Opinie

Macht van JP en Bos gaat ten koste van kabinet en Kamer

Op het hoogtepunt van het coalitieconflict over het ontslagrecht, vorig jaar om deze tijd, schaarde premier Balkenende zich op het CDA-congres achter minister van sociale zaken Donner, roepende: ’Donner is van ons’.

Met die uitspraak verloor JP even uit het oog dat hij, ook al verkeert hij onder partijgenoten, altijd ’MP’ blijft, wiens bijzondere taak het is de ploeg van ministers, ongeacht hun politieke kleur, bijeen te houden. Nu lijkt het erop dat vicepremier Bos uit die staatsrechtelijk woeste uitroep de conclusie heeft getrokken: Oké, dan is Vogelaar van mij.

In lijn daarmee ligt dat hij de premier afgelopen zondag meedeelde dat partijvoorzitter Ploumen, fractievoorzitter Hamer en hij hadden geconcludeerd ’dat het wellicht beter zou zijn niet met minister Vogelaar door te gaan’. Hij confronteerde de premier dus met een voldongen feit, terwijl het uit staatsrechtelijk oogpunt zuiver was geweest hem als formateur van de ploeg en als degene die de voordracht tot ontslag aan het staatshoofd moet doen, eerst te consulteren.

Uit deze gang van zaken kan worden opgemaakt dat het kabinet aan zelfstandigheid en zaak van eigen orde inboet en steeds meer begint te lijken op een, in dit geval drieledig verlengstuk van de coalitiepartijen. Deze ontwikkeling wordt in de hand gewerkt door de bijna vanzelfsprekende gewoonte dat lijstaanvoerders tot het kabinet toetreden en daar als koningen van hun eigen koninkrijkje optreden.

De Tweede Kamer wordt in deze constellatie steeds meer bijzaak en steeds minder tegenmacht. Typerend was dat het CDA deze week in de krantenadvertentie naar aanleiding van het overlijden van Norbert Schmelzer nergens vermeldde dat deze politicus Tweede Kamerlid was geweest (laat staan lid van de Eerste Kamer, al was hij dat een blauwe maandag). Hij werd herdacht als staatssecretaris, fractievoorzitter en politiek leider van de KVP en minister.

Balkenende ondertekende de advertentie als eerste, als politiek leider. Daarna volgden partijvoorzitter Van Heeswijk en de fractievoorzitter in de Tweede Kamer Van Geel. Het kan geen kwaad nog eens vast te stellen dat de functie van politiek of partijleider staatsrechtelijk geen betekenis heeft. De aanduiding moet uitsluitend in machtstermen worden gewogen en drukt in de hedendaagse politieke cultuur uit wie er bovenaan de apenrots zetelt.

Deze partijleiderscultuur brengt een democratisch tekort mee. De wijze waarop Vogelaars aftreden is voorbereid, laat dat zien. Het besluit dat zij weg moest, werd genomen door een triumviraat, waarvan de leden Bos, Hamer en Ploumen elk op eigen gezag handelden. In het Kamerdebat verzekerde de vicepremier dat elk van hen daartoe is gemachtigd en bovendien gehouden in het eigen gremium achteraf verantwoording af te leggen. Dat zal best, maar in geen van de geledingen is vooraf vastgesteld dat het vertrouwen in Vogelaar onder het nulpunt was gezakt.

Haar aftreden lijkt nog het meest op de gedwongen aftocht van minister Van Rooy in 1961. Het grote verschil is dat in dat geval de politiek verwante KVP-fractie vooraf (in beslotenheid) uitsprak dat hij moest opstappen. De machtige fractieleider Romme heeft aan die wens nog enkele maanden weerstand geboden, maar na een onthutsend zwak optreden van de minister in de Kamer gaf hij zijn verzet op. Er is nog een niet onbelangrijk verschil.

Een dag na het vertrek van Van Rooy verklaarde waarnemend fractieleider Jan Andriessen in de Kamer, dat in de ogen van zijn fractie Van Rooy ’een zwakke plaats innam in het kabinet, dat hij een zwakke figuur was’. Harde woorden, maar in elk geval eerlijk. Voor iedereen was nu glashelder waarom de KVP tot de pijnlijke ingreep was overgegaan. Het PvdA-triumviraat onder leiding van Bos (daarover geen misverstand) hulde zich in allerlei omzwachtelende termen om het wegwerken van Vogelaar te motiveren.

Zo zei Hamer in de Kamer dat het Vogelaar niet lukte ’alle aspecten van het ministerschap goed uit te oefenen’. Aannemelijk is dat de sociaal-democraten voor omzichtigheid kozen om het voor Vogelaar niet nog pijnlijker te maken, maar pijnlijk was het toch al. Nu versterkte de vaagheid de achterkamersfeer van het besluit en is het gevolg dat er nog lang over de val van de minister en de achtergronden daarvan zal worden doorgepraat en gespeculeerd.

Voor de PvdA geldt wel een verzachtende omstandigheid. De geschiedenis laat zien dat de vervanging van een minister altijd tot gekwetste gevoelens bij de betrokkene leidt. Uit Schmelzers dagboek weten we dat premier De Quay destijds een langdurig en moeizaam gesprek met Van Rooy, nota bene een vriend van hem, moest voeren om hem de harde waarheid onder ogen te doen zien. Hij zei achteraf dat het extra pijnlijk was, ’omdat Van Rooy zelf nog niet erg overtuigd was van zijn tekortkomingen’.

De paradox van de partijleiderscultuur is dat deze de macht van de aanvoerders versterkt, maar niet de macht van het kabinet als zodanig. Veeleer wordt de Trêveszaal het brandpunt en het toneel van partijpolitieke spanningen, conflicten en rivaliteiten. Na de loopgravenoorlog over het ontslagrecht zijn er meer voorbeelden gevolgd, zoals het conflict over de embryoselectie dat door vicepremier Rouvoet werd ontstoken, en onlangs nog het openlijke beklag van Balkenende dat zijn goede werken voor het land, anders dan die van Bos, niet worden opgemerkt.

De democratie is gebaat bij openlijke strijd, zodat voor de volwassen burgers duidelijk wordt welke waarden en belangen in het geding zijn. Maar de slinger gaat steeds meer richting beslotenheid en ophoping van macht bij enkelingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden