voor een houten wandmeubel. Een politieman trekt de deurtjes open en ontdekt achter het meubel een lege ruimte van een paar vierkante meter groot. „Daar kunnen de clandestini zich verstoppen”, stelt Iervisa vast.

Volgens burgemeester Cenni zijn de controles buitengewoon nuttig: „In mei 2010 hadden we 154 bedrijven gecontroleerd. 154 bedrijven zijn gesloten, geconfisqueerd. En dat gebeurt alleen als daar een hele reeks ernstige overtredingen wordt gepleegd.”

Maar met extra politiecontrole alleen komen ze er in Prato niet. Hoe het probleem dan wél aan te pakken, daar worstelt de gemeenteraad nog mee. De burgemeester vestigt zijn hoop ook op de Chinese kinderen, die op school Italiaans leren, en op een verdrag tussen Italië en China waardoor illegalen makkelijker kunnen worden uitgezet. Bovendien droomt hij van meer commerciële samenwerking tussen de Chinezen en de Italianen: als de pronto moda stoffen op de lokale markt zou kopen in plaats van te importeren, zouden de economie van Prato en de kwaliteit van de kleren er enorm op vooruit gaan. „Onze situatie is uniek binnen Europa”, meent Cenni. „Onze stad kan als laboratorium dienen; we kunnen hier zoeken naar de beste oplossing. Want wat in Prato is gebeurd, kan in de toekomst overal in Europa gebeuren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden