Maatwerk voor de korte termijn

Grote nieuwbouwprojecten vallen stil, kantoren staan leeg. Ook in de stad is de krimp voelbaar. Een ramp voor architecten? Juist niet, betogen de schrijvers van 'De flexibele stad'.

Het grote gebaar lukt niet meer, zegt Tom Bergevoet. Her en der in het land staan ze nog in de steigers, de grootschalige nieuwbouwwijken die op de tekentafel zijn bedacht. Lange rijen dezelfde gevels, dezelfde daken, dezelfde tuintjes. Strakke lijnen, herkenbare patronen, zachte kleuren. "Tegenvallers konden door de grote winstmarges bij grootschalige gebiedsontwikkeling altijd worden opgevangen. Dan kost het maar 100 miljoen euro extra."

Maar die tijd is voorbij. Vastgoed is niet langer een mooie belegging, projectontwikkelaars verliezen hun macht, overheden moeten bezuinigen en hebben geen geld meer voor grote projecten. Stukken bouwgrond blijven lang braak liggen en meer kantoren dan ooit staan leeg. "Het denken in megalomane projecten ligt achter ons", concludeert architect Bergevoet. "Het nieuwe ontwikkelmodel gaat uit van kleine stapjes, waardoor op een organische manier een nieuw stuk stad ontstaat."

En dat biedt ruimte voor nieuwe partijen, vult collega Maarten van Tuijl aan. "Niet alleen voor architecten, ook voor gebruikers, buurtbewoners, bedrijven of leveranciers van nieuwe producten. Recycling en verduurzaming leidt tot het gebruik van andere materialen en nieuwe technieken. En er komen andere financiers. Huizen die energie opleveren, zijn aantrekkelijk voor energiebedrijven. In Londen betaalde Barclays Bank de aanleg van een fietspad: dat is blauw en er staat hier en daar een logo op. Is dat erg?"

Bergevoet en Van Tuijl schreven samen 'De flexibele stad. Oplossingen voor leegstand en krimp', dat vandaag verschijnt. Het blauwe fietspad in Londen is een van de vele voorbeelden die ze aandragen om te laten zien dat een einde aan de groei - van economie én bevolking - niet slecht hoeft uit te pakken voor de ruimtelijke ontwikkeling van een stad.

Betaalbare plekken
Zelf hebben ze hun bureau Temp.architecture ondergebracht in een leegstaand kantoor in Amsterdam-Zuidoost, vlak bij het Academisch Medisch Centrum. De omgeving vertoont tal van andere ongebruikte ruimten. "Je ziet, krimp beperkt zich niet tot het platteland, ook de grote stad heeft er mee te maken", zegt Bergevoet. Hij vertelt over een bedrijf dat zijn tijdelijke kantoor verliet omdat de eigenaar de huur verhoogde. "Nu staat het leeg." Ook Bergevoet en Van Tuijl trekken binnenkort weer verder. Ze willen wat meer in de binnenstad zitten, dichter bij huis. Ook in de recent opgeknapte pakhuizen langs het IJ komen kantoren vrij. "Er is structurele leegstand, gebruikers kunnen daardoor makkelijker zoeken naar betaalbare plekken. Er is een vraaggerichte markt ontstaan."

Tijdelijk gebruik, aanpassen aan de nieuwe economische realiteit, is meer dan een trend, stellen de twee architecten vast. Ze ontdekten dat hun werk begon te veranderen toen ze tussen 2004 en 2008 in opdracht van de gemeente Amsterdam zochten naar mogelijkheden om het Olympisch Stadion aan te passen voor grote evenementen als het EK atletiek (in 2016), het WK voetbal of de Olympische Spelen. Die uitbreiding moest tijdelijk zijn om de monumentale status van het stadion te behouden. Een omvangrijk bouwproject vergde destijds gemiddeld tien jaar, maar Bergevoet en Van Tuijl merkten dat tijdelijk bouwen veel sneller kon.

Toen kort daarop de bouw grotendeels stilviel als gevolg van de crisis roken Bergevoet en Van Tuijl kansen voor tijdelijk gebruik. Drie jaar geleden brachten ze de leegstand aan bouwgrond en vastgoed in Amsterdam in kaart. De gemeente nam hun bevindingen pas serieus nadat dagblad Het Parool op de voorpagina had gemeld dat de leegstand in de hoofdstad de omvang had van stadsuitbreidingswijk IJburg.

Inmiddels experimenteert Amsterdam in enkele buurten met tijdelijk gebruik, verruiming van de regels en nauwere betrokkenheid van omwonenden. Bergevoet en Van Tuijl beschrijven in hun boek meerdere voorbeelden, zoals het stadsstrand Blijburg dat de afgelopen tien jaar diverse stroken van IJburg heeft benut, telkens voor de nieuwbouw uit. Of hotel Ramada Apollo, gebouwd in een oud kantoorgebouw dat de eigenaren niet leeg wilden laten, waarmee ze hun verlies beperkten. Naarmate het hotel succesvoller is gaat de huur omhoog; de eigenaren investeren een deel van die meeropbrengst weer in het verfraaien van de omgeving, waarvan de buurt profiteert maar ook het hotel dat weer aantrekkelijker wordt en meer kan opbrengen.

Maar de architecten beperken zich niet tot Amsterdam. Ze bespreken ook de geleidelijke ontwikkeling van voormalig vliegveld Tempelhof in Berlijn, de verbouwing van een leegstaande school in Heerlen tot creatieve werkplaats, de langzame metamorfose van twee Philips-fabrieken (Gerard en Anton genoemd) tot huurflats met loftwoningen die op termijn in de verkoop gaan en het tijdelijke dorp aan het Groningse Boterdiep dat als het Open Lab Ebbinge (vernoemd naar de ondernemersvereniging Ebbingekwartier die het initiatief nam) stukje bij beetje weer onderdeel wordt van de stad Groningen.

De stichting Sint Jan in Kloosterburen staat in het boek als inspirerend voorbeeld van de aanpak van krimp op het platteland. Toen de gemeente De Marne besloot het dorp Kloosterburen op te heffen, sprong de stichting in het gareel om de vitaliteit aan te tonen en de leefbaarheid te vergroten met een dagbestedingsproject voor mensen met een verstandelijke beperking en een nieuwe bestemming voor de dorpskerk en andere monumentale gebouwen.

Charmant kleinschalig is de actie van de jonge ontwerper Vincent Wittenberg, die de ontwikkelaar van een sloop- en nieuwbouwproject in de Eindhovense wijk Woensel wist te overreden een aantrekkelijk geschilderd flexibel hek te plaatsen en wat bomen te laten staan. In plaats van een gapend gat met een stalen hek eromheen hadden de buurtbewoners een paar jaar profijt van een tijdelijk stadspark. In dezelfde wijk Woensel bedachten buurtbewoners een oplossing om de sloop van hun straat minder dramatisch te maken. In plaats van planken plaatsten ze levensgrote foto's voor de ramen van lege woningen. Kort voor de sloop, toen alle 110 huizen leeg waren, keerden de bewoners nog een keer terug om hun project Museumstraat met een feest af te sluiten.

In veel gevallen zou sloop van leegstaande gebouwen de ideale oplossing zijn, beamen Bergevoet en Van Tuijl. Maar dat gaat niet zolang de gebouwen nog een papieren waarde hebben. Toch zijn ook hier creatieve oplossingen denkbaar. De ontwerpers stellen in hun boek bijvoorbeeld voor om in het Teleportgebied, bij station Amsterdam-Sloterdijk, huurders van halflege kantoorgebouwen te verleiden te verhuizen naar een nabijstaand eveneens halfleeg kantoor, waardoor panden kunnen worden gesloopt en een doorgaande groene strook tussen Amsterdam en Haarlem vrijkomt.

'De flexibele stad' is geschreven voor een breed publiek. "Het is een handboek", zegt Bergevoet. "Dat klinkt schools, maar juist omdat het voor een brede doelgroep is geschreven, hadden we behoefte aan een systematische aanpak waarbij ook procesmatige, juridische en financiële aspecten worden meegenomen. Ook voor ons vakgebied is dit nieuw: een architect die alleen maar wil ontwerpen, krijgt nu nauwelijks nog opdrachten. Omdat de initiatieven kleinschaliger zijn, en soms tijdelijk, moet je als architect ook durven meedenken in juridische of financiële oplossingen."

Positief "We hebben een positief boek gemaakt", stelt Van Tuijl. "Het begint analytisch - we stellen vast dat de ruimtelijke ontwikkeling anders moet. Daarna laten we zien hoe dat kan en nu ook al gebeurt. Het heeft geen zin om te wachten op het einde van de economische crisis." Het gaat om nieuwe ideeën", vult Bergevoet aan. "Er staat ook in wat er mis is, maar dat is het kleinste hoofdstuk."
Tijd speelt in de nieuwe manier van ruimtelijk ontwikkelen een cruciale rol. "Het is ons leitmotief", zegt Bergevoet. "Vroeger was alles wat er gebouwd werd voor de eeuwigheid. Maar dat past niet bij de veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid van onze huidige maatschappij. Om te voorkomen dat gebouwen lang leeg blijven staan, zoeken we daarom naar tijdelijke functies, waardoor er op korte termijn nieuw leven kan ontstaan. De verdere ontwikkeling van een gebied gaat langzaam, in fasen, nieuwe vragen en behoeften ontstaan gaandeweg. Door rekening te houden met de factor tijd ontwikkelt een stad of dorp zich organisch."

Aan flexibel ontwikkelen kleven risico's, erkennen de twee architecten. "De maakbare samenleving bestaat niet meer, dus je begint aan iets en weet niet precies wat er uiteindelijk uitkomt", zegt Bergevoet. "Dat wil niet zeggen dat alles kan en alles mag", zegt Van Tuijl. "De beoordeling is in belangrijke mate aan de overheid, maar die hoeft niet meer tot in detail te bepalen hoe een dakgoot eruit mag zien."

"De eigen omgeving staat niet langer vast", aldus Bergevoet. "In een krimpgebied mag je al blij zijn dat er wat gebeurt. Daarbij moet je blijven zoeken naar hoe je leefbaarheid kunt waarborgen met een terugtredende overheid." Van Tuijl: "Het gaat om vraag gedreven in plaats van aanbod gestuurd ontwikkelen, de gebruiker staat centraal. We moeten betaalbaar maatwerk leveren, net als in de zorg."

Tom Bergevoet en Maarten van Tuijl:

'De flexibele stad. Oplossingen voor leegstand en krimp', nai010 Uitgevers, euro 24,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden