Review

Machten die ons te boven en te buiten gaan

In de jaren zeventig en tachtig heeft het woord 'verbeelding', dat al sinds de Romantiek tot het literairkritische jargon behoort, een kleine opleving in het gebruik meegemaakt. De schrijvers rond het tijdschrift De Revisor, zoals Frans Kellendonk, en de critici die met hen sympathiseerden, zoals Carel Peeters, spraken graag over literatuur als een vorm van onderzoek van de werkelijkheid door middel van de verbeelding.

Het proza van de verbeelding stond in die dagen haaks op het realisme, dat welig tierde en dat zijn beste verdediger vond in de persoon van Maarten 't Hart. Ik geloof dat die richtingenstrijd nu alweer lang verleden tijd is en dat het woord 'verbeelding' in onbruik is geraakt. Hoewel, er zijn tekenen die erop wijzen dat de overmaat aan autobiografische of realistische romans en verhalen menigeen zorgen baart en doet verlangen naar meer fictie.

De essayist Piet Meeuse, tien jaar lang redacteur geweest van De Revisor, is de verbeelding trouw gebleven. In zijn vierde essaybundel, 'Oud nieuws', gebruikt hij het woord vele malen en in verbindingen die er niet om liegen: ,,de gloeiende smidse van de verbeelding', ,,de goddelijke kunst van de verbeelding'. Bij hem is de verbeelding de drijvende kracht van de literatuur, en niet alleen van de literatuur maar van het menselijk leven, door alle eeuwen en culturen heen.

Het is dan ook niet toevallig dat hij zijn boek begint met een beschouwing over 'De Openbaring van Johannes', die wonderbaarlijke reeks visioenen, die niet meer is weg te denken uit onze cultuur en nog altijd verwerkt wordt in literatuur. Johannes van Patmos is een van de invloedrijkste schrijvers van de laatste tweeduizend jaar, vindt Meeuse: ,,een feit is dat dit verhitte bijbelboek, met zijn angstaanjagende dynamiek van rampspoed, vernietiging en hemelse glorie ons blijkbaar nog altijd achtervolgt: het wil maar geen geschiedenis worden. Daaraan herken je de vitaliteit van een mythologie die ook na tweeduizend jaar niet is uitgeput.'

Vestdijk heeft de mythe eens omschreven als ,,het meest algemene waar toe wij in een persoonlijke verhouding staan' en die formulering verklaart waarom mythische verhalen ook in de moderne verbeelding nog zo dikwijls meespelen. De meest invloedrijke mythe, althans voor de literaire verbeelding, is de bijbelse scheppingsmythe, waarin God de wereld schept door het Woord. In de loop van de tijd is de verteller van verhalen zich de god gaan voelen van een wereld die hij door middel van de taal schept.

In die wereld van het verhaal is Meeuse niet, zoals veel mensen, op zoek naar herkenning en aan hem is dus elke vorm van alledaags realisme niet besteed. Hij wil verbaasd staan, fantastische dingen meemaken, geconfronteerd worden ,,met het onbekende, met onmenselijke machten die ons te boven en te buiten gaan', want dat beschouwt hij als een van de oerfuncties van verhalen. In de geschiedenis van het vertellen tot op de dag van vandaag spelen die aanvankelijke vormen van het magische ritueel en de mythe mee.

Harry Mulisch voert Meeuse met graagte op als een schrijver voor wie het schrijven zelf de toegang is tot het mysterie van de transcendentie. Nu de godsdienst is weggevallen, moeten de schrijvers de taak overnemen en door middel van hun geest of verbeelding inzicht verschaffen in 'het Andere'. Mulisch heeft het schrijven wel vergeleken met een tocht naar de onderwereld of het onbewuste.

Het boeiendste nieuws blijkt oud nieuws te zijn: mythologie, verhalen die Meeuse een beetje verwarrend 'sterke verhalen' noemt. Dat zijn verhalen waarin de handeling het belangrijkste is en de personages geen individuen zijn, maar typen. In 'De vertellingen van duizend en een nacht' ziet hij zo'n omvangrijk snoer van sterke verhalen ,,vol betoveringen, bedreigingen, sprekende dieren, geweld, wreedheid, lust, tederheid en list'. Bovendien worden deze verhalen verteld, zoals men weet, om onder een doodvonnis uit te komen. Het vertellen zelf is het thema van de vertellingen, in laatste instantie. Het is een vitale kracht die het kan opnemen tegen de dood. Zolang er nog verteld wordt, is er hoop, en is de verteller verbonden met de luisteraars.

In deze vierde bundel is Meeuse uitgegroeid tot een dynamische essayist, zonder meer een van de beste, die een breed terrein bestrijkt zonder dat daarmee de samenhang tussen zijn stukken uit het oog verdwijnt. Heel het complex van mythe, orale verteltraditie, religie versus kunst, gnosis, hermetica, het scheppende vertellen als verbeelding of zoals hij het noemt 'toegepaste theologie', en al die steeds terugkerende namen van Johannes van Patmos, Jorge Luis Borges, Cervantes, Mulisch, Valéry - dit alles staat na lezing van 'Oud nieuws' meer dan ooit in verband met elkaar.

Het is daarbij een mirakel dat zulke lastige materie zo luchtig en geestig, zo prettig oneerbiedig ook, wordt overgedragen. Wie anders dan Meeuse zou over 'de mythologie van de kunst' kunnen schrijven of over de Tour de France als een moderne heldenmythe of over de droom, de ongrijpbare ervaring opgedaan in de onbewuste wereld van de slaap. Al deze onderwerpen vergen van de essayist behalve kennis ook een persoonlijke omgang met de stof.

De bundel geeft een jeugdervaring prijs die geheel strookt met het oerverlangen naar het sterke verhaal. Meeuse vertelt dat het juist de wonderbaarlijke verhalen uit de Bijbel zijn die hem nu nog het helderst voor de geest staan, zoals die van de ezelin van Bileam die plotseling gaat spreken, Jonas en de walvis, en Jozua die de zon en de maan liet stilstaan. ,,Toen sprak Jozua tot de Here ten dage, waarop de Here de Amorieten aan de Israëlieten overleverde, en hij zeide in tegenwoordigheid van Israël: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon! En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijanden gewroken had.'

Hier wordt de tijd stilgezet met een paar woorden en volgens Meeuse is dat precies wat verhalenvertellers ook willen bereiken met hun verhaal, dat ,,een soort bevel aan de tijd is om stil te staan - opdat er alles uitgehaald kan worden wat erin zit'. De verbeelding, en niet het autobiografische of realistische, is hier aan de macht. 'Oud nieuws' moet ook gelezen worden als pleidooi voor een literatuur van de verbeelding.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden